Tagarchief: ziel

DE VIERLEDIGE MENS (3-3)

.

Het astraallijf (3)

In de voordrachten ‘Allgemeine Menschenkunde’ [1] spreekt Steiner over de mens vanuit 3 verschillende standpunten, blikrichtingen: vanuit de meer fysieke kant, vanuit de ziel en vanuit de geest.
Telkens benadrukt hij het belang van ‘karakteriseren’*, van omschrijven en niet zo zeer van definiëren. Een vaste omschrijving geeft minder weer, sluit bepaalde aspecten uit, begrenst, waardoor er bijv. sneller een bepaalde scheiding optreedt, terwijl het eigenlijk meer om een onderscheiden gaat.
De drie wezensdelen zijn in werkelijkheid ook niet van elkaar gescheiden.

Datzelfde geldt ook voor het 4-ledig mensbeeld, waarbij Steiner weer een ander standpunt inneemt, de mens vanuit een andere optiek bekijkt.

Steiner noemt de indeling in ‘denken, voelen, willen’ een abstractie, t.o.v de veel levendigere uitingen van sympathie en antipathie. Met deze kun je het zielenleven beter leren kennen, want de ziel schommelt steeds tussen sympathie en antipathie. Extreem gesproken: tussen liefde en haat. [2]

Als het dan om de belevingen van de mens gaat, zijn gevoelens, zijn gevoelsleven, zijn zielenleven, zijn astraliteit, zijn dit allemaal woorden die behoren bij zijn vermogen om innerlijk te beleven.

Dat wil niet zeggen dat de woorden synoniem zijn: alle duiden ze weer op net een ander aspect.

Wanneer ‘ziel’ omschreven wordt als ‘vermogen om de buitenwereld tot innerijke aangelegenheid te maken’ en ‘het vermogen om de binnenwereld naar de buitenwereld of in de buitenwereld te uiten’, is dat natuurlijk nauw verwant aan wat we met ons astraallijf doen, nl. ‘beleven’.
Wanneer we in ons iets beleven van wat uit onze lichamelijkheid komt: honger, dorst, waarbij er een begeerte, een verlangen volgt deze honger en dorst te bevredigen, is dat iets van onze ‘aardsere’ astraliteit, maar kan ook gekarakteriseerd worden vanuit de wil, wanneer we die onderscheiden in zijn instinctieve, driftmatige aspecten.

In al deze uitingen zal je makkelijk de sympathie en antipathie herkennen.
In de eerste plaats bij jezelf. Naar jezelf kijken tegen de achtergeond van sympathie en antipathie doet je zelfkennis groeien.

Iemand zegt iets tegen je wat je fijn vindt. Daar word je blij van, het vrolijkt je op – je zou diegene wel willen omhelzen. Sympathie alom.

Iemand zegt iets tegen je waarmee hij je zwaar beledigt. Woede welt in je op. Je kunt hem wel schieten……Antipathie alom.
We zitten in wezen steeds in de pendelslag van sympathie en antipathie.

Het ‘levend’ omgaan met deze begrippen verschaft je zeker meer wijsheid over de mens.

Wanneer de mens iets beleeft, meemaakt, ondergaat enz. zal hij dat onder woorden willen brengen.

Interessant is nu welke woorden we daarvoor gebruiken. Het blijken in de meeste gevallen vergelijkingen te zijn.
Wat je mee- en doormaakt, voelt en ervaart, wordt vergeleken met voorvallen in de wereld buiten je.
Prachtige metaforen, zeggen we nu. Maar wie heeft die gemaakt, bedacht? Hoe zijn die in de taal terecht gekomen? En waarom?

Het is niet aannemelijk dat iemand daar eens even voor is gaan zitten!

Steiner wijst erop dat de taal veel oude wijsheid bevat – voor ons nu ‘gekristalliseerd’.

‘De dingen die in de woorden gekristalliseerd zijn, zijn oud geestesleven. We gebruiken de woorden gedachtenloos, maar de dingen rusten in de diepte van ons wezen.’ [3]

‘Je kunt hem wel schieten’, merkte ik hierboven op. Het gevoel is er, maar wordt in de wil teruggehouden: je doet het niet.
In je innerlijk vindt de moord a.h.w. plaats; wat in de buitenwereld kan voorkomen wordt in het beeld – zoals dat met beelden gewoonlijk is – ontstoffelijkt: het wordt van een andere realiteit.

Wie in de taal op zoek gaat naar juist deze beelden van sympathie en antipathie vindt een grote rijkdom waarmee de ziel zich – vergelijkenderwijs -uit.

met woorden

kun je
iemand de oren wassen  (de waarheid zeggen)
met iemand bekvechten            
iemand onderuit halen                
iemand monddood maken          
iemand het zwijgen opleggen
iemand onderschoffelen
iemand raken
iemand iets voor de voeten werpen
iemand ’t vuur aan de schenen leggen
iemand verstikken
Iemand ’t bloed onder nagels vandaan halen
iemands blazoen bezoedelen
iemand met modder gooien
iemand iets in de schoenen schuiven
iemand voor schut zetten
iemand doet je de gal overlopen
iemand kotst van je
iemand komt je de neus uit
iemand zit me tot hier
iemand een snotneus noemen
iemand afdrogen
iemand in z’n hemd zetten
iemand als pispaal gebruiken
iemand als kop van jut gebruiken
iemand aan de schandpaal nagelen
iemand bij de neus nemen
iemand op z’n tenen trappen

die is misschien lichtgeraakt; sarcasme of spot kan bijtend  zijn.

Er zijn nog heel veel meer uitdrukkingen: de (astrale) sympathie en antipathie in beeld gebracht.

Tegen deze achtergrond kan ik een opmerking van Steiner: ‘astrale oorvijg’, wel een plaats geven.

*vrijeschoolpedagogie

[1] GA 293
vertaald
[2] GA 301/37
niet vertaald
[3] GA 203/237
niet vertaald

Het astraallijf (1)   (2)

DE VIERLEDIGE MENS (3-1)

wat voorafging: deel 1; deel 2; deel 3

Het astraallijf (1)

karakteriseren i.p.v. definiëren – de dingen op elkaar betrekken – het zoeken van de tegenstellingen

Steiners aanwijzing om ‘de dingen op elkaar te betrekken’ en de ‘tegenstellingen op te zoeken i.p.v. de overeenkomsten’ blijkt ook voor een verdere beschouwing over de mens vruchtbaar.

De tegenstelling fysiek lichaam etherlijf wordt duidelijk in de gebezigde karakteristieken. Het niet-levende tegenover het levende spreekt voor zich.

Ook de karakterisering van de rijken: het minerale-; planten- dieren- en mensenrijk helpt verder om meer over onszelf en deze rijken te leren.
Het verschil tussen het mineraal en de plant is o.a. dat er bij het mineraal geen leven te bespeuren valt en bij de plant juist een overmaat aan leven, waarbij groei en voortplanting in één adem genoemd moeten worden.

plant – dier

Proberen we nu plant en dier te vergelijken dan kan een ervaring die ieder heeft te hulp komen.

Wanneer je in het gras ligt, kan er door de wind steeds een grashalm tegen je gezicht geblazen worden. We voelen dat als een lichte prikkeling, een gewaarwording dat ‘iets’ tegen ons aankomt. Wanneer we de grashalm weg willen halen, lukt dat meteen: we kunnen hem beetpakken, opzij buigen op afplukken. De graspol blijft gewoon op zijn plaats.
Heel anders is dat wanneer er bv. een vlieg op ons gezicht zit. Ook daarvan voelen we een lichte prikkeling; willen we echter de vlieg weghalen, dan laat deze zich niet zo beetpakken als de grashalm, die vast aan de aarde verbonden zit.
Bij de minste beweging is de vlieg al weg: een teken dat deze niet aan de aarde gebonden zit, maar zich vrij bewegen kan. En dat levert het eerste grote verschil tussen plant en dier op:

de beweging van de grashalm wordt veroorzaakt van buitenaf: door de wind. De beweging van de vlieg komt vanuit de vlieg zelf: van binnenuit.
De plant die naar het licht groeit, beweegt ook; op een vaste plaats, maar als reactie op wat er buiten gebeurt. Ook de vlieg reageert op buiten, maar niet op de vaste plaats.

De tuinder die zijn klimbonen ordentelijk omhoog wil laten groeien, plaatst stokken en weet dat de bonen daarlangs omhoog zullen groeien: die komen nergens anders terecht.
De kanariehouder moet zijn kooi met gaas begrenzen; hij weet niet waar zijn vogels anders zouden blijven.

Het waarnemen van een puppytraining is ook heel leerzaam. Voortdurend willen de jonge hondjes ‘hun eigen leven leiden’, gaan waarheen het hen invalt. Ze kunnen van je vandaan lopen, maar ook naar je toe komen, dat is afhankelijk van wat er in hen omgaat . En daarmee wordt nog duidelijker dan bij de grashalm en de vlieg, dat een dier een eigen leven heeft.
Wanneer we de grashalm afbreken, volgt er geen uiting – er komt geen geluid bv.; zou de hond zijn poot breken, dan horen we wel aan zijn reacties dat hij iets beleeft.
Zo komen we op nog een groot verschil tussen plant en dier. De plant leeft; het dier be-leeft.
Dit voorvoegsel –be-  betekent in de taal een intensivering van het volgende woord. Grijpen, be-grijpen. Maar die intensivering is niet alleen maar een meer en meer. Het is ook anders. Grijpen is nog een fysieke handeling; begrijpen een mentale.

‘Het voorvoegsel be drukt eene versterking van den zin uit, en alzoo zegt bedenken iets meer dan denken en beteekent eene zaek van alle zyden bezien – overwegen’  (bron)

Dit innerlijke leven hebben we bij de drieledige mens als ‘ziel’ leren kennen.

In Steiners vierledige mensbeeld krijgt het de naam astraallichaam of astraallijf, waarbij lijf, zoals ook bij etherlijf betekent een krachtencomplex, een vermogen.
Wanneer je het woord ‘lichaam’ gebruikt, moet je je realiseren dat dit niets fysieks is;(ik geef de voorkeur aan ‘lijf’.)

De vlieg die we willen grijpen en die meteen opvliegt wanneer onze hand een sla-beweging maakt, heeft dus kennelijk een ‘opmerkingsgave’; merkt het op – wordt het gewaar.
Er is dus een vorm van ‘zich bewustzijn’; en een reactie in de vorm van een beweging.

Voor beide is een fysieke basis nodig, een soort voorwaarde: voor het bewustzijn: zenuwen en voor de beweging: stofwisseling, die we bij de mens hebben leren kennen als denken en willen.

Wanneer we over ‘zenuwen’ spreken, is het uit vorige beschouwingen duidelijk, dat we dan in één adem ook ‘zintuigen’ moeten zeggen.

Als ik op de grond een minuscuul ‘dingetje zie liggen en ik weet niet of het een of ander beestje is, zal ik het proberen aan te raken. Beweegt het, dan is het een diertje, blijft het liggen dan is het of geen diertje of een dood diertje. In de laatste 2 gevallen is er geen zintuigactiviteit en er volgt derhalve geen reactie.
Ik zie even af van het feit dat sommige dieren zich ‘dood’ kunnen houden)

de wil

Wanneer hier boven sprake is van ‘willen’, is dit ‘willen’ bedoeld als een menselijk vermogen: je wilt dit of je wilt dat of niet. Wanneer er iets te kiezen valt, voelen we wel dat hier het woord ‘vrijheid’ opduikt.
Het vraagstuk van de ‘vrije wil’ past echter niet bij dit onderwerp: het verschil tussen plant en dier.

Bij de plant kan niet worden gesproken van ‘wil’. De plant kan niet iets niet willen.
Geldt dit ook voor het dier.

Als een mens een huis wil laten bouwen, kan hij kiezen uit vele mogelijkheden. Een konijn daarentegen, graaft – altijd – een hol. Die kan niet besluiten om het vanaf nu eens anders te doen: ik ga in een boom wonen!

‘Een dier doet, wat het moet’, zo vatte Leendert Mees dit samen.
Bij een dier kan al helemaal geen sprake zijn van een vrije of eigen wil.

Wat het doet, moet zo gaan. Van wie of wat moet dat dan? Het antwoord is zo simpel als het gecompliceerd is: van de natuur of van zijn natuur.

Wanneer we aan het dier een binnenleven, een innerlijk leven kunnen toeschrijven waarmee het op de buitenwereld reageert, heet dat in het dagelijks spraakgebruik: instinctief of de woorden begeerte en drift vallen.
Er is een voortdurende interactie tussen gewaarwordingen en handelingen = beweging.

Rudolf Steiner onderscheidde instinct, begeerte en drift en betrok ze op fysiek lichaam, etherlijf en gewaarwordingslijf (waarbij ‘lijf’ dus staat voor ‘kracht’, ‘vermogen’)

Het is moeilijk om in het dagelijkse spraakgebruik de juiste formuleringen te kiezen.
Je kunt eigenlijk niet zeggen dat een plant behoefte heeft aan water, wanneer hij er slap en uitgedroogd bij staat. Voor ‘behoefte’ is voelen nodig. Wil de plant niet doodgaan, heeft deze water nodig – dat komt van buitenaf. De plant slaakt geen jammerklacht. Een dier wel.
De plant reageert op de zon en opent zijn bloem; als het regent blijft deze dicht.
De leeuw wordt zijn hongergevoel gewaar; weer of geen weer – hij MOET op jacht. De vogels MOETEN trekken; de zalmen en palingen ook. Niet één zal denken: ik sla maar een jaar over – zoals wij kunnen besluiten dit jaar maar niet op vakantie te gaan.

Wie er oog voor krijgt, begint het grote verschil tussen plant en dier steeds gedetailleerder te zien.

Plant – vast zijn leefgebied
Dier –   vrij in zijn leefgebied

Plant – reageert op prikkels van buitenaf
Dier – reageert ook op prikkels van binnenuit

Plant – leeft
Dier – beleeft

Plant – geen zenuw/zintuig wezen – geen stofwisselings-                                                                                              ledematenwezen
Dier – zenuwzintuig wezen -stofwisselings-ledematen wezen

Plant – geen gevoel/ziel*
Dier – gevoel/ziel

Plant – geen bewustzijn*
Dier – bewustzijn

Plant: geen inwendige organen
Dier: inwendige organen

*zoals er in deze artikelen hier over wordt gesproken.

Er zullen vrijwel geen mensen bestaan die voor een plant staan en zich afvragen wat er in zijn wezen omgaat.
Bij dieren en vooral bij mensen is dit wel het geval – je vraagt je dan eigenlijk af wat er in zijn binnenste omgaat – wat hij beleeft, ervaart, doormaakt enz.

Planten bestudeert men door ze waar te nemen – de buitenkant – bij de dieren ook, maar menig onderzoeker probeert ‘in de huid van het dier te kruipen’ om het te leren kennen.

Niemand zal een dier een hogere plant noemen – een plant wordt ook geen hoger mineraal genoemd.

astraallijf (2)    (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

HART EEN POMP?

“HET HART EEN POMP”?

Denken, voelen en willen hebben we leren kennen als 3 uitingen van de ziel.

ZIEL:
opgevat als het vermogen de buitenwereld tot binnenwereld te maken en de binnenwereld weer tot buitenwereld.

Ziel is een vermogen-niet waarneembaar met de zintuigen waarmee we de fysieke wereld waarnemen.

Om tijdens het leven een ziel te kunnen hebben, is een lichaam nodig, waarin deze huizen kan.

Dat lichaam is wel waarneembaar en we hebben het leren kennen als hoofd, romp en ledematen; de respectievelijke zetel van denken, voelen, willen.

Ook waarneembaar zijn de organen die weer bij deze 3-ledigheid- hoofd, romp en ledematen horen: het zenuw-zintuigstelsel; hart en longen en het stofwisselingssysteem.

Zoals het denken voornamelijk plaatsvindt met behulp van de hersenen, zo wijst het voelen in de richting van het hart.

HART EN GEVOEL
Als we plotseling schrikken, voelen we dat meestal onmiddellijk aan of in ons hart: het slaat ineens sneller; hartkloppingen kunnen het gevolg zijn; we voelen het bloed kloppen in onze slapen; het bloed kan wegtrekken uit ons gezicht, zodat we lijkwit zien.

De schrik sloeg me om het hart.

 

En wanneer                          het hart je in de keel klopt,

 voel je  je niet op je gemak.

Hier kwamen ter sprake  verschillende zieleniveaus: o.a. werd de verstands-gemoedsziel beschreven.

Wanneer deze in een mens overheerst, wordt vooral geuit wat men er van vindt; hoe men het beleeft.
Deze mens leeft veel sterker in de sympathieën en antipathieën van het ogenblik; deze worden vaak (te) snel geuit: men zegt wat men op het hart heeft-

waar het hart van vol is, loopt de mond van over.

Iemand kan naar je hart spreken:

hij zegt dan dingen die je fijn vindt; waar je je lekker bij voelt .

Met kloppend hart: vol angstige spanning.

“Vol verwachting klopt ons hart”.

De volgende uitdrukkingen zijn ontleend aan het ‘Groot woordenboek der Nederlandse taal’: de ‘grote’ Van Dale:

HART

‘lichaamsdeel waarop aandoeningen van geest en gemoed werken of terugwerken’

zijn hart is geen boontje groot, hij is zeer bang

zijn hart vast­houden, in angst of vrees verkeren voor de afloop van iets

zijn hart kromp ineen van medelijden; sprong op van vreugd

met bloedend hart: op het smartelijkst in zijn gevoel getroffen.

 De lijst kan nog overdadig uitgebreid worden.

 Over het voelen werd gesproken als zich bevindend tussen denken en willen.

De vraag zou dan kunnen worden: hoe staat het hart-als gevoelsorgaan, tussen de zenuw-zintuigorganen en die van de stofwisselings-ledematenorganen.

Het hart is een spier. Het bestaat dus, grofweg gesproken, uit vlees. Het is ook rood en zoals iedere spier, trekt ook de hartspier zich samen, komt onder een bepaalde spanning, wordt harder en weer zachter en ontspant zich weer. In de polsslag kunnen we deze beweging aflezen. Het hart heeft een spierbeweging. En waar beweging is, vindt stofwisseling plaats. De rechter- en linkerkamer hebben het dikste spierweefsel: daar zit de krachtigste beweging: wanneer je op de achtergrond denkt aan : denken, voelen, willen, zit daar  de wil van het hart.

De zenuw-zintuigorganen zijn er om tot bewustzijn te komen. Om “weet” te krijgen van de omgeving. We maken beelden van de omgeving die we door de zintuigen waarnemen. Onstoffelijke spiegelbeelden van de stoffelijke werkelijkheid.

Hoger gelegen-meer richting hoofd!-bevindt zich in de rechterboezem de Aschoff-Tawarse knoop; een concentratie zenuwen.

In deze boezem komt het bloed het eerst het hart binnen. Het lijkt alsof het hart wil zeggen: hier, waar ik voor het eerst kennismaak met dit bloed, heb ik een orgaan nodig om tot kennis te kunnen komen. Er lopen van hier nog veel meer zenuwbanen; waar zenuwbanen zijn, eindigen ze ook en die uiteinden zijn zeer gevoelig. Daarmee is het hart ook zintuigorgaan. Uit heel het lichaam komt het bloed daar aan en het hart krijgt zo de gelegenheid om te weten wat de kwaliteit van dit bloed is, maar ook van de snelheid waarmee het binnenstroomt.

Een ervaring van het “snel de trap op lopen” kennen we wel: met 3, 4 treden tegelijk omhoog en we merken: we moeten dieper ademen en ons hart slaat sneller.

De bloedsomloop moet sneller. De benen zijn in beweging en de beenspieren hebben zuurstof nodig; het bloed moet dat aanvoeren; maar dan moet er ook meer zuurstof voorhanden zijn; dan moet het hart dus sneller werken. We zouden erge pijn in de benen krijgen, als het hart dit niet voorkwam door zijn aktiviteit.

Zitten we daarentegen achter ons bureau, dan hoeft het niet zo snel te gaan en het kloppen gaat langzamer.
Het hart is zintuigorgaan voor de bloedsomloop.

Even hierboven vermeldde ik de uitdrukking dat het hart kan opspringen van vreugde. Plezier, er zin in hebben; kortom: graag willen, verlevendigt de bloedstroom.

Maar omgekeerd, wanneer we terneergeslagen zijn, kunnen we dat beleven als een “zwaar hart”. Dat kan zo zwaar zijn, dat het ons in de schoenen zakt; en daarmee de moed.

Zo naar het hart gekeken, is het niet vreemd om te zeggen dat het werkzaam is tussen “denken” en “willen”, als gevoelsorgaan.

Louter naar de stoffelijkheid gekeken is het hart een orgaan dat een pompende beweging maakt; maar we doen het hart te kort, door het “slechts” een pomp te noemen. Het is meer: het is een “bezield” orgaan.

De voelende ziel vindt in het fysieke hart het orgaan dat meevibreert met de stemmingen waarin de ziel zich bevindt;

zoals in de muziek de boventonen meevibreren met de grondtoon.

Het hart als orgaan van het “midden”.

Niet te veel of te weinig van het een; of niet te veel of te weinig van het ander.

Toen ik zelf eens met hartklachten naar mijn huisarts ging- hij wordt hier met respect genoemd-dokter Albert Soesman, en ik de symptomen beschreef, en nadat hij mij had onderzocht, sprak hij de zeer verhelderende woorden: “jij hebt geen last van je hart; je hart heeft last van jou”.

(Een andere leefwijze, zonder medicijn of wat ook, was genoeg om de klachten te laten verdwijnen).

Die leefwijze was beslist niet “evenwichtig” te noemen. Dit zou kunnen betekenen: niet in overeenstemming met wat het hart als orgaan doet:

 evenwichtig werken tussen de 2 tegengestelde polen.

Ook dat zien we in de taal terug: ben je ruimhartig, of enghartig (een woord dat niet veel meer wordt gebruikt, het synoniem wel: kleinzielig!)

Het Duits kent kaltherzig tegenover warmherzig; het Nederlands kent wel lauwhartig: zonder warme belangstelling: onverschillig.

Lucht/lichthartig-we kennen wel zwaarhoofdig: pessimistisch-zwaarmoedig.

In het Duits kan men iemands hart schwermachen.

Je kunt hartelijk zijn, maar ook harteloos.

Je kunt een hart van goud, maar ook van steen hebben.

In de taal leeft nog een schat aan voorbeelden die hier natuurlijk niet allemaal genoemd kunnen worden.

  het hart een pomp?

In ieder geval een orgaan dat een pompende beweging maakt; of het daarom slechts een pomp genoemd kan worden? Uit bovenstaande beschouwing blijkt  dat het een orgaan is dat een ruimere omschrijving verdient dan uitsluitend ‘pomp’.

 

 

 

 

DE DRIELEDIGE MENS (4)

wat voorafging: deel 1; deel 2; deel 3

DE DRIELDIGE MENS

DENKEN, VOELEN, HANDELEN (1)

Ook deze ervaring zullen velen met mij delen-vooral als je doe-het-zelver bent.

PLANNEN=IDEEËN HEBBEN/KRIJGEN
Je wilt je keuken verbouwen. Daar sta je dan, te kijken, alles in ogenschouw te nemen. In gedachten breek je dit weg, plaatst dat, doet zus en zo. En aan je werktafel gaat dat nog even door. Planning, noemen we dat. We maken een plan en dat neemt steeds meer vorm aan. En hoewel er nog geen tegeltje losgekapt is, zien we al helemaal voor ons, hoe het gaat worden.

De dichter Marsman zag het ook voor zich, toen hij aan Holland dacht:

Denkend aan Holland,

Zie ik brede rivieren enz.

En dit is nu zo karakteristiek voor het denken. Wij zien „het“ voor ons. Ik stel de nieuwe keuken al helemaal voor me op. De voorstelling van de keuken is daar.

Maar met de „stoffelijke“ keuken is nog niets gebeurd! Ik hoefde in de bestaande keuken de („aardse werkelijkheid“) nog helemaal niets te doen, dan daar te staan of aan mijn tafel te zitten. In mijn hoofd gebeurde echter van alles: wikken en wegen: zal ik zus of zo? Het ene beeld door het andere vervangen, veranderen,  kortom: ik dacht.

VOORSTELLEN
Denken is in hoge mate een beweeglijke activiteit, die onstoffelijk (wel een realiteit, maar geen aardse) is. Preciezer: deze vorm van denken is het zich voorstellen, met een toekomstkarakter: min of meer zal het zus of zo gaan: voorstellen wordt zo „fantaseren“. Voorstellen heeft ook een verledenkarakter: wanneer ik me iets voorstel: voor de geest haal, wat ik eerder met fysieke zintuigen waarnam: de herinnering. Bij beide gaat het om beelden. Voorstellen heeft beeldkarakter.

HANDELEN
Wanneer ik aan het werk ga, moet ik de handen uit de mouwen steken en mijn beste beentje voorzetten. Hakken, breken, puin afvoeren, nieuw materiaal aandragen. Beweeglijkheid, maar nu met de materie. Uiteraard moet ik er goed mijn hoofd bijhouden en mijn hersenen gebruiken; maar in veel mindere mate dan bij het plannen; nu gaat het vooral om de handen. Transpiratie. ´s avonds: honger en moe, lichamelijk moe, als een blok in slaap. De andere dag misschien wel spierpijn. Daar was bij het plannen geen sprake van. Erna geen overmatige eetlust; moe? Een beetje slaperig wel.

POLAIRE PROCESSEN
Ik ben mij ervan bewust, dat deze processen nooit zo gescheiden verlopen als ik hierboven schets. De mens is immers een individualiteit-dat betekent zoiets als niet te scheiden; maar we kunnen wel onderscheiden en dat gebeurt hier.

En omdat het zoeken van tegenstellingen meer informatie oplevert dan wanneer je overeenkomsten probeert te vinden, is voor deze polariteit gekozen.

HOOFD
Het hoofd erbij houden; je hersenen gebruiken, behoort heel duidelijk bij de denkprocessen: het combineren en deduceren van Sherlock Holmes; Poirot die zo trots was op zijn grijze hersencellen! Als je iets niet voor mogelijk houdt, heb je er een zwaar hoofd in. Wat is de taal toch geweldig! In de afgeslotenheid van de hersenschedel ligt ons brein. Daar de hersencellen, verbonden met de zenuwen, op hun beurt weer deel uitmakend van onze zintuigen,  mogen we spreken over een zenuw-zintuigstelsel.

Het denken, met behulp van ons brein, moet kennelijk in de afgeslotenheid gebeuren. Je moet niet te veel aan je hoofd hebben; horen en zien moeten je zeker niet vergaan. Rust is een voorwaarde. Probeer maar eens een moeilijke som op te lossen en je hoofd tegelijk zo te bewegen als bv een houtduif doet. Nee, in de bovenkamer moet rust heersen. De hersenen zelf moeten als massa ook niet te veel bewegen: een hersenschudding is al veel te veel; maar een kleinere uitzetting betekent ook meteen hoofdpijn.

LEDEMATEN
Hoe anders bij de armen en benen. Vooral bij de kinderen waar te nemen: hoe meer beweging, des te meer pret. En als ze nog moeten wachten: het trappelen van ongeduld. „Gaan we nou?“

En zo gesloten en vast de schedel is, zo beweeglijk armen en benen; tot aan het spreiden van de vingers, is het hier een en al openheid. Van holte is geen sprake; de schedel rond; de ledematen langgerekt; de zachte massa binnen de schedel; de zachte massa buiten de beenderen van de ledematen.

En als je deze polariteit op je laat inwerken, zie je ineens een soort gebaar:zie de schets verderop.

ROMP
Naast hoofd en ledematen kennen we het derde deel van de bekende indeling: de romp. Het middendeel. Als we naar de lichamelijke kant kijken, zien we enerzijds, in de ribbenkast, botten, die niet meer zo stralend zijn als de ledematen, maar ook niet zo rond als de schedel.

Niet zo open, maar, in hun korfvorm, ook niet zo gesloten. Naar het hoofd toe, sluiten ze zich wel meer: in de atlas en de draaier zijn ze veel dichter en vaster van vorm geworden; terwijl de zwevende ribben juist weer meer bij de ledematen lijken te horen.

Prachtig, zoals het middendeel letterlijk het midden houdt tussen hoofd en ledematen.

Is het hoofd er om het denken mogelijk te  maken, de ledematen om te kunnen handelen; zou het middendeel dan met het voelen samenhangen?

ZIEL
De ziel in ruimere zin werd eerder het vermogen genoemd om de buitenwereld tot binnenwereld te maken; en omgekeerd. Wanneer er bv een harde knal achter me klinkt, dringt die in me via mijn gehoorszintuig; maar vrijwel onmiddellijk begint mijn hart te bonzen; ik trek wit weg en de adem wordt me bijna benomen. Het is niet moeilijk om allerlei eigen ervaringen aan te geven, waarbij adem en bloed sterk mede betrokken zijn bij het voelen. Ook hier is de taal weer rijk: „het hart klopte hem in de keel; het hart zonk hem in de schoenen.“ We kennen uit eigen ervaring  de verstikte stem bij sterke emoties; de zwaarder wordende ademhaling bij opwinding enz.

Hart en longen: dat is ook: ritme; deze idee lijken de ritmisch zich vertonende ribben nog te versterken.

Buitenwereld wordt binnenwereld en omgekeerd. Zo noemde ik de ziel.

Maar ik kan ook onmiddellijk neerschrijven: dat is de ademhaling.

HOOFD                                             ROMP                                    LEDEMATEN

denken                                              voelen                                   willen

rond                                tussen rond en gestrekt                     gestrekt

voorstellen        bew.z.z/verstandsz\gewaarwordingsz\  handelen

onstoffelijk                                                                                       stoffelijk

geest                                                                                                  materie

in/binnen                              binnen/buiten                                 buiten

HANDELEN/WILLEN
Naast handelen gebruik ik hier ook het woord willen. Nu is de wil als zodanig geen gemakkelijk onderwerp.  Als ik zo het woordje „wil “gebruik, is dit voor iedereen duidelijk, zo gebruiken U en ik het dagelijks. Simpel in te zien is, dat als je wat wilt, je in actie moet komen. Willen is vaak de impuls die aan het handelen voorafgaat. Vanuit deze optiek gebruik ik willen en handelen nu door elkaar.

STOFWISSELING
Bij het handelen beschreef ik al die verbouwing van mijn keuken. Het hakken en breken, het wegruimen van het puin; het aanvoeren van nieuw materiaal. Het is een aan-en wegbrengen, verplaatsen, veranderen van materie. Een intensief ploeteren met de stof. En dat kan alleen als ik me beweeg. Ik heb de beweeglijkheid van de ledematen, met de gewrichten nodig. De andere dag is het goed merkbaar aan de spierpijn, dat het niet alleen de ledematen zijn, maar ook de daarbij behorende musculatuur, die nodig is voor het handelen.

Nu hebben wij ook spieren, die zich aan onze direct beïnvloedbare handelingen, wilsimpulsen, onttrekken. We spreken niet voor niets over willekeurige en onwillekeurige spierbewegingen. Bij het eten van iets, zie je een mooie overgang van de willekeurigheid naar de onwillekeurige bewegingen.

Ik laat het telen van het voedsel en het klaarmaken daarvan buiten beschouwing, het is duidelijk dat het hier om een werking van, in en met de stoffelijkheid gaat. Terzijde merk ik hier op, dat in het ruiken en proeven onmiddellijk de aard van het zenuw-zintuigstelsel zichtbaar wordt: het „ontstoffelijken“ van de materie. De materie wordt a.h.w. geabstraheerd tot geur en smaak. De functie van het zenuw-zintuigstelsel is bewustzijn geven van.  Hier: bewustzijn van het betreffende voedsel: niet de kwantiteit, maar de kwaliteit.

In het kauwen en doorslikken hebben we de laatste mogelijkheid ons „willend“ met het voedsel bezig te houden; na het inslikken is het onttrokken aan onze wil(lekeur).

Echter, een zo mogelijk nog grotere activiteit vindt nu plaats, samengevat in het hele verteringsproces. Een mooi woord: stofwisseling: om- en uitwisseling van alle mogelijke voedingsstoffen, met de daarvoor bedoelde organen. En er is heel wat spierweefsel bij betrokken.

Bij de grote beweeglijkheid waartoe de ledematen in staat zijn, maar dan meer uiterlijk, hoort de beweeglijkheid-naar binnen toe, van de stofwisseling.

Daarom wordt in het drieledig mensbeeld ook vaak gesproken van het stofwisselings-ledematensysteem, naast het ritmische en het zenuw-zintuigsysteem.

MENS ALLEEN BREIN?
Met hulp van het drieledig mensbeeld is er veel meer over de mens te zeggen, dan bv het monisme, dat de mens reduceert tot zijn brein.

Wanneer ik alles wat tot nog toe gezegd is in een “schema” samen zou willen vatten, kom ik tot onderstaande tekening, die ik als een “gebaar” zou willen opvatten.

DE DRIELEDIGE MENS(3)

voorafgaan deel 1; deel 2

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (3)

Een eenvoudige waarneming kan ons leren dat we op een drievoudige manier in de wereld staan.
Even simpel is het in te zien dat we de mens als zielewezen, ook kunnen beschrijven als een denkend, voelend en willend wezen.

Ziel blijkt nader te omschrijven te zijn.

Ook lichaam en geest kunnen nader beschreven worden.

LICHAAM
Als ik hier zou vragen waar we ijzer, kalk, mangaan enz. vinden, dan zal menigeen denken aan landstreken waar deze stoffen worden gevonden.

Pas in tweede instantie denk je aan je eigen lichaam. Tot in grote details zijn deze stoffen bekend.

Al deze stoffen zijn te isoleren en naast elkaar te leggen.
Op zeker ogenblik worden deze stoffen van mijn lichaam los gemaakt: ont-bonden”. Wanneer mijn lichaam aan de natuur wordt overgelaten, isoleert deze mijn stoffelijkheid.

Maar dat gebeurt pas, wanneer ik ben gestorven. Wanneer ik niet meer leef. Dan wordt het woord uit de Prediker waar: „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.“

LEVEN
We weten niet wat het is en hoe het er is gekomen.
We weten alleen dat het er is zo lang we leven.
Daar we niet in stof  uiteenvallen als we leven, moet dit leven iets te maken hebben met het bijeenhouden van mijn lichamelijkheid. Dit geldt ook voor de andere rijken in de natuur die leven: de planten en de dieren.

HÈT VRAAGSTUK:
Is leven een eigenschap van de materie; of is het „iets“ zelfstandigs, dat de materie vormt en gestalte geeft.

Tot nu toe hebben we met het leven wel de stof; met de stof niet het leven.

Als ik Steiners visie volg, moet ik hier spreken over een vormkrachtencomplex. Zekere krachten die de stoffelijkheid bijeen houden.

LEIB/LIJF
In het Duits wordt het woord Leib gebruikt, i.t.t. Körper; in het Nederlands „lijf“ i.t.t. lichaam, waarbij dit laatste etymologisch verwant is aan „lijk“-“lic”de stoffelijkheid zonder leven (likdoorn); het eerste: het leven, zoals we dat nog kennen in woorden als lijfrente; lijftocht enz.

We kunnen „leven“ niet zien; we ervaren het; voor ieder van ons is het een werkelijkheid: we leven immers!
Dat zou m.i. aanleiding moeten zijn tot het accepteren van het feit dat er een realiteit is die het waarnemen met de gewone zintuigen te bovengaat.

Het leven hebben wij gemeen met de planten en de dieren.
Het kenmerkt zich vooral door groei en voortplanting.
De uitwerking van de levensactiviteit in de materie is zichtbaar.

GEWAARWORDINGEN
Niet zichtbaar zijn de gewaarwordingen die hiermee samenhangen, ze worden wel door iedereen ervaren: wij hebben onze hongergewaarwordingen; er is een drang tot voortplanten. We kunnen het lijstje aanvullen met allerlei woorden die behoren bij al datgene wat ligt in de sfeer van instinct, drift en begeerte. Deze zijn beleefbaar als gevoelens, nog sterk verbonden met het leven; het vegetatieve. Er gaat een grote dwang vanuit. Het handelen dat ermee gepaard gaat, is in hoge mate een „moeten“, dus onvrij.

ZIEL
Wij kunnen ons als mens alleen op basis van onze lichamelijkheid manifesteren. Als de gewaarwordingen afhankelijk zijn van het levend-stoffelijke in ons, betekent dit, dat dit levend-stoffelijke onze gewaarwordingen begrenst. Als ik blind ben zijn mijn kleurgewaarwordingen minder intens, of zelfs geheel afwezig, dan wanneer ik over goed ziende ogen beschik.

Om de ziel te karakteriseren werd er gesproken over een vermogen om de buitenwereld tot eigen wereld, binnenwereld te maken en de binnenwereld weer naar de buitenwereld te uiten; kortom: te handelen.

Toen ik bij de bakker even in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en besluiten: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.

Als we over “ziel” spreken, hebben we het over “iets” dat met de gewone zintuigen niet waarneembaar is. We kunnen niet anders dan ons bedienen van woorden die betrekking hebben op wat wel met de gewone zintuigen waarneembaar is.

Als we zeggen “de ziel is” spreken we onszelf al meteen tegen, want de ziel IS niet, zoals een arm of been is. De ziel pendelt voortdurend , als een stroom, tussen denken en handelen.

Om iets van de ziel te begrijpen, is het nodig om veel te karakteriseren. Maar dat moet wel uitmonden in vastere definities. Anders liggen de misverstanden op de loer.

GEWAARWORDINGSZIEL
Omdat we bij onze gewaarwordingen iets beleven, onze binnenwereld ervaren, is er, de omschrijving van ziel volgend, van “ziel” sprake: gewaarwordingsziel.

VERSTANDS-GEMOEDSZIEL
Toen ik bij de bakker even in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en besluiten: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.

Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen: gewaarwordingsziel

We onderscheiden deze als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed-onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv.programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit.

Dat is het gevoel op het weiland; de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat heb ik eerder geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest, die we ook de wereld van de waarheid, of –heden kunnen noemen, in ons op.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden aan het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen.

Wanneer de bewustzijnsziel in mij tot volle ontwikkeling komt, wanneer ik zoveel geest in mij heb opgenomen, wordt er gesproken over „geestzelf“, een volgend stadium heet „levensgeest“ en het derde stadium „geestmens“. Deze drie blijven hier voorlopig onbesproken; ik noem ze alleen om te laten zien, dat ook de geest drievoudig kan worden opgevat.

Zo kan men de mens zien, niet alleen als een drieledig wezen, maar tevens als een negenledig wezen; wanneer de gewaarwordingsziel meer bij het lichamelijke wordt gezien en de bewustzijnsziel meer bij het geestelijke kan men ook spreken over een zevenledige mens.

Rudolf Steiner:
„Kommen Sie über die Illusion hinweg, dass Sie ein begrenzter Mensch sind.“

“Laat de illusie dat U als mens beperkt bent, achter U” [1]

[1]GA 294
Vertaald in het Nederlands:
Opvoedkunst, methodisch-didactische aanwijzingen
Uitgeverij Christofoor
ISBN: 9060381866

vervolg

DE DRIELEDIGE MENS (2)

wat voorafging

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (2)

Of je de antroposofie nu wel of geen wetenschap noemt of een pseudowetenschap, wie zich bezig houdt met Steiners boeken en/of voordrachten zal daaruit niet anders kunnen opmaken dan dat Steiner zich veel moeite getroostte, de begrippen die hij wilde gebruiken, zo precies mogelijk te omschrijven.

Dat hoort bij wetenschap.

Bij zijn methode van beschrijven hoort het karakteriseren van tegenstellingen.

TEGENSTELLINGEN
Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.'[1]

‘De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we de tegenstrijdigheden in de wereld niet zijn.’

 Dat onderscheiden is belangrijk: je leert meer van de tegenstellingen dan van de overeenkomsten.

ERVARINGEN
We hebben ze allemaal, soortgelijke ervaringen: ik ben dol op gevulde speculaas. Bij de bakker ruik ik het, ik zie het liggen.

Geef ik toe aan die directe trek, of niet? Even zet ik het proces stil: ik denk na. Toch maar niet, gisteren eigenlijk al te veel gesnoept.

De (bakkers)wereld komt via mijn zintuigen bij me binnen. Allerlei gevoelens komen op: hmm…lekker. Dat is de werking van mijn ziel:  zij maakt de buitenwereld tot mijn binnenwereld, mijn belevingswereld. Geef ik toe aan wat ik nu beleef, ervaar: de trek in dat lekkers of geef ik er niet aan toe, m.a.w.: beheers ik me en loop ik verder. Ik denk na en besluit niet toe te geven aan mijn eerste impuls.

KINDEREN
Ik heb lang in het onderwijs gewerkt. Als je, vooral tegen jongere kinderen, enthousiast zegt dat we –zo dadelijk- buiten gaan spelen, loop je het risico dat de helft spontaan opstaat en naar de gang gaat. Je kondigde dit eigenlijk aan om eerst wat afspraken te maken. Maar de kinderen, met hun zielenvermogen om de buitenwereld tot binnenwereld te maken, zetten hun wereld niet stil door na te denken: in tegendeel: ze komen meteen in beweging: ze hebben er zin in; ze willen graag.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de ziel niet zomaar ziel is: ze beweegt zich naar de inkeer van het denken; en naar het uitbundige van het doen.

PROBLEEM
Voor het preciezere beschrijven van de ziel doet zich nu een moeilijkheid voor: als deze stoffelijk zou zijn, kon ik exact aangeven hoe deze eruit ziet: die vorm, zo zwaar, die kleur enz. De ziel heeft geen „zijns“ karakter; toch moet ik mij bedienen van woorden die ook op begrippen van toepassing zijn die „zijns“karakter hebben .

ZIEL
De ‘inhoud’ van de ziel zijn de gevoelens die grofweg zijn in te delen in sympathie en antipathie, met veel denkbare variaties. Naar buiten toe wordt ze handelend; doend, willend. Naar binnen gericht: denkend, overpeinzend.

GEVOEL
Zo zou men kunnen spreken van: gevoel als teruggehouden wil; nog niet uitgevoerde handeling enerzijds; en nog niet geworden gedachte anderzijds.(GA293)

ZIEL: EEN VERMOGEN WAARMEE DE MENS ZICH DENKEND, VOELEND EN WILLEND UIT

IK
Maar de mens: dat zijn wij: U en ik en als we over ons zelf spreken, kunnen we alleen maar het woordje Ik gebruiken.

Ik heb dus een vermogen waarmee ik mij voelend, denkend en willend uit: MIJN ZIEL

vervolg

 

[1]GA 293/129

DE DRIELEDIGE MENS (1)

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (1)

In ‘Theosofie’ [1] geeft Steiner een voorbeeld van iemand die over een weiland loopt.
Die iemand had ik kunnen zijn. Ik wandel veel en loop dan vaak over begroeide weilanden, zoals laatst nog, over een met veel paardenbloemen.

Met mijn ogen neem ik de plant: de groene blaadjes, de gele bloemen en/of grijze pluizenbollen waar. Ze staan daar , buiten mijn toedoen. Ik vind ze mooi; ik geniet van zo’n geel veld. Door dit gevoel is er een band ontstaan tussen mij en die bloemen.

De boer, die diezelfde bloemen daar liever niet had zien groeien, heeft, door ze te zien, ook een gevoelsband gekregen, die heel anders is dan de mijne.

Een jaar later loop ik weer over dat zelfde weiland. Er groeien weer paardenbloemen, al zijn het niet de bloemen van vorig jaar. Opnieuw word ik er blij van.Ik herinner mij dat ik er vorig jaar ook al zo vrolijk van werd. Die herinnering is er, zonder dat de bloemen van het vorige jaar er zijn.

Maar de paardenbloemen van het vorige jaar, zijn toch precies hetzelfde als de paardenbloemen van dit jaar. En als ik ze verleden jaar grondig bestudeerd heb en van alles gevonden over hun groei en bloei, dan vind ik, bij bestudering nu, al dat, wat ik al gevonden had, weer opnieuw.

De boer zal er nog steeds de p over in hebben, dat ze daar staan, maar als hij ze bestudeerd zou hebben, dan waren we tot dezelfde kennis over de paardenbloem gekomen en we zouden kunnen voorspellen dat onze kennis het jaar daarop waarschijnlijk niet zou zijn veranderd, omdat de paardenbloem zo is gebleven als ze is.

Deze ervaring leert ons:

 WE STAAN OP DRIEËRLEI MANIER IN DE WERELD

DE WERELD OM ONS HEEN
We vinden een ons gegeven wereld. Deze wordt in de antroposofie vaak beschreven als de fysiek/lijfelijke wereld.

ONZE BINNENWERELD
We hebben onze eigen binnenwereld-onze gevoelens: onze emoties; onze ziel.

DE INHOUD VAN DE WERELD OM ONS HEEN
In mijn voorbeeld: de “wereld” van de paardenbloem: hoe die groeit enz.-het wezen van. Dat wordt de wereld van de geest genoemd.

Uit dit soort ervaringen kan ik niet anders dan de conclusie trekken dat ik:

met mijn fysiek/lijfelijke zintuigen: ogen, oren, neus enz. de wereld om me heen waarneem-me er via mijn zintuigen mee verbindt;

dat ik een binnenwereld heb, waarmee ik gevoelsbelevingen heb die verschillen van iemand anders zijn beleving, dus puur mijn belevingen zijn;

en dat ik een wereld kan leren kennen die ook gegeven is, die echter niet gelijktijdig met het waarnemen door mijn fysiek/lijfelijke zintuigen wordt weergegeven; een wereld die ik kan zoeken of niet; een wereld die er is, onafhankelijk van mijn gevoelsbelevingen, of ik deze nu mooi of lelijk vind.

BEGRIPSBEPALING

Om te weten wat de begrippen lichaam, ziel en geest inhouden, dienen ze duidelijk omschreven te worden.

LICHAAM
Alles wat we in de wereld aan stoffelijkheid vinden dat buiten ons toedoen daar is gekomen. De “gegeven”wereld. De wereld die we aantreffen.

ZIEL
Een innerlijke kracht die het ons mogelijk maakt de buitenwereld tot onze eigen wereld te maken; tot onze eigen aangelegenheid.

GEEST
De wereld van de wetmatigheden, de waarheden. Hoe de ons gegeven wereld in elkaar zit; de ideële inhoud van de stoffelijke wereld

TUSSEN TWEE WERELDEN

Als het ervarende wezen mens sta ik enerzijds in verbinding met de stoffelijke wereld; anderzijds kan ik mij openstellen voor die wereld van wetmatigheden, waarheden enz. die hier geestelijke wereld wordt genoemd.

Ook mijn vader, die niet meer leeft, hield van paardenbloemen; na zijn dood was de paardenbloem zoals deze is, er nog steeds en ook na mijn dood zal deze er nog wel op dezelfde manier zijn. Zo sta ik als ervarend wezen dus tussen het kort-tijdelijke: de paardenbloem van dit voorjaar-al weer afgestorven; en die van het veel langer durende: de inhoud van de paardenbloem. Een beetje poëtisch zou ik willen zeggen: zo sta ik als mens tussen het vergankelijke en het eeuwige: tussen de stof en de geest.

[1]GA 9
Vertaald in het Nederlands:
Theosofie
Uitgeverij Christofoor
ISBN: 9789060385159

vervolg