Tagarchief: wil

anderen over HET HART (6)

De betekenis van de hartenkrachten

Als wij over het hart spreken, bedoelen we het centrale orgaan van onze bloedsomloop. Soms noemen we het gewoonweg een “pomp”. Veel minder vaak denken wij aan de krachten van het hart die met het gemoed te maken hebben, hoewel onze taal dikwijls genoeg daarop zinspeelt. We spreken van hartelijkheid, behartigenswaardig, hartenwarmte, harteloos, hartenlust enz. Hoe vaak besluiten we een brief niet met “hartelijke groeten”!
Wij brengen zelfs, en terecht, het hart in verband met de liefde. Hoe belangrijk die hartenkrachten voor onze gezondheid zijn wordt in het artikel van Dr Kümmell, cardioloog, in dit nummer* beschreven. Hij wijst erop, dat hartziekten ook hun oorzaak kunnen hebben in een verkeerde omgang met het gemoedsleven. 

De kersttijddagen, gewijd aan bezinning, kan aanleiding zijn om ons weer van deze kant van ons wezen bewust te worden die ook de grondslag is van ons gevoelsleven.
Hoe gaan wij in het dagelijks leven om met onze hartenkrachten?
Laat ons eens nagaan hoe wij over het algemeen op de alledaagse dingen reageren. Wij doen dat op een drievoudige manier. Als wij ons met de krachten van het hoofd met de dingen bezighouden, gebeurt dat door middel  van het verstand. Wij doorgronden, stellen samenhangen vast, analyseren enz.
Alles verschijnt in het hel­dere licht van het inzicht. Anders ligt de zaak, als wij te maken hebben met de krachten van de wil. Vanuit de wil met iets bezig zijn veronderstelt beweging, activi­teit. Pas door de wil wordt een in de ge­dachte bestaand voornemen omgezet in een daad. Wij komen tot het belangrijke in­zicht, dat pas door de samenwerking van de krachten van het hoofd en van de wil een verstandige handeling kan ontstaan. Zonder de denkkrachten moeten mense­lijke handelingen noodzakelijkerwijs tot een chaos leiden. Omgekeerd worden in de ge­dachten bestaande voornemens zonder voldoende wilskracht niet omgezet in een daad.

Tussen onze verstands- en onze wilskrachten staan de krachten van ons hart. Die geven warmte aan ons handelen, dat uit de vereniging van ons verstand en onze wil ontstaat. Zonder een gevoelsmatige relatie met ons doen en laten, blijven al onze handelingen koel en nuchter, speelt het individueel menselijke geen rol en wij merken: het leven ontbreekt. Wij komen tot de slotsom: waar doorleefde, echt menselijke
handelingen zijn, is er sprake van een evenwicht tussen denken, voelen en willen.
Als één van die krachten tekort schiet of zelfs ontbreekt, zullen er spoedig stoornissen optreden.

Het is duidelijk, dat in de loop van enkele eeuwen ons denken in de confrontatie met de uiterlijke dingen meer en meer is ontwaakt en allengs een ongekende wakker­heid en zelfstandigheid heeft bereikt. Tengevolge van die “denk-training” zijn de natuurwetenschappen ontstaan. Daaraan hebben wij vele verwervingen van het moderne leven te danken. Wat hebben de natuurwetenschappen ons nog meer gebracht?

Een principiële eigenschap van het natuur­wetenschappelijk onderzoek is de objecti­viteit. Dat betekent, dat de mens zijn zin­tuigen tot waarnemingsinstrumenten moet maken die de dingen los van eventuele per­soonlijke kleuring observeren. Dientengevolge moeten alle uit de persoonlijkheid van de onderzoeker voortkomende “bron­nen van fouten” (persoonlijke voorkeur, gevoelens) consequent worden uitgeschakeld.

Voorts eist natuurwetenschappelijk onder­zoek dat de resultaten kunnen worden ge­meten, geteld en gewogen. De vooruit­gang, die dit gedisciplineerde denken met zich heeft gebracht, is onloochenbaar.
Mo­gen wij echter aan deze manier van denken ons hele leven onderwerpen?
Reeds het feit, dat de natuurwetenschap­pelijke methoden niet in staat zijn, ook maar enigszins iets zinnigs te berde te brengen omtrent bijvoorbeeld een muzika­le compositie, maakt duidelijk, dat de werkelijkheid méér omvat dan exact meetbare grootheden. Wat aan het nuchtere verstand al te gemakkelijk ontbreekt -juist
om­dat het als onbelangrijk wordt verdrongen en zelfs als een mogelijke bron van fouten wordt gevreesd- is de kracht van het hart. Zonder de gevoelsmatige relatie met ons handelen blijft wat wij doen koud en nuch­ter. Een onevenwichtigheid is ontstaan, die tegenwoordig al mondiaal is verbreid: al­les wat maar maakbaar is wordt vervaar­digd en de vraag naar het momentele nut staat bovenaan; de natuur als leverancier van grondstoffen wordt uitgebuit en op gro­te schaal vernietigd. Meestal wordt de stem van het hart niet gehoord, want die kan men niet calculeren. Verharding van het gevoel breidt zich uit. Zijn dat geen reële gevaren in ons dage­lijks leven?

Uit statistieken blijkt, dat hart- en vaatziek­ten tot de meest voorkomende ziekten behoren en dat het hartinfarctbij de doodsoorzaken een bedroevende eerste plaats inneemt. Een samenhang tussen de
hierboven beschreven ontwikkeling -die in ons dagelijks leven tot in nauwelijks opgemerk­te bijzonderheden haar sporen nalaat- en de genoemde ziekten, kan duidelijk wor­den.
Wat in het persoonlijke leven aanlei­ding tot hart- en vaatziekten kan zijn, dreigt een mondiaal probleem te worden wat tenslotte niet alleen maar het individu raakt. De tendensen in die richting zijn maar al te duidelijk.

Ligt het werkelijk aan het feit, dat wij bij al ons doen en laten teveel aan het abstrac­te denken hebben toegegeven en te wei­nig naar de stem van het hart hebben geluisterd?

Evenals de zon, het grote wereldhart van “boven”, door zijn overgave het leven op aarde mogelijk maakt, kan van “onderen” door de liefderijke inzet van onze hartekrachten dit leven worden ontvangen en gekoesterd.

(Gustav Hering, Weledaberichten nr.149, de. 1989)

Zie ook: hart een pomp?

alle anderen over het hart

anderen over HET HART (1)

Uit een interview met embryoloog Jaap van der Wal

‘Ik gaf jarenlang colleges over het mense­lijk lichaam. Dan vertelde ik hoe men over het lichaam dacht in de tijd van vroeger tot nu. Ik sloot graag af met de befaamde Nederlandse anatoom Louis Bolk. Hij ont­dekte dat de menselijke ontwikkeling traag verloopt ten opzichte van die van dieren. De mens wordt in een veel later stadium volwassen dan de mensapen. En dat terwijl bij de geboorte mens en chimpansee nog grote overeenkomst vertonen. Bolk komt tot bijzondere inzichten in de evolutie. Dat een mensenkind een niet-gespecialiseerde toestand bewaart tegenover de snelle spe­cialisering van de chimpansee. Dat de mens “eigenlijk embryo blijft”. Er was bij de studenten altijd grote belang­stelling voor de observaties van Bolk. Te­genwoordig zijn de eerstejaarsstudenten al sterk gevormd door de populaire me­chanistische opvattingen en kijken ze niet meer zo onbevangen naar de verschijnse­len, de natuur, de mens, het lichaam. Het is een moeilijke periode voor de holistische menskunde. We gaan door een dorre woes­tijn.’

‘Zonder hart kun je niet leven. Zonder brein wel. Hersendood is lariekoek!
Als je hersenen ophouden, ben je niet dood. Je bent dood als het hart ophoudt. In het embryo ontstaat eerst het hart; het brein is een stap later en verder. Met het hart ontstaat de eerste mogelijkheid binnen ons or­ganisme individu te zijn. Het brein, het hoofd is niet de primaire oorzaak van ons bewegen. De neurobiologie zit wat dat betreft in een fuik. Het oorzaak-en-gevolg-denken staart zich dood op het brein. Je brein is het hoofd van het zenuw-zintuigstelsel. Het hart is het “hoofd” van het bloed(orgaan).

In het begin is het embryonale lichaam als het ware leeg. Er is enkel een bui­tenkant en een binnenkant; de ruimte ertussen is niet manifest. Dan ontstaat er een midden via het bloed dat het vanuit het bloedproces (vormt?). “Inter-esse” betekent “er tussen zijn”.’

Het brein
‘Het hersenorgaan begint zich vanaf de derde week te ontwikkelen. Het is in uitgegroeide vorm niet begin- maar eindpunt van het zenuwproces. Het hart vormt zich vanuit het bloedproces en is (dus ook) hoofd en luistert, rea­geert en coördineert. Het hart voegt aan de beweging van het bloed niets toe! Het geeft een nieuwe impuls, zoals het brein reageert op de bewegings­mens en de zintuiglijk waargenomen wereld om ons heen! Het hersenproces levert je het bewust­zijn van de wereld om je heen. Het hart is in die zin ook een bewustzijnsorgaan: het station waar alle processen tot rust gebracht worden, waardoor steeds weer innerlijke vrije ruimte ontstaat. Waar het bloedproces rust… en omkeert. Het is het incarnatieor­gaan. Elke hartslag is een incarnatie-act, brengt ons hier en maakt ons in zekere zin wakker. Hier ben ik! In het hart kun je gewaarworden dat je in je lijf woont. Niemand wijst op zijn hoofd als antwoord op de vraag: bedoel je mij? Ben ik aan de beurt? Dan wijs je op de plaats van je hart. Daar ben je!’
‘Het hart wordt niet begrepen. Waar­om krijgt onze cultuur het zo aan zijn hart? Wat gebeurt er met ons samenlevingshart? Verharding en verkilling verzwakken het. Zoals wij denken over de fysiologie, zo richten wij ook onze samenleving in. Daar komt de terug­slag: in het sociale leven. De hartenklop van onze samenleving wordt ontregeld door stress. Deze komt voort uit hoe wij denken over onze lichamelijkheid. De huidige trant van denken over het brein bijvoorbeeld – als oorzaak van bewegen – is een gevaarlijke misvat­ting. Brein is niet beweging of oorzaak van ons bewegen. Het brein wordt on­derhouden door het ritmische systeem en het spijsverterings-ledematensysteem. Het brein bestuurt niet onze ze­nuwen.

Rudolf Steiner waarschuwde al een eeuw geleden  dat  het begrip ‘motorische’ zenuwen op een denkfout berust, alsof deze ons doen bewegen. Alle zenuwen dienen de waarneming, dus ook de waarnemingen van onze spierbewegingen. Je zult dan ook in de hersenschors geen vrije wil ontdekken. Die wil zetelt daar niet. Hersenonder­zoek wil met een scan aantonen dat er geen vrije wil bestaat. Zo ver is het ge­komen met het mechanische denken! Ik noem dat schaamteloos reductio­nisme. De vrije mens terugbrengen tot een regelbaar en geen verantwoording dragend apparaat! Alsof je de wil die je in het dagelijks leven ervaart, kunt “vangen” in een experiment dat de hersenactiviteit in beeld brengt! Dan krijg je een samenleving van “Kan ik er wat aan doen? Het was mijn hippo­campus die een foutje maakte”.

‘De werkelijkheid waarin wij leven is toch wel even iets meer dan het neurolab met knopjes en draadjes! Ik ben geen brein. Ik ben Jaap van der Wal en ik heb én ik ben mijn lichaam. Kennelijk is het brein een belangrijke voorwaar­de om te leven. Maar ik ben niet mijn brein. De mensen zijn het transparante lichaam vergeten dat weerstandsloos mij dient. Marcel Proust bracht het zo onder woorden: “Wij hebben voor de toekomst geen nieuwe horizon nodig, we hebben nieuwe ogen nodig!” De empathische blik heeft oog voor het kwalitatieve. Met alleen tellen en me­ten verliezen we de mens uit het oog.’

(deel van een interview, verschenen in het blad ‘Stroom’)

alle anderen over hart