Tagarchief: sympathie

DE VIERLEDIGE MENS (3-3)

.

Het astraallijf (3)

In de voordrachten ‘Allgemeine Menschenkunde’ [1] spreekt Steiner over de mens vanuit 3 verschillende standpunten, blikrichtingen: vanuit de meer fysieke kant, vanuit de ziel en vanuit de geest.
Telkens benadrukt hij het belang van ‘karakteriseren’*, van omschrijven en niet zo zeer van definiëren. Een vaste omschrijving geeft minder weer, sluit bepaalde aspecten uit, begrenst, waardoor er bijv. sneller een bepaalde scheiding optreedt, terwijl het eigenlijk meer om een onderscheiden gaat.
De drie wezensdelen zijn in werkelijkheid ook niet van elkaar gescheiden.

Datzelfde geldt ook voor het 4-ledig mensbeeld, waarbij Steiner weer een ander standpunt inneemt, de mens vanuit een andere optiek bekijkt.

Steiner noemt de indeling in ‘denken, voelen, willen’ een abstractie, t.o.v de veel levendigere uitingen van sympathie en antipathie. Met deze kun je het zielenleven beter leren kennen, want de ziel schommelt steeds tussen sympathie en antipathie. Extreem gesproken: tussen liefde en haat. [2]

Als het dan om de belevingen van de mens gaat, zijn gevoelens, zijn gevoelsleven, zijn zielenleven, zijn astraliteit, zijn dit allemaal woorden die behoren bij zijn vermogen om innerlijk te beleven.

Dat wil niet zeggen dat de woorden synoniem zijn: alle duiden ze weer op net een ander aspect.

Wanneer ‘ziel’ omschreven wordt als ‘vermogen om de buitenwereld tot innerijke aangelegenheid te maken’ en ‘het vermogen om de binnenwereld naar de buitenwereld of in de buitenwereld te uiten’, is dat natuurlijk nauw verwant aan wat we met ons astraallijf doen, nl. ‘beleven’.
Wanneer we in ons iets beleven van wat uit onze lichamelijkheid komt: honger, dorst, waarbij er een begeerte, een verlangen volgt deze honger en dorst te bevredigen, is dat iets van onze ‘aardsere’ astraliteit, maar kan ook gekarakteriseerd worden vanuit de wil, wanneer we die onderscheiden in zijn instinctieve, driftmatige aspecten.

In al deze uitingen zal je makkelijk de sympathie en antipathie herkennen.
In de eerste plaats bij jezelf. Naar jezelf kijken tegen de achtergeond van sympathie en antipathie doet je zelfkennis groeien.

Iemand zegt iets tegen je wat je fijn vindt. Daar word je blij van, het vrolijkt je op – je zou diegene wel willen omhelzen. Sympathie alom.

Iemand zegt iets tegen je waarmee hij je zwaar beledigt. Woede welt in je op. Je kunt hem wel schieten……Antipathie alom.
We zitten in wezen steeds in de pendelslag van sympathie en antipathie.

Het ‘levend’ omgaan met deze begrippen verschaft je zeker meer wijsheid over de mens.

Wanneer de mens iets beleeft, meemaakt, ondergaat enz. zal hij dat onder woorden willen brengen.

Interessant is nu welke woorden we daarvoor gebruiken. Het blijken in de meeste gevallen vergelijkingen te zijn.
Wat je mee- en doormaakt, voelt en ervaart, wordt vergeleken met voorvallen in de wereld buiten je.
Prachtige metaforen, zeggen we nu. Maar wie heeft die gemaakt, bedacht? Hoe zijn die in de taal terecht gekomen? En waarom?

Het is niet aannemelijk dat iemand daar eens even voor is gaan zitten!

Steiner wijst erop dat de taal veel oude wijsheid bevat – voor ons nu ‘gekristalliseerd’.

‘De dingen die in de woorden gekristalliseerd zijn, zijn oud geestesleven. We gebruiken de woorden gedachtenloos, maar de dingen rusten in de diepte van ons wezen.’ [3]

‘Je kunt hem wel schieten’, merkte ik hierboven op. Het gevoel is er, maar wordt in de wil teruggehouden: je doet het niet.
In je innerlijk vindt de moord a.h.w. plaats; wat in de buitenwereld kan voorkomen wordt in het beeld – zoals dat met beelden gewoonlijk is – ontstoffelijkt: het wordt van een andere realiteit.

Wie in de taal op zoek gaat naar juist deze beelden van sympathie en antipathie vindt een grote rijkdom waarmee de ziel zich – vergelijkenderwijs -uit.

met woorden

kun je
iemand de oren wassen  (de waarheid zeggen)
met iemand bekvechten            
iemand onderuit halen                
iemand monddood maken          
iemand het zwijgen opleggen
iemand onderschoffelen
iemand raken
iemand iets voor de voeten werpen
iemand ’t vuur aan de schenen leggen
iemand verstikken
Iemand ’t bloed onder nagels vandaan halen
iemands blazoen bezoedelen
iemand met modder gooien
iemand iets in de schoenen schuiven
iemand voor schut zetten
iemand doet je de gal overlopen
iemand kotst van je
iemand komt je de neus uit
iemand zit me tot hier
iemand een snotneus noemen
iemand afdrogen
iemand in z’n hemd zetten
iemand als pispaal gebruiken
iemand als kop van jut gebruiken
iemand aan de schandpaal nagelen
iemand bij de neus nemen
iemand op z’n tenen trappen

die is misschien lichtgeraakt; sarcasme of spot kan bijtend  zijn.

Er zijn nog heel veel meer uitdrukkingen: de (astrale) sympathie en antipathie in beeld gebracht.

Tegen deze achtergrond kan ik een opmerking van Steiner: ‘astrale oorvijg’, wel een plaats geven.

*vrijeschoolpedagogie

[1] GA 293
vertaald
[2] GA 301/37
niet vertaald
[3] GA 203/237
niet vertaald

Het astraallijf (1)   (2)

DE DRIELEDIGE MENS(3)

voorafgaan deel 1; deel 2

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (3)

Een eenvoudige waarneming kan ons leren dat we op een drievoudige manier in de wereld staan.
Even simpel is het in te zien dat we de mens als zielewezen, ook kunnen beschrijven als een denkend, voelend en willend wezen.

Ziel blijkt nader te omschrijven te zijn.

Ook lichaam en geest kunnen nader beschreven worden.

LICHAAM
Als ik hier zou vragen waar we ijzer, kalk, mangaan enz. vinden, dan zal menigeen denken aan landstreken waar deze stoffen worden gevonden.

Pas in tweede instantie denk je aan je eigen lichaam. Tot in grote details zijn deze stoffen bekend.

Al deze stoffen zijn te isoleren en naast elkaar te leggen.
Op zeker ogenblik worden deze stoffen van mijn lichaam los gemaakt: ont-bonden”. Wanneer mijn lichaam aan de natuur wordt overgelaten, isoleert deze mijn stoffelijkheid.

Maar dat gebeurt pas, wanneer ik ben gestorven. Wanneer ik niet meer leef. Dan wordt het woord uit de Prediker waar: „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.“

LEVEN
We weten niet wat het is en hoe het er is gekomen.
We weten alleen dat het er is zo lang we leven.
Daar we niet in stof  uiteenvallen als we leven, moet dit leven iets te maken hebben met het bijeenhouden van mijn lichamelijkheid. Dit geldt ook voor de andere rijken in de natuur die leven: de planten en de dieren.

HÈT VRAAGSTUK:
Is leven een eigenschap van de materie; of is het „iets“ zelfstandigs, dat de materie vormt en gestalte geeft.

Tot nu toe hebben we met het leven wel de stof; met de stof niet het leven.

Als ik Steiners visie volg, moet ik hier spreken over een vormkrachtencomplex. Zekere krachten die de stoffelijkheid bijeen houden.

LEIB/LIJF
In het Duits wordt het woord Leib gebruikt, i.t.t. Körper; in het Nederlands „lijf“ i.t.t. lichaam, waarbij dit laatste etymologisch verwant is aan „lijk“-“lic”de stoffelijkheid zonder leven (likdoorn); het eerste: het leven, zoals we dat nog kennen in woorden als lijfrente; lijftocht enz.

We kunnen „leven“ niet zien; we ervaren het; voor ieder van ons is het een werkelijkheid: we leven immers!
Dat zou m.i. aanleiding moeten zijn tot het accepteren van het feit dat er een realiteit is die het waarnemen met de gewone zintuigen te bovengaat.

Het leven hebben wij gemeen met de planten en de dieren.
Het kenmerkt zich vooral door groei en voortplanting.
De uitwerking van de levensactiviteit in de materie is zichtbaar.

GEWAARWORDINGEN
Niet zichtbaar zijn de gewaarwordingen die hiermee samenhangen, ze worden wel door iedereen ervaren: wij hebben onze hongergewaarwordingen; er is een drang tot voortplanten. We kunnen het lijstje aanvullen met allerlei woorden die behoren bij al datgene wat ligt in de sfeer van instinct, drift en begeerte. Deze zijn beleefbaar als gevoelens, nog sterk verbonden met het leven; het vegetatieve. Er gaat een grote dwang vanuit. Het handelen dat ermee gepaard gaat, is in hoge mate een „moeten“, dus onvrij.

ZIEL
Wij kunnen ons als mens alleen op basis van onze lichamelijkheid manifesteren. Als de gewaarwordingen afhankelijk zijn van het levend-stoffelijke in ons, betekent dit, dat dit levend-stoffelijke onze gewaarwordingen begrenst. Als ik blind ben zijn mijn kleurgewaarwordingen minder intens, of zelfs geheel afwezig, dan wanneer ik over goed ziende ogen beschik.

Om de ziel te karakteriseren werd er gesproken over een vermogen om de buitenwereld tot eigen wereld, binnenwereld te maken en de binnenwereld weer naar de buitenwereld te uiten; kortom: te handelen.

Toen ik bij de bakker even in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en besluiten: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.

Als we over “ziel” spreken, hebben we het over “iets” dat met de gewone zintuigen niet waarneembaar is. We kunnen niet anders dan ons bedienen van woorden die betrekking hebben op wat wel met de gewone zintuigen waarneembaar is.

Als we zeggen “de ziel is” spreken we onszelf al meteen tegen, want de ziel IS niet, zoals een arm of been is. De ziel pendelt voortdurend , als een stroom, tussen denken en handelen.

Om iets van de ziel te begrijpen, is het nodig om veel te karakteriseren. Maar dat moet wel uitmonden in vastere definities. Anders liggen de misverstanden op de loer.

GEWAARWORDINGSZIEL
Omdat we bij onze gewaarwordingen iets beleven, onze binnenwereld ervaren, is er, de omschrijving van ziel volgend, van “ziel” sprake: gewaarwordingsziel.

VERSTANDS-GEMOEDSZIEL
Toen ik bij de bakker even in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en besluiten: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.

Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen: gewaarwordingsziel

We onderscheiden deze als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed-onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv.programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit.

Dat is het gevoel op het weiland; de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat heb ik eerder geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest, die we ook de wereld van de waarheid, of –heden kunnen noemen, in ons op.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden aan het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen.

Wanneer de bewustzijnsziel in mij tot volle ontwikkeling komt, wanneer ik zoveel geest in mij heb opgenomen, wordt er gesproken over „geestzelf“, een volgend stadium heet „levensgeest“ en het derde stadium „geestmens“. Deze drie blijven hier voorlopig onbesproken; ik noem ze alleen om te laten zien, dat ook de geest drievoudig kan worden opgevat.

Zo kan men de mens zien, niet alleen als een drieledig wezen, maar tevens als een negenledig wezen; wanneer de gewaarwordingsziel meer bij het lichamelijke wordt gezien en de bewustzijnsziel meer bij het geestelijke kan men ook spreken over een zevenledige mens.

Rudolf Steiner:
„Kommen Sie über die Illusion hinweg, dass Sie ein begrenzter Mensch sind.“

“Laat de illusie dat U als mens beperkt bent, achter U” [1]

[1]GA 294
Vertaald in het Nederlands:
Opvoedkunst, methodisch-didactische aanwijzingen
Uitgeverij Christofoor
ISBN: 9060381866

vervolg

DE DRIELEDIGE MENS (2)

wat voorafging

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (2)

Of je de antroposofie nu wel of geen wetenschap noemt of een pseudowetenschap, wie zich bezig houdt met Steiners boeken en/of voordrachten zal daaruit niet anders kunnen opmaken dan dat Steiner zich veel moeite getroostte, de begrippen die hij wilde gebruiken, zo precies mogelijk te omschrijven.

Dat hoort bij wetenschap.

Bij zijn methode van beschrijven hoort het karakteriseren van tegenstellingen.

TEGENSTELLINGEN
Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.'[1]

‘De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we de tegenstrijdigheden in de wereld niet zijn.’

 Dat onderscheiden is belangrijk: je leert meer van de tegenstellingen dan van de overeenkomsten.

ERVARINGEN
We hebben ze allemaal, soortgelijke ervaringen: ik ben dol op gevulde speculaas. Bij de bakker ruik ik het, ik zie het liggen.

Geef ik toe aan die directe trek, of niet? Even zet ik het proces stil: ik denk na. Toch maar niet, gisteren eigenlijk al te veel gesnoept.

De (bakkers)wereld komt via mijn zintuigen bij me binnen. Allerlei gevoelens komen op: hmm…lekker. Dat is de werking van mijn ziel:  zij maakt de buitenwereld tot mijn binnenwereld, mijn belevingswereld. Geef ik toe aan wat ik nu beleef, ervaar: de trek in dat lekkers of geef ik er niet aan toe, m.a.w.: beheers ik me en loop ik verder. Ik denk na en besluit niet toe te geven aan mijn eerste impuls.

KINDEREN
Ik heb lang in het onderwijs gewerkt. Als je, vooral tegen jongere kinderen, enthousiast zegt dat we –zo dadelijk- buiten gaan spelen, loop je het risico dat de helft spontaan opstaat en naar de gang gaat. Je kondigde dit eigenlijk aan om eerst wat afspraken te maken. Maar de kinderen, met hun zielenvermogen om de buitenwereld tot binnenwereld te maken, zetten hun wereld niet stil door na te denken: in tegendeel: ze komen meteen in beweging: ze hebben er zin in; ze willen graag.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de ziel niet zomaar ziel is: ze beweegt zich naar de inkeer van het denken; en naar het uitbundige van het doen.

PROBLEEM
Voor het preciezere beschrijven van de ziel doet zich nu een moeilijkheid voor: als deze stoffelijk zou zijn, kon ik exact aangeven hoe deze eruit ziet: die vorm, zo zwaar, die kleur enz. De ziel heeft geen „zijns“ karakter; toch moet ik mij bedienen van woorden die ook op begrippen van toepassing zijn die „zijns“karakter hebben .

ZIEL
De ‘inhoud’ van de ziel zijn de gevoelens die grofweg zijn in te delen in sympathie en antipathie, met veel denkbare variaties. Naar buiten toe wordt ze handelend; doend, willend. Naar binnen gericht: denkend, overpeinzend.

GEVOEL
Zo zou men kunnen spreken van: gevoel als teruggehouden wil; nog niet uitgevoerde handeling enerzijds; en nog niet geworden gedachte anderzijds.(GA293)

ZIEL: EEN VERMOGEN WAARMEE DE MENS ZICH DENKEND, VOELEND EN WILLEND UIT

IK
Maar de mens: dat zijn wij: U en ik en als we over ons zelf spreken, kunnen we alleen maar het woordje Ik gebruiken.

Ik heb dus een vermogen waarmee ik mij voelend, denkend en willend uit: MIJN ZIEL

vervolg

 

[1]GA 293/129