Tagarchief: ritmisch stelsel

anderen over HET HART (6)

De betekenis van de hartenkrachten

Als wij over het hart spreken, bedoelen we het centrale orgaan van onze bloedsomloop. Soms noemen we het gewoonweg een “pomp”. Veel minder vaak denken wij aan de krachten van het hart die met het gemoed te maken hebben, hoewel onze taal dikwijls genoeg daarop zinspeelt. We spreken van hartelijkheid, behartigenswaardig, hartenwarmte, harteloos, hartenlust enz. Hoe vaak besluiten we een brief niet met “hartelijke groeten”!
Wij brengen zelfs, en terecht, het hart in verband met de liefde. Hoe belangrijk die hartenkrachten voor onze gezondheid zijn wordt in het artikel van Dr Kümmell, cardioloog, in dit nummer* beschreven. Hij wijst erop, dat hartziekten ook hun oorzaak kunnen hebben in een verkeerde omgang met het gemoedsleven. 

De kersttijddagen, gewijd aan bezinning, kan aanleiding zijn om ons weer van deze kant van ons wezen bewust te worden die ook de grondslag is van ons gevoelsleven.
Hoe gaan wij in het dagelijks leven om met onze hartenkrachten?
Laat ons eens nagaan hoe wij over het algemeen op de alledaagse dingen reageren. Wij doen dat op een drievoudige manier. Als wij ons met de krachten van het hoofd met de dingen bezighouden, gebeurt dat door middel  van het verstand. Wij doorgronden, stellen samenhangen vast, analyseren enz.
Alles verschijnt in het hel­dere licht van het inzicht. Anders ligt de zaak, als wij te maken hebben met de krachten van de wil. Vanuit de wil met iets bezig zijn veronderstelt beweging, activi­teit. Pas door de wil wordt een in de ge­dachte bestaand voornemen omgezet in een daad. Wij komen tot het belangrijke in­zicht, dat pas door de samenwerking van de krachten van het hoofd en van de wil een verstandige handeling kan ontstaan. Zonder de denkkrachten moeten mense­lijke handelingen noodzakelijkerwijs tot een chaos leiden. Omgekeerd worden in de ge­dachten bestaande voornemens zonder voldoende wilskracht niet omgezet in een daad.

Tussen onze verstands- en onze wilskrachten staan de krachten van ons hart. Die geven warmte aan ons handelen, dat uit de vereniging van ons verstand en onze wil ontstaat. Zonder een gevoelsmatige relatie met ons doen en laten, blijven al onze handelingen koel en nuchter, speelt het individueel menselijke geen rol en wij merken: het leven ontbreekt. Wij komen tot de slotsom: waar doorleefde, echt menselijke
handelingen zijn, is er sprake van een evenwicht tussen denken, voelen en willen.
Als één van die krachten tekort schiet of zelfs ontbreekt, zullen er spoedig stoornissen optreden.

Het is duidelijk, dat in de loop van enkele eeuwen ons denken in de confrontatie met de uiterlijke dingen meer en meer is ontwaakt en allengs een ongekende wakker­heid en zelfstandigheid heeft bereikt. Tengevolge van die “denk-training” zijn de natuurwetenschappen ontstaan. Daaraan hebben wij vele verwervingen van het moderne leven te danken. Wat hebben de natuurwetenschappen ons nog meer gebracht?

Een principiële eigenschap van het natuur­wetenschappelijk onderzoek is de objecti­viteit. Dat betekent, dat de mens zijn zin­tuigen tot waarnemingsinstrumenten moet maken die de dingen los van eventuele per­soonlijke kleuring observeren. Dientengevolge moeten alle uit de persoonlijkheid van de onderzoeker voortkomende “bron­nen van fouten” (persoonlijke voorkeur, gevoelens) consequent worden uitgeschakeld.

Voorts eist natuurwetenschappelijk onder­zoek dat de resultaten kunnen worden ge­meten, geteld en gewogen. De vooruit­gang, die dit gedisciplineerde denken met zich heeft gebracht, is onloochenbaar.
Mo­gen wij echter aan deze manier van denken ons hele leven onderwerpen?
Reeds het feit, dat de natuurwetenschap­pelijke methoden niet in staat zijn, ook maar enigszins iets zinnigs te berde te brengen omtrent bijvoorbeeld een muzika­le compositie, maakt duidelijk, dat de werkelijkheid méér omvat dan exact meetbare grootheden. Wat aan het nuchtere verstand al te gemakkelijk ontbreekt -juist
om­dat het als onbelangrijk wordt verdrongen en zelfs als een mogelijke bron van fouten wordt gevreesd- is de kracht van het hart. Zonder de gevoelsmatige relatie met ons handelen blijft wat wij doen koud en nuch­ter. Een onevenwichtigheid is ontstaan, die tegenwoordig al mondiaal is verbreid: al­les wat maar maakbaar is wordt vervaar­digd en de vraag naar het momentele nut staat bovenaan; de natuur als leverancier van grondstoffen wordt uitgebuit en op gro­te schaal vernietigd. Meestal wordt de stem van het hart niet gehoord, want die kan men niet calculeren. Verharding van het gevoel breidt zich uit. Zijn dat geen reële gevaren in ons dage­lijks leven?

Uit statistieken blijkt, dat hart- en vaatziek­ten tot de meest voorkomende ziekten behoren en dat het hartinfarctbij de doodsoorzaken een bedroevende eerste plaats inneemt. Een samenhang tussen de
hierboven beschreven ontwikkeling -die in ons dagelijks leven tot in nauwelijks opgemerk­te bijzonderheden haar sporen nalaat- en de genoemde ziekten, kan duidelijk wor­den.
Wat in het persoonlijke leven aanlei­ding tot hart- en vaatziekten kan zijn, dreigt een mondiaal probleem te worden wat tenslotte niet alleen maar het individu raakt. De tendensen in die richting zijn maar al te duidelijk.

Ligt het werkelijk aan het feit, dat wij bij al ons doen en laten teveel aan het abstrac­te denken hebben toegegeven en te wei­nig naar de stem van het hart hebben geluisterd?

Evenals de zon, het grote wereldhart van “boven”, door zijn overgave het leven op aarde mogelijk maakt, kan van “onderen” door de liefderijke inzet van onze hartekrachten dit leven worden ontvangen en gekoesterd.

(Gustav Hering, Weledaberichten nr.149, de. 1989)

Zie ook: hart een pomp?

alle anderen over het hart

anderen over HET HART (5)

HET HART, EEN HEEL BIJZONDER ORGAAN.

Het hart, midden in het organisme gelegen, is nog altijd een heel bijzonder orgaan; niet alleen in psychisch opzicht, waardoor het vroeger als het centrum van alle diepe per­soonlijke gevoelens – vooral van de liefde in de meest omvattende zin – werd gezien, maar ook vanuit het fysieke aspect.

Veelzijdige functies.
Net ais bij andere organen is men bij het hart van de buitenkant naar het binnenste doorgedrongen. Zo ontdekte men verschil­lende binnenruimten die men ging onderzo­eken.
Het hart is een holle spier. Uiter­lijk weet men intussen heel veel over het hart. Sinds lange tijd is bekend, dat het weefsel ervan uit spieren bestaat die de be­weging van het orgaan mogelijk maken. In dit weefsel zijn bepaalde cellen ontstaan, die als een soort zenuwen een ritme ver­oorzaken. Men weet ook, dat in de
hartwanden verschillende heel kleine waarne­mingsorganen (receptoren) liggen, die een waarnemingsfunctie hebben, t.o.v. druk, uitbreiding, verwarming, zuurgraad, tekort aan zuurstof enz. Onlangs heeft men ver­der ontdekt, dat het hart ook een klierfunctie heeft doordat het een hormoon pro­duceert dat de nieren stimuleert om meer water en zouten uit te scheiden als in de kleine kamers van het hart onverwacht veel bloed binnenstroomt. Alleen al uit deze opsomming blijkt het bijzondere van het hart dat als spier zoveel verschillende, ten dele tegengestelde, functies laat zien. hierbij komt nog, dat het een heel bijzon­dere stofwisseling heeft.

Historisch overzicht.
Een kort historisch overzicht over de ont­dekkingen in deze eeuw m.b.t. het hart en de mogelijkheden van ingrepen moge het beeld completeren. In 1927 werd de eerste hartkatheter in een experiment op het eigen lichaam gebruikt. Daardoor werd voor het eerst de binnenkant van het hart bij een levend mens zichtbaar. In de jaren veertig werd de diagnostiek van hartafwijkingen bij levende mensen door die kathetertechniek d.m.v. röntgenfoto’s uitgewerkt en, aansluitend daaraan, in toenemende mate de operatie van hartafwijkingen systematisch aangepakt. De in het begin van de jaren vijftig ontwikkelde hart-longen-machine maakte steeds ingewikkelder ope­raties aan dit voortdurend zich bewegend orgaan mogelijk, doordat met behulp daar­van het bloed buiten het hart werd omge­leid.

Door sterke onderkoeling kan bovendien het hartweefsel aan een langdurig zuur­stoftekort worden blootgesteld, waardoor ook gecompliceerde afwijkingen kunnen worden gecorrigeerd. Daarop volgde het zichtbaar maken van de kransslagaderen met behulp van de katheter, contraststof­fen en van röntgenstralen en in 1957 de eerste pacemaker. De eerste harttrans­plantatie vond plaats in 1967. Men heeft het hart inderdaad uiterlijk veroverd!

weleda hart

De dubbele geaardheid van het hart.
Door deze bewonderenswaardige techni­sche prestaties wordt in hoge mate duide­lijk, dat het mogelijk is geworden, talloze hartafwijkingen gunstig te beïnvloeden en te verbeteren. Maar er blijkt tevens, dat wij thans onderscheid moeten maken tussen de uiterlijke kant van een orgaanfunctie en een innerlijke, die met het bewustzijn te maken heeft.

Het bijzondere van het hart is, dat het die beide kanten evenwichtiger vertegenwoor­digt dan welk ander orgaan ook: voor de uiterlijke functies van het organisme is dat een absolute voorwaarde. Anderzijds geeft het aan ons gevoelsleven de meest per­soonlijke en intieme kleur.
Het hart is zo­wel een lichamelijk als psychisch orgaan. Die dubbele geaardheid is slechts begrijpe­lijk als men haar ziet tegen de achtergrond van de tweevoudige natuur van de mens. Wij zijn als mensen in staat door middel van onze bewegingen een bewustzijn van onszelf en van onze omgeving te ontwik­kelen. Die tegenstelling wordt begrijpelijk op grond van de hoogst belangrijke ontdek­king van Rudolf Steiner omtrent de driege­leding van de mens. Daardoor ontstaat de mogeiijkheid om beide kanten van zo’n or­gaanfunctie te doorgronden. Rudolf Steiner gaat daarbij uit van de voor­naamste psychische krachten: voorstellen (denken), voelen en willen. Wij kunnen die verwezenlijken omdat de lichamelijke or­ganisatie in drie functionele eenheden is geordend, die enerzijds zelfstandig actief zijn, elkaar anderzijds echter zodanig door­dringen dat zij de totale menselijke orga­nisatie vormen. De ene functionele een­heid is samengevat in de zintuiglijke waar­nemingen en de aan het voorstellen en denken ten grondslag liggende processen in de hersenen: dit is het zenuw-zintuig­stelsel. Diametraal daar tegenover vormen alle stofwisselings- en bewegingsproces­sen een eenheid, die het willen bemiddelt. De derde functionele eenheid ligt even­wicht scheppend tussen die beide ge­bieden. Zij verenigt alle ritmische proces­sen in een zelfstandige organisatie die het voelen bemiddelt.

Als men het hart bekijkt, ziet men dat het al in zijn bouw deze drie functies belichaamt: uit één en hetzelfde spierstelsel ontwikkelt zich een weefsel dat een zenuwfunctie heeft, het reeds genoemde leidingssysteem voor de overbrenging van prik­kels. Dit behoort tot ons meer bewuste zieleleven. Voorts ontwikkelt zich een spiergedeelte dat duidelijk op de beweging is gericht en verbonden is met een zeer actieve stofwisseling; tevens kan het uit de cellen van de hartspier hormonen produ­ceren. Dit gedeelte van het hart behoort tot de meer onbewuste kant van ons ziele­leven.

En doordat het hart deze tegenstellingen ritmisch bemiddelt, draagt het zijn eigen ritme over op het totale organisme. In het hart worden de kant van het bewust­zijn van de mens – uitgedrukt door het in­dividueel geworden gevoelsleven – en de actieve kant van de mens in evenwicht met elkaar gebracht. Heen en weer, op en af vindt hier plaats; wij vinden gevoelens, die door het bewustzijn worden opgehelderd en gevoelens die onderduiken in het onderbewustzijn in voortdurende onderlinge af­wisseling. Ook worden hier de
doelstel­lingen beleefd die al of niet tot daden moe­ten worden.

Kortom: hier wordt afgewogen in ritmische golving. Ziel en lichaam grijpen in dit rit­misch bewogen spel op subtiele wijze in elkaar.

In het ademhalingsritme, het andere ritmi­sche centrum, kan het innerlijk, het gevoel, al min of meer bewust vorm krijgen in de spraak. In het hartritme daarentegen kun­nen de meest persoonlijke gevoelens wor­den opgenomen in de besluiten en in daden tot uiting komen. Alleen de gevoelens die door heldere voorstellingen worden gedragen, die heel persoonlijk (niet egoïstisch bedoeld) zijn geworden, kunnen “van harte” tot daad worden. In de loop van het leven moet dit proces steeds hel­derder worden, wil het hart, ook in uiterlijke zin, geen geweld worden aangedaan. Niet alleen de uiterlijke schadelijke invloeden, maar ook de niet geheel geïntegreerde ge­voelens, wensen en begeerten maken het hart ziek. Het hart is in dit opzicht ons be­langrijkste identiteitsorgaan: psychisch-geestelijk, lichamelijk en wat onze levenshouding betreft. Deze opvatting baant de weg naar de mogelijkheid, met het hart psychisch waar te nemen, dat wil zeggen onze door de kracht van het inzicht ge­schoolde en daardoor individueel gewor­den gevoelswereld tot maatstaf voor ons handelen te maken.

De hartfunctie – die op de ademhalings­functie tot in het subtielste is afgestemd, maar ook in de andere lichaamsfuncties, zoals lichamelijke belasting, voedselopname en waarnemingsprocessen, subtiel is geïntegreerd, vormt de fysiologische grondslag voor de overweging van ons hel­dere waakbewustzijn in ons droomachtig-slapende zieleleven dat onderduikt in de lichaamsfuncties. Als men de hartfunctie zuiver mechanisch opvat, dan doet men het proces van de in­dividualisering van het zieleleven tekort. Dit dient men bij mechanische ingrepen te bedenken, die immers tegenwoordig steeds meer plaats vinden. Aan de andere kant kan echter ook een hartoperatie een individuele ontwikkeling aan de gang zet­ten, bijvoorbeeld bij kinderen met een aan­geboren hartafwijking.

Relaties met de omringende wereld.
Tot dusver hebben wij het hart als het cen­trum van de mens wat betreft zijn indivi­dualisering in lichamelijk, psychisch en geestelijk opzicht leren kennen. Maar ook op het gebied van het dagelijkse leven is het duidelijk een centrum. Alles wat uit het milieu komt, zoals adem, voeding en zin­tuiglijke indrukken, wordt in het hart ver­enigd, doordat het bloed uit de verschillende functiegebieden het hart binnenstroomt en het in de menselijke individualiteit inte­greert. De invloed van licht, lucht, warmte en van de kosmische omgeving wordt in het hart vermenselijkt. De krachten van de planeten worden bij­voorbeeld langs allerlei wegen in de men­selijke organen veranderd; hiervan is sprake in het voorafgaande artikel.(bedoeld is een artikel in hetzelfde Weledabericht) Met het hartritme correspondeert op het kosmi­sche niveau het ritme van de zonsop- en ondergang, dat via de kringloop van het jaar net zo wordt gevarieerd als ons hart­ritme door de ademhaling wordt bepaald.

Allerlei ziekten.
De mogelijkheden dat het hart ziek wordt zijn veelvuldig. De meeste ziekten in dit verband ontstaan door te sterke afbraak­processen. Zij dringen vanuit het zenuw-zintuigstelsel, waar ze op hun plaats zijn, door in de ritmische organisatie. In de hui­dige samenleving spelen gebrek aan bewe­ging, vooral aan innerlijke bewogenheid, een rol, evenals de oppervlakkige verwer­king van onze waarnemingen tengevolge van een overvloed van zintuiglijke indrukken.

In de therapie moet worden geprobeerd, die eenzijdigheden te overwinnen door het hart in het milieu te betrekken. Hierbij is van belang, dat een evenwicht tussen extremen op verschillend niveau wordt bereikt. Dit kan men vooral beleven bij het ervaren van warmte: hoe uiterlijke warmte wordt overgeleid in innerlijke warmte. Dit gebeurt het allermeest door het hart en zijn functie. De uitdrukking daarvan is, dat het spier-bloed-systeem het warmste in het organisme is. Dit aspect kan zowel in de medicamenteuze therapie als bijvoorbeeld door de heileurythmie en het therapeutische gesprek tot gelding komen.

Het hart in het taalgebruik.
Tenslotte wijzen wij nog op de taalgenius, die deze bijzondere individuele basis van de mens, het hart, in allerlei uitdrukkingen duidelijk maakt. Ook hier vinden wij een in­nige lichamelijk-psychische
ineenstrengeling. Het hart kan slaan, kloppen, hameren, het kan sidderen, maar ook smachten en jubelen, stilstaan, maar ook gloeien, stok­ken en versagen, breken. Echter ook karaktereigenschappen worden vaak met het hart verbonden: het kan warm en week, trouw en bedroefd, koel, klein, van steen, ruim of trots zijn. En de mens kan barm­hartig, of harteloos zijn.
In Goethes, “Dichtung und Wahrheit”, zijn autobiogra­fie, lezen wij: “Omdat ons het hart altijd na­der ligt dan de geest en ons dan voor pro­blemen plaatst als de geest zichzelf wel weet te helpen, leken mij de aangelegen­heid van het hart steeds de belangrijkste.”

(Dr Hans Christoph Kümmell, arts , Weledaberichten nr.149, dec. 1989)

Zie ook: hart een pomp?

alle anderen over het hart

HART EEN POMP?

“HET HART EEN POMP”?

Denken, voelen en willen hebben we leren kennen als 3 uitingen van de ziel.

ZIEL:
opgevat als het vermogen de buitenwereld tot binnenwereld te maken en de binnenwereld weer tot buitenwereld.

Ziel is een vermogen-niet waarneembaar met de zintuigen waarmee we de fysieke wereld waarnemen.

Om tijdens het leven een ziel te kunnen hebben, is een lichaam nodig, waarin deze huizen kan.

Dat lichaam is wel waarneembaar en we hebben het leren kennen als hoofd, romp en ledematen; de respectievelijke zetel van denken, voelen, willen.

Ook waarneembaar zijn de organen die weer bij deze 3-ledigheid- hoofd, romp en ledematen horen: het zenuw-zintuigstelsel; hart en longen en het stofwisselingssysteem.

Zoals het denken voornamelijk plaatsvindt met behulp van de hersenen, zo wijst het voelen in de richting van het hart.

HART EN GEVOEL
Als we plotseling schrikken, voelen we dat meestal onmiddellijk aan of in ons hart: het slaat ineens sneller; hartkloppingen kunnen het gevolg zijn; we voelen het bloed kloppen in onze slapen; het bloed kan wegtrekken uit ons gezicht, zodat we lijkwit zien.

De schrik sloeg me om het hart.

 

En wanneer                          het hart je in de keel klopt,

 voel je  je niet op je gemak.

Hier kwamen ter sprake  verschillende zieleniveaus: o.a. werd de verstands-gemoedsziel beschreven.

Wanneer deze in een mens overheerst, wordt vooral geuit wat men er van vindt; hoe men het beleeft.
Deze mens leeft veel sterker in de sympathieën en antipathieën van het ogenblik; deze worden vaak (te) snel geuit: men zegt wat men op het hart heeft-

waar het hart van vol is, loopt de mond van over.

Iemand kan naar je hart spreken:

hij zegt dan dingen die je fijn vindt; waar je je lekker bij voelt .

Met kloppend hart: vol angstige spanning.

“Vol verwachting klopt ons hart”.

De volgende uitdrukkingen zijn ontleend aan het ‘Groot woordenboek der Nederlandse taal’: de ‘grote’ Van Dale:

HART

‘lichaamsdeel waarop aandoeningen van geest en gemoed werken of terugwerken’

zijn hart is geen boontje groot, hij is zeer bang

zijn hart vast­houden, in angst of vrees verkeren voor de afloop van iets

zijn hart kromp ineen van medelijden; sprong op van vreugd

met bloedend hart: op het smartelijkst in zijn gevoel getroffen.

 De lijst kan nog overdadig uitgebreid worden.

 Over het voelen werd gesproken als zich bevindend tussen denken en willen.

De vraag zou dan kunnen worden: hoe staat het hart-als gevoelsorgaan, tussen de zenuw-zintuigorganen en die van de stofwisselings-ledematenorganen.

Het hart is een spier. Het bestaat dus, grofweg gesproken, uit vlees. Het is ook rood en zoals iedere spier, trekt ook de hartspier zich samen, komt onder een bepaalde spanning, wordt harder en weer zachter en ontspant zich weer. In de polsslag kunnen we deze beweging aflezen. Het hart heeft een spierbeweging. En waar beweging is, vindt stofwisseling plaats. De rechter- en linkerkamer hebben het dikste spierweefsel: daar zit de krachtigste beweging: wanneer je op de achtergrond denkt aan : denken, voelen, willen, zit daar  de wil van het hart.

De zenuw-zintuigorganen zijn er om tot bewustzijn te komen. Om “weet” te krijgen van de omgeving. We maken beelden van de omgeving die we door de zintuigen waarnemen. Onstoffelijke spiegelbeelden van de stoffelijke werkelijkheid.

Hoger gelegen-meer richting hoofd!-bevindt zich in de rechterboezem de Aschoff-Tawarse knoop; een concentratie zenuwen.

In deze boezem komt het bloed het eerst het hart binnen. Het lijkt alsof het hart wil zeggen: hier, waar ik voor het eerst kennismaak met dit bloed, heb ik een orgaan nodig om tot kennis te kunnen komen. Er lopen van hier nog veel meer zenuwbanen; waar zenuwbanen zijn, eindigen ze ook en die uiteinden zijn zeer gevoelig. Daarmee is het hart ook zintuigorgaan. Uit heel het lichaam komt het bloed daar aan en het hart krijgt zo de gelegenheid om te weten wat de kwaliteit van dit bloed is, maar ook van de snelheid waarmee het binnenstroomt.

Een ervaring van het “snel de trap op lopen” kennen we wel: met 3, 4 treden tegelijk omhoog en we merken: we moeten dieper ademen en ons hart slaat sneller.

De bloedsomloop moet sneller. De benen zijn in beweging en de beenspieren hebben zuurstof nodig; het bloed moet dat aanvoeren; maar dan moet er ook meer zuurstof voorhanden zijn; dan moet het hart dus sneller werken. We zouden erge pijn in de benen krijgen, als het hart dit niet voorkwam door zijn aktiviteit.

Zitten we daarentegen achter ons bureau, dan hoeft het niet zo snel te gaan en het kloppen gaat langzamer.
Het hart is zintuigorgaan voor de bloedsomloop.

Even hierboven vermeldde ik de uitdrukking dat het hart kan opspringen van vreugde. Plezier, er zin in hebben; kortom: graag willen, verlevendigt de bloedstroom.

Maar omgekeerd, wanneer we terneergeslagen zijn, kunnen we dat beleven als een “zwaar hart”. Dat kan zo zwaar zijn, dat het ons in de schoenen zakt; en daarmee de moed.

Zo naar het hart gekeken, is het niet vreemd om te zeggen dat het werkzaam is tussen “denken” en “willen”, als gevoelsorgaan.

Louter naar de stoffelijkheid gekeken is het hart een orgaan dat een pompende beweging maakt; maar we doen het hart te kort, door het “slechts” een pomp te noemen. Het is meer: het is een “bezield” orgaan.

De voelende ziel vindt in het fysieke hart het orgaan dat meevibreert met de stemmingen waarin de ziel zich bevindt;

zoals in de muziek de boventonen meevibreren met de grondtoon.

Het hart als orgaan van het “midden”.

Niet te veel of te weinig van het een; of niet te veel of te weinig van het ander.

Toen ik zelf eens met hartklachten naar mijn huisarts ging- hij wordt hier met respect genoemd-dokter Albert Soesman, en ik de symptomen beschreef, en nadat hij mij had onderzocht, sprak hij de zeer verhelderende woorden: “jij hebt geen last van je hart; je hart heeft last van jou”.

(Een andere leefwijze, zonder medicijn of wat ook, was genoeg om de klachten te laten verdwijnen).

Die leefwijze was beslist niet “evenwichtig” te noemen. Dit zou kunnen betekenen: niet in overeenstemming met wat het hart als orgaan doet:

 evenwichtig werken tussen de 2 tegengestelde polen.

Ook dat zien we in de taal terug: ben je ruimhartig, of enghartig (een woord dat niet veel meer wordt gebruikt, het synoniem wel: kleinzielig!)

Het Duits kent kaltherzig tegenover warmherzig; het Nederlands kent wel lauwhartig: zonder warme belangstelling: onverschillig.

Lucht/lichthartig-we kennen wel zwaarhoofdig: pessimistisch-zwaarmoedig.

In het Duits kan men iemands hart schwermachen.

Je kunt hartelijk zijn, maar ook harteloos.

Je kunt een hart van goud, maar ook van steen hebben.

In de taal leeft nog een schat aan voorbeelden die hier natuurlijk niet allemaal genoemd kunnen worden.

  het hart een pomp?

In ieder geval een orgaan dat een pompende beweging maakt; of het daarom slechts een pomp genoemd kan worden? Uit bovenstaande beschouwing blijkt  dat het een orgaan is dat een ruimere omschrijving verdient dan uitsluitend ‘pomp’.

 

 

 

 

IK

IK BEN HET, MAAR WIE BEN IK EIGENLIJK?
Spreken over denken, voelen en willen, of lichaam, ziel en geest,
is spreken over ons zelf. Het is mijn lichaam, mijn ziel, mijn geest, mijn denken,  mijn voelen, en mijn willen.
En, om bij de laatste 3 te blijven:IK denk, IK voel enIK wil.
Het zou dus niet moeilijk moeten zijn alles over het Ik te kunnen zeggen: we zijn het immers zelf. Maar daar begint al een moeilijkheid: Wie ben ik eigenlijk?

En tegelijkertijd is het ook wonderlijk dat we aan ons zelf kunnen vragen wie we zijn. Dat we dat aan een ander kunnen vragen, is duidelijk, maar aan ons zelf/mij zelf?
En wat te denken van het feit dat ik ook een tweegesprek met mezelf kan houden.Iedereen houdt volgens mij wel eens een tweegesprek met zichzelf. “In zichzelf praten”, met evenveel  recht van spreken kun je zeggen: “met jezelf spreken”.

Dat veronderstelt toch een soort 2-deling.Veel mensen hebben deze ervaring.

GEWETEN
Het blijkt ook veel voor te komen dat het ene deel a.h.w. “geraadpleegd” wordt, als het andere deel iets wil, of gedaan heeft. Alsof de “raadgever” ook weet heeft van hoe het hoort of niet. Je kunt bij jezelf te rade gaan. Zou dat het ge-weten zijn? Je blijkt ook je geweten te kunnen onderzoeken.

PERSOON
Wanneer iemand zich  aan een ander voorstelt, zegt deze: “Ik ben …” en dan volgt de eigennaam.

Maar er zijn talen, waarin in dit niet gebeurt.
Wij kennen het “ik heet….”, maar het Frans en het Italiaans b.v. hebben: “Ik noem mij”. 
“Hoe heet U”? wordt dan:   “Hoe noemt u zich?”
In het Hongaars vraagt men: “Hoe noemen ze u? “

Ik heet wel Jan, maar ik had ook anders kunnen heten.
Kennelijk valt ons IK niet helemaal samen met onze naam. Je kunt hem tenslotte ook veranderen; iets wat met ons zelf niet zo gemakkelijk is.

Ik zou mij als Jan, willen kwalificeren, als “persoon”. 
Als ik dit in de taaluitdrukking serieus neem, zeg ik dus eigenlijk dat ik, als ikzelf, mij manifesteer als persoon, die Jan wordt genoemd.

Ik ben er “als Jan”. Dat is mijn persoontje. Is mijn persoontje ook een persoonlijkheid?  En zo nee, zou hij dat dan kunnen worden; en zo ja, waarom is die dat dan?

En wat te denken van het woord “persoon” in zijn oorspronkelijke betekenis, als masker.

En opnieuw de vraag, wie verbergt zich achter dat masker. En dan kan ik me nog anders voordoen, dan ik ben. Alsof ik een ander ben.

Steeds duikt die tweedeling op.

DENKEN, VOELEN, WILLEN
Het denken, voelen en willen: het is mijn denken, voelen en willen.
Als ik mooie ( of minder fraaie) gedachten heb, ben ik degene die ze denkt en ik weet ook dat ik ze denk. Ik ben me bewust van mijn eigen denken; bewust van wat ik zelf denk, maar ook: dat ik zelf denk: ik ben mij bewust van mij zelf: zelfbewust.
Of zoals Toon Hermans eens zei: “Goh, ik denk wel eens, wat denk ik nou weer”.

WAKKER, DROMEN, SLAPEN
Ik kan me ook bewust zijn van mijn gevoelens en van wat ik wil. Toch is er verschil met het denken: ik weet altijd wat ik denk; maar ik weet lang niet altijd wat ik wil.

Om te denken moet je wakker zijn.  Er moet zenuw-zintuigactiviteit zijn. Als we bij de wil,  die in het ledematen-stofwisselingsgebied zijn intensiefste aangrijpingspunt heeft, naar de stofwisseling kijken, dan zijn we daar, in tegenstelling tot het denken, helemaal niet wakker bij aanwezig. Van onze eigen verteringsprocessen hebben wij geen weet. Het tegenovergestelde van weten/wakker is het geval: tegenover het bewustzijn staat hier de onbewuste activiteit. T.o.v. het wakkere, kan hier zeker gesproken worden van een gebied waarvoor wij met ons kennende vermogen, slapen.

Ons gevoelsleven, staand tussen denken en willen-hier nu even genoemd wakkerheid en slaap, zou dus een soort middenpositie moeten innemen tussen wakkerheid en slaap: en dat doet het ook. Voor veel van onze gevoelens geldt dat we ze niet echt wakker beleven; maar toch wel ervaren: niet bewust, ook niet onbewust, vager: hier is de term onderbewust op zijn plaats.

Je zou het een wat dromerig beleven kunnen noemen. Soms weet je niet eens waar ze vandaan komen: je bent onderhevig aan bepaalde stemmingen; soms worden ze ineens “wakker”, vooral als je je aan iets irriteert (antipathie) of wanneer je wordt overspoeld door een golf van sympathie voor iets of iemand, zo maar vanuit het niets.

SCHEMA’S
Wie ‘iets’ bestudeert, ontkomt niet aan indelingen, schema’s, onderscheid enz.
Dat is bij antroposofie niet anders.

Steiner geeft een aantal aanwijzingen voor het bestuderen van….vul maar in:

Werkelijk begrip krijgen we, wanneer we de feiten op elkaar betrekken.[1]Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. we begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet naar de tegenstellingen in de wereld kijken.[2]
Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

Weest U zich ervan bewust, dat U de mens alleen daardoor kan kennen, wanneer U hem vanuit 3 gezichtspunten bekijkt, wanneer U zich met de geest bezighoudt. Het is niet genoeg, dat men alleen maar ‘geest, geest, geest!’ zegt.
[3]
Seien Sie sich also klar darüber, daß Sie den Menschen nur dadurch erkennen können, daß Sie ihn immer von drei Gesichtspunkten aus betrachten, indem Sie seinen Geist betrachten. Aber es genügt nicht, wenn man immer nur sagt: Geist! Geist! Geist!

Men zou steeds het ene met het andere moeten verbinden, want daaruit bestaat dat wat leeft.[4]
Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Zo heb ik tot nog toe verschillende schema’s gehanteerd:
Vanuit het  lichaam gekeken: hoofd, romp en ledematen.
Daar kwam bij: zenuw/zintuigsysteem; hart/longensysteem; stofwisseling-ledematensyteem.
Hieraan werd gekoppeld: rust, ritme en beweging.

Vanuit de ziel: denken, voelen, willen

Daar is nu aan toegevoegd: vanuit de geest: wakker, dromen, slapen.

De kern in dit alles: het IK

[1]Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
GA 293/113   ISBN 3-7274-2930-5  (1992)
[2] idem/124
[3] idem/132
[4] idem/148