Tagarchief: ritme

anderen over HET HART (9)

Kracht putten uit ritme

Het slaap-waakritme is zo’n vanzelfsprekend ritme dat je er eigenlijk niet eens bij stilstaat. Pas als je lijdt aan een slaapstoornis of nachten hebt gewaakt bij een zieke, merk je hoe je lichamelijk welbehagen van dat ritme afhankelijk is. Naast het slaap-waakritme zijn er nog heel wat andere ritmes die invloed uitoefenen op onze gezondheid. Wat voor ritmes zijn dat en hoe kun je ze herkennen?

Wie ooit naar Amerika of nog verder, naar Australië of Nieuw-Zeeland is gevlogen, heeft kennis kunnen maken met een merkwaardig fenomeen. Ook al ben je zelf van plan je onmiddellijk aan te passen aan de andere taal, het klimaat en de omstandigheden, vaak ziet je lichaam dat de eerste dagen nog helemaal niet zitten. De uiterlijke klok is immers niet gelijkgesteld met je eigen bioritme. Je lijf meldt daardoor op de verkeerde tijden dat het slaap nodig heeft of hongerig is en het leven gaat nog min of meer als een droom aan je voorbij. Pas na ongeveer een week begint het nieuwe ritme te wennen en krijg je langzaam aan het gevoel dat je er echt bent. Je hebt de ritmestoornis, in dit geval de verstoring van het slaap- en waakritme, dan overwonnen.

Ritme
Wat is ritme precies? Van Dales Groot Woordenboek omschrijft het als ‘iedere geaccentueerde, periodieke (maar niet altijd gelijke) wisseling in een bewe­ging’.

Ritme is dus de wisseling in een beweging, geen regelmaat, want dan is alles altijd hetzelfde. Na een dag en een nacht volgt steeds weer een volgen­de dag, maar tegelijk wordt het steeds iets korter of langer licht. Als je erop gaat letten, zie je overal rit­mes: in onze tijdsindeling in dag en nacht, week, maand en jaar, in de wis­seling van de seizoenen, in het functio­neren van onze organen en zelfs in onze levensloop. Onze polsslag bijvoorbeeld heeft een ritme dat in een specifieke verhouding staat tot onze ademhaling, namelijk 4 op 1. Bij een hevige schrik stokt de ademhaling en ben je even letterlijk van slag.

Ook de lever heeft een eigen ritme. Hij begint rond drie uur ’s middags met zijn opbouwactiviteiten en eindigt daarmee rond drie uur ’s nachts.

Opbouw en afbraak
Interessant is dat ons eigen fysiologische ritme niet los te zien is van grotere, kosmische ritmes. Wij halen in een etmaal 25.920 keer adem; de zon heeft er 25.920 jaar voor nodig om de hele kring van de dierenriem te bewandelen.
Een ander voorbeeld: de menstruatie-cyclus bestrijkt ongeveer 28 dagen, het­zelfde aantal dagen dat de maan ervoor nodig heeft om alle fasen – van nieuwe tot volle maan en weer terug – te doorlopen. Naast deze wetmatigheden zijn er ook ritmes die zich veel innerlijker afspelen. De afwisseling tussen dag- en nacht­ritme en het verschil tussen waken en slapen betekenen een afwisseling tussen afbraak en opbouw.
Overdag breek je je levenskrachten af doordat je voortdurend je zintuigen gebruikt en allerlei prikkels moet verwerken; ’s nachts moet je deze levenskrachten weer opbouwen. Opbouw en afbraak gelden echter net zo goed overdag. Een hele dag intensief vergaderen of winkelen, waarbij je met je hoofd voortdurend indrukken opneemt, tendeert naar afbraak. De opbouwkant overheerst bij een dag die je doorbrengt aan de open haard, met wat soezen in de warmte, met taart en een mooie roman.
Ritmische processen verbinden deze beide polariteiten. Je spaart daardoor kracht. Ritme is een golf waardoor je je een stukje kunt laten meenemen, in plaats van tegen de stroom in te zwemmen.

De kracht van ritmes
Voor wie kracht wil putten uit de ver­schillende ritmes zijn er heel wat aanknopingspunten te vinden.
In het dagritme werkt het al heel ordenend als je op een vaste tijd opstaat, een patroon ontwikkelt in het afwerken van karwei­tjes en prioriteiten stelt. Als je tussen­door pauzes inlast, een wandelingetje maakt en op tijd eet, versterkt dat de opbouw, en daardoor krijg je weer energie. Let je op de veranderingen in het licht, op de zonsondergang, op het invallen van de schemering, op de stand van de maan en het al dan niet aanwezig zijn van sterren, dan zul je na verloop van tijd merken dat het je slaap-waakritme versterkt. Een indeling per dagdeel naar ‘hoofd, hart en handen’ kan je behoeden voor eenzijdigheid. In het begin gaat het daarbij vooral om de registratie van wat je doet of hebt gedaan.
Was ik de afgelopen morgen vooral met mijn hoofd bezig, of heb ik vooral mijn handen of benen gebruikt? Doe ik ter afwisseling dingen die meer het hart aanspreken, zoals het schrijven van een brief, het bewonderen van een roos of een sneeuwvlok? Neem ik wel tijd voor een goed gesprek? Daarbij zal overi­gens de een liever ’s morgens denkwerk verrichten en de ander ’s avonds.
Een weekritme is eveneens een uitstekend middel tegen eenzijdigheden en stress: op bepaalde dagen wassen of strijken, op een vaste middag
verga­deren of zwemmen, op zondag heel andere dingen doen en anders eten dan in de week. Het voordeel is dat je zodoende aan allerlei dingen toekomt waar je anders geen tijd voor denkt te hebben.

Het maandritme werd al even genoemd in verband met de menstruatiecyclus. Ook daar kun je naar toeleven. Bij speciale cursussen voor vrouwen die bij de menstruatie veel pijn ondervinden, is het opvallend dat hen wordt geleerd zich niet tegen de cyclus te verzetten. Met het ritme meegaan, niet het uiterste van jezelf vragen in je dagelijkse inspanningen, maar de buik juist extra aandacht en warmte geven, zorgt ervoor dat bij veel vrouwen de narig­heid afneemt.

Het mooie van ritme is dat het niet alleen je gezondheid ondersteunt, het maakt de wereld ook veelkleuriger en beweeglijker dan je op het eerste gezicht denkt. Steeds gaat het erom wisseling in de beweging te brengen. Verjaardagen, feestdagen en vakantie kunnen hierdoor met meer overgave worden gevierd en, wat ook belangrijk is, je hebt ineens een zee van tijd.

(Ineke van der Duijn Schouten, met medewerking van George Maissan,huisarts, Weledaberichten nr. 175, winter 1997)

anderen over HET HART (8)

WAARVAN HET HART ZICH NAUWELIJKS BEWUST IS

Ritme als grondslag van de menselijke gezondheid

Uit het 24-uur ritme, dat tegenwoordig reeds zeer grondig doorvorst is, blijkt, dat het menselijke organisme deze regelmaat tot in de kleinste bijzonderheden volgt.
Er zijn meer dan 30 functies bekend die alle op dezelfde manier volgens het dagritme verlopen.
Niet alleen de lichaamstemperatuur, de bloeddruk, de bloedvorming volgen dit ritme, maar ook de zo belangrijke organen als de lever en de nieren worden door dit ritme beheerst.
Reeds daardoor alleen mogen we de gevolgtrekking maken, dat de gezondheid van de mens in dit opzicht een vraag is van het ritme.

Laten we als voorbeeld het ritme van de lever nemen. Dit werd voor het eerst beschreven door de Zweedse onderzoeker Forsgren. Hij ontdekte, dat de galvorming in de lever om drie uur ’s middags zijn maximum en om drie uur ’s nachts zijn minimum bereikt. Wat betekent dit voor onze gezondheid? Zoals bekend hebben we de gal nodig voor het verteren van het vet. Wanneer we nu tussen 12 en 13 uur het middagmaal gebruiken, dan komt het vet uit het voedsel na ca. 2 uur in de dunne darm, waar de vertering met behulp van de gal plaatsvindt. Wanneer we echter ’s avonds laat een vetrijk maal tot ons ne­men, of wanneer we zwaar verteerbare vetten gebruiken, dan wordt onze lever overbelast. Dat zal ook het geval zijn wanneer we onritmisch eten, onregel­matig, de ene keer vroeg, de ander keer laat. Dan bemoeilijken we ook weer het werk van de lever en tegelijkertijd van het hele spijsverteringsorganisme.

De milt is belangrijk voor de stofwisseling
Er grijpt echter nog een ander, niet altijd voldoende opgemerkt orgaan, in deze ritmiseringsprocessen in. Rudolf Steiner maakte reeds in 1911 erop attent, dat de milt een belangrijke regulator van onze stofwisseling is. Door de totale voedselopname, die tegenwoordig vaak zo willekeurig en onregelmatig plaats­vindt, waarbij ook het drinken, alsmede het snoepen op elk moment van de dag behoort, wordt de functie van dit orgaan ondermijnd. De milt moet er echter voor zorgen, dat dit onritmische gebeuren in zoverre in evenwicht ge­bracht en geharmoniseerd wordt als dat voor de opname van de voedselstroom in de streng ritmische regelmaat van de inwendige organen noodza­kelijk is.

Wat de oude Arabische artsen met de woorden „men eet zich ziek en verteert zich gezond” karakteriseerden, heeft vooral ook betrekking op de functie van de milt. Want de onritmische opname van het voedsel maakt de mens ziek en ondermijnt zijn gezondheid. En de milt, die evenals de lever zo overbelast is, wordt langzaamaan verlamd in zijn vermogen om de mens
ge­zond te maken.
Daarom is een ontlasting van de miltfunctie niet alleen door het handhaven van een geregeld eetritme, maar ook het verdelen van de voed­selopname over verschillende kleine maaltijden in de loop van de dag vaak nodig.
Dat betekent voor de milt, zoals Rudolf Steiner eens opmerkte een „in­wendige massage”, die zijn regulerende functie weer opwekt. Van hier uit bezien, doemen er nog verdere gezichtspunten op. We zullen erop moeten letten, dat het voedsel zelf door de wijze van produceren in de ritmi­sche processen die wij hierboven bekeken hebben, ingeschakeld blijft.
Daar­mee moeten we al bij het verbouwen beginnen. Vooral de planten zijn het resultaat van een ritmische wisselwerking tussen aarde en kosmos. Deze wordt echter vaak reeds door de methodes van het verbouwen nadelig beïn­vloed. Niet alleen de dwang, waaraan de plant bij het opnemen van snel oplos­bare minerale mest wordt blootgesteld, maar ook het rijpen buiten het jaarver­loop, het niet in acht nemen van kosmische ritmen bij het uitzaaien, het uitplanten en oogsten ondermijnt de kwaliteit van het voedsel, Rudolf Steiner heeft dit „minderwaardig worden” van de land- en tuinbouwprodukten op niet mis te verstane wijze in samenhang gezien met dergelijke gebreken in het verbouwen van de planten.

Maar hij heeft ook een weg gewezen, hoe de planten weer gezond kunnen worden en in plaats van dat men „zich bedriegt met iets groots en opgebla­zens” weer planten „met werkelijke voedingswaarde” heeft (R. Steiner Landwirtschaftlicher Kurs.)*
De biologisch-dynamische landbouwmethode streeft naar een der­gelijke kwaliteit van de voeding, de z.g. Demeterkwaliteit. Dat is vanzelfspre­kend even belangrijk voor het verbouwen van geneesplanten.
We mogen ech­ter niet over ’t hoofd zien, dat door onrijp te oogsten, door moderne conser­veringsmiddelen, hetzij door chemische toevoegingen of door diepvriezen veel aan voedingskwaliteit wordt ingeboet. Ook hier heeft men te maken met methodes van behandeling, die op een bepaalde manier vreemd zijn aan het ritme. Dergelijke factoren kunnen in hun diep ingrijpende betekenis voor de menselijke gezondheid ook nog door verdergaande inzichten onderkend wor­den. Niet alleen de ritmische voedselopname, maar ook het genot van onge­schikt, d.w.z. kwalitatief minderwaardig voedsel, alsmede veel te grote hoe­veelheden betekenen voor de regulerende functie van de milt een verzwakking. Omgekeerd echter leidt een ritmische voedselopname tot een verbetering van het instinkt van de mens, die bv. „een gemakkelijker vinden van het voor hem geschikte voedingsmiddel mogelijk maakt. (R. Steiner Geisteswissenschaft und Medizin )**
En daarmee is gewezen op het grote probleem van de moderne voeding. Want de voeding wordt steeds meer oorzaak van ziekten. En het feit, dat men tegenwoordig moet spreken over „ziekten die van de voeding afhankelijk zijn”, die steeds meer toenemen (leverziekten, hart- en circulatiestoringen, suikerziekte enz.) laat duidelijk zien, van hoe groot gewicht deze factor al is geworden. In dit verband is het van belang te wijzen op de steeds onontbeerlijker wordende hulpmiddelen bij de voeding en spijsvertering, die in de vorm van Cassis-, Sleedoorn-, Duindoorn- ­en Berken Elixer ter beschikking staan.

Tenslotte moet men bij het wijzen op het ritme als basis van de gezondheid nog een andere pool van de mens in het oog vatten, die een even groot ge­vaar in zich draagt, nl. het zenuw-zintuigstelsel. Wat tegenwoordig door het gehaaste, nerveuze leven, door de volkomen onritmische, chaotisch wisse­lende zintuigelijke indrukken, door het geraas van motoren dag en nacht op de mens afstormt, werkt eveneens vernietigend op het innerlijke ritme van de mens. Daarom is het niet alleen een eis van onze tijd, een bewuste hygiëne van de voeding en de diëtiek na te streven, maar eveneens een hygiëne van de hele wijze van leven, ook in geestelijk opzicht. Want wie beleeft er nog iets van echte ochtendstemming, zoals Eichendorff die heeft bezongen: ,,lch fühle mich recht wie neu geschaffen, Wo ist die Sorge nun und Not?” of zijn avond­lied: ,,Schweigt der Menschen laute Lust: Rauscht die Erde wie in Traumen wunderbar mit allen Baumen, was dem Herzen kaum bewusst”? …. Dat is geen voorbije romantiek. Het is een taal, die het menselijke innerlijk zich uit eigen krachten weer zou moeten verwerven. Een zwijgen, dat levenwekkend en tevens rustgevend een nieuwe harmonie met de ritmen in de natuur en de kosmos opwekt en dat het ritme als bron van de menselijke gezondheid op­nieuw ontsluit. De mens van nu moet leren, zich uit een vrij inzicht en uit in­nerlijke activiteit te wenden naar de ritmische ordening van de wereld.
De volgende woorden van Rudolf Steiner kunnen hierbij voor hem een richtlijn zijn:
‘De ware vooruitgang en het heil van de mens bestaat niet daarin, dat hij tot het oude ritme terugkeert….. Maar het wezenlijke is ook, dat de mens tegenwoordig niet zou moeten menen, dat hij zonder ritme zou kunnen leven. Zoals hij zich van buitenaf heeft verinnerlijkt, moet hij zich van binnen uit wederom ritmisch opbouwen. Dat is het waarop het aankomt: Ritme moet het innerlijk doortrekken.”
(Rudolf Steiner. Die praktische Ausbildung des Denkens”)***

G. Schmidt (arts)

*vertaald

**vertaald

***vertaald

anderen over HET HART (2)

HET HART ALS SNUFFELPAAL VAN HET IK

Zoals op vele terreinen in onze samenleving, is er ook in de gezondheidszorg een toenemende behoefte aan zekerheden. Over allerlei medische onderwerpen worden consensusbijeenkomsten gehouden. Zulke consensusbi eenkomsten moeten leiden tot overeenstemming of consensus over het besproken onderwerp. Voortaan ligt het beleid ten aanzien van het onderwerp vast en moet er heel wat gebeuren om daar weer verandering in aan te brengen.

Een dergelijke consensusbijeenkomst was er onlangs over cholesterol. Over cholesterol is heel wat te doen geweest de afgelopen jaren.
Het speelt een belangrijke rol in het ontstaansmechanisme van hart- en vaatziekten en veel therapeutische maatregelen zijn er op gericht het cholesterolgehalte van het bloed omlaag te brengen.
Vet, en cholesterol in het bijzonder, is een onmisbare substantie. Het dient voor de opslag van energie doordat suiker in vet wordt omgezet, het beschermt allerlei organen door er een dikke laag vet omheen te formeren en het is te vinden in allerlei steunweefsels in ons lichaam. Verder vinden we onder de hele huid een wisselend dikke laag onderhuids vetweefsel dat als een soort isolatie­
middel dient en voorkomt dat wij te veel warmte aan de omgeving verliezen. Ten slotte is voorlopig nog van belang dat cholesterol onmisbaar is bij de opbouw van een aantal hormonen.

Cholesterol is dus niet zonder meer een gevaarlijke stof. De problemen gaan pas ontstaan als het cholesterolgehalte van het bloed langdurig te hoog is. Het kan zich dan gaan ophopen op bepaalde plaatsen in de vaatwand. Met name gebeurt dat in de grotere vaten, zoals de hoofdslagader en de
kransslagaderen van het hart. Zulke ophopingen noemt men plaques. Die plaques
kunnen loslaten van de vaatwand en elders verstoppingen veroorzaken, wat dan weefselversterf (infarct) ten gevolge heeft van het achterliggende orgaan dat door het desbetreffende bloedvat van voedsel en zuurstof werd voorzien. Ook is het mogelijk dat ter plekke van de plaque een vaatkramp optreedt of een bloedstolsel vastraakt (trombose) wat het zelfde effect heeft, namelijk een
versterf van weefsel.

Risicofactoren
Met betrekking tot hart- en vaatziekten spreekt men van risicofactoren. De belangrijkste zijn roken, overgewicht, stress, hoge bloeddruk en een te hoog cholesterolgehalte van het bloed. Risicofactoren zijn geen oorzaken van de desbetreffende ziekten, maar je kunt wel zeggen dat het terugdringen ervan het ontstaan en beloop van de aandoening gunstig beïnvloedt. Van cholesterol was dit lang onzeker maar daar is door een recente consensusbijeenkomst een einde aan gekomen.

Het valt eigenlijk buiten het bestek van dit artikel, maar het begrip risicofactor is eigenlijk nogal academisch. Wie door de genoemde risicofactoren heen weet te kijken, krijgt al heel snel het beeld van de moderne mens voor ogen, die zich nerveus en haastig door het leven jacht, die af en toe snel wat eet, veel zit te vergaderen en voortdurend bezig is zijn materiële welstand te verhogen. Zoals is te verwachten, moet de mens zelf als de grootste risicofactor voor zijn gezondheid worden aangemerkt. Hoewel dit in zijn verschrikkelijke algemeenheid waarschijnlijk wel waar is, heeft het toch zin om naar een zo’n risicofactor te kijken en deze tegen het licht van de tijd te houden.

Behoudend
Eén van de voor ons verhaal belangrijkste eigenschappen van het vet is het conserverende karakter ervan. Het isoleert een mens van zijn omgeving. Het zet zich af tussen en rondom organen maar neemt geen deel aan hun functioneren en beperkt zich tot een ondersteunende functie. Dat geeft het een nogal onpersoonlijk karakter, wat zich onder andere ook uit in het feit dat afstotingsreacties tegen lichaamsvreemd vet veel moeilijker tot stand komen dan die tegen vreemd eiwit, wat in het laatste geval het grote probleem bij de orgaantransplantaties vormt. Vet wordt niet herkend als niet bij de eigen persoon behorend. Het vetweefsel zoals dat bij voorbeeld onderhuids wordt gevonden, ziet er microscopisch ook redelijk saai uit: het is een grote monotonie van opeengepakte, met vet gevulde cellen zonder enige differentiaties.

Bescherming tegen beschadiging, vasthouden van warmte, behoud van vorm en opslag van energie zijn zo een aantal hoofdfuncties van het vet in ons lichaam. Zo gezien is vet een sympathieke substantie. Het stelt zich altruïstisch ter beschikking en dringt zich niet op de voorgrond. Met het woord ‘sympathiek’ zijn we bezig om het vet als substantie als het ware hogere vermogens toe te dichten en het te situeren op het niveau van het emotionele, gevoelsmatige gebied van het menselijk bestaan.

Wie daar moeite mee heeft of het niet gelooft, moet zo rond middernacht maar eens een snackbar bezoeken en dan liefst een die een beetje ongezellig is, met veel neonlicht, kunstfruit aan de muur en wat landerige, aangeschoten klanten die hun tijd verdoen met leunen tegen flipperkasten. De (anti)emoties hangen in de lucht als de walm van de frituuroven. Je moet dan vooral letten op de manier waarop de bezoekers hun etenswaren tot zich nemen. Haastiger, begeriger en bijkans wellustiger zie je nooit iemand eten! Overigens, dat wat er wordt gegeten, laat zich het beste beschrijven in termen van vet en zout. Snacks hebben de bedoeling om de zinnen te prikkelen, de tong te strelen en, in het algemeen, de mens een snel gevoel van voldoening te geven. Een haastige, intensieve en makkelijke manier om de behoeftes te bevredigen, zo laat het bezoek aan de snackbar zich het beste omschrijven.
Er zijn kortom weinig plaatsen zo geschikt om fenomenologie van de menselijke behoeftebevrediging en de begeerte te bedrijven als een snackbar!

Een ander gebied in het menselijk functioneren waar vet een emotie-bevorderende rol
speelt, is het gebied van de erotiek en het functioneren van de geslachtshormonen. De menselijke gestalte komt tot stand door de afzetting en rangschikking van het onderhuidse vet. En, hoe raar en deprimerend het ook moge klinken, er moet toch worden geconstateerd dat datgene wat in de vrouwelijke gestalte als verleidelijk wordt beschouwd strikt fysiologisch gezien op niets anders is
gebaseerd dan op een gelukkige formatie van vetvoorraden. Het vermogen van het vet om, bij gebrek aan eigen vorm, zich tot elke gewenst al dan niet mollige gestalte te laten boetseren, dient de erotiek en het lichamelijk genoegen. Interessant, maar nu niet meer zo verbazingwekkend, is het gegeven dat exclusief de zogenaamde sekshormonen tot stand komen door afbraak en omvorming
van vetzuren, bestanddelen van het vet.

Vet en vaten
Zoals in de seksualiteit het begeerte-achtige, hebberige, op het eigen lichaam gerichte genoegen kan bestaan naast het gevende, ruimte makende voor de partner (antipathie- en sympathiegebaar), zo komt dat ook tot uitdrukking in de dynamiek van het vet in het lichamelijk functioneren. In de vetstofwisseling komt heel mooi tot uitdrukking hoe het ik van de mens het evenwicht probeert te houden tussen zijn sympathieën en antipathieën. Vet richt zich voortdurend naar de omstandigheden. Daar waar het veel steun moet geven en dus vaster moet zijn, bereikt het dit door een speciale samenstelling van de vetzuren te hanteren. Vet bestaat namelijk uit een alcohol en vetzuren, en de kwaliteit van het vet wordt bepaald door de aard en samenstelling van die vetzuren. Vetzuren zijn een soort kralensnoeren van koolstofatomen. Die kralen kunnen heel stevig aaneengeregen zijn of wat losser. In het eerste geval spreekt men van verzadigde vetzuren en in het laatste van onverzadigde. Hoe langer de ketens zijn en hoe verzadigder de vetzuren, hoe vaster het vet. Het vastzijn drukt zich uit in het smeltpunt. Zo is reuzel (rundvet, smeltpunt circa 45 C) een zeer vaste substantie met veel verzadigd vet en is saffloerolie nog tot 30 graden onder nul vloeibaar dankzij het hoge gehalte aan onverzadigde vetzuren als het inmiddels beroemd geworden linolzuur en het linoleenzuur.

Veel langketenige en verzadigde vetzuren worden in het zenuwstelsel gevonden in de schedes om de zenuwbanen heen. De vetzuren in de (onder andere spier-)stofwisseling zijn kort- tot zeer kortketenig en grotendeels onverzadigd. In deze tegenstelling weerspiegelt zich het uiterlijk onbeweeglijke van het zenuwstelsel en het actieve van de stofwisseling. De vetzuren die in het gezonde vaatstelsel, het hart en de longen worden gevonden, bevinden zich wat ketenlengte en verzadigingsgraad betreft tussen het zenuwstelsel en het bewegingsapparaat in. Het is boeiend om te ervaren dat zelfs het vet van de organen ‘tussen hoofd en buik’ het beweeglijke midden houdt.
Wanneer je nu kijkt naar het verschijnsel van de vaatverkalking, dan zie je het volgende. In de vaten hoopt zich vet op dat grotendeels is opgebouwd uit verzadigde vetzuren. Dat wordt in de loop van de tijd vervangen door kalk dat de vaten star maakt en weinig ruimte laat voor beweeglijkheid.
Het vaatstelsel is toenemend onvoldoende in staat om zich aan te passen aan veranderende omstandigheden, wat tot veroudering, afbraak van weefsel en afname van creatief vermogen leidt. De mens als creatief, biografisch wezen verdwijnt en wat er overblijft is alleen nog maar een kalkafgietsel van wat hij eens is geweest.
Illustratief in dit verband is het beeld van de vrouw van Lot, die, toen ze omkeek naar het door haar node verlaten Sodom, veranderde in een zoutpilaar. De mens die te veel omkijkt naar zijn verleden, loopt de kans om in zijn biografie tot stilstand te komen en tot een beeld van zichzelf te ver­starren. Het zijn met name de slagaderen die bij de hart- en vaatziekten een rol spelen. Dat zijn de vaten die vanuit het hart naar de organen van het lichaam toe gaan om deze te voorzien van voedsel en zuurstof. Je zou kunnen zeggen dat via het slagaderlijke vaatsysteem de buitenwereld binnendringt. Dat wat via de vertering van het voedsel, de ademhaling en de zintuigen bij ons binnenkomt, wordt via de slagaderen in het lichaam
gedistribueerd. Het slagaderlijke bloed representeert als het ware het inademende gebaar, het opnemen van informatie van buitenaf en het zo tot bewustzijn komen.
Juist het gedeelte van het vaatstelsel dat met het bewustzijn geassocieerd kan worden, heeft het moeilijk met het cholesterol. Dat bewustzijnsaspect drukt zich onder meer uit in het feit dat de bloeddruk in het slagaderlijke systeem veel hoger is dan in de aderen. De spanning van het bloed is een uitdrukking van het aanwezig zijn en greep hebben op de situatie en daarom een uiting van bewustzijn. Een flinke daling van de bloeddruk leidt onmiddellijk tot daling van het bewustzijn en vice versa. Via het aderlijke bloedvatstelsel stroomt het bloed terug naar het hart.
Wat betreft samenstelling is dat heel ander bloed dan wat er in de slagaderen vloeit; aderlijk bloed bevat veel afbraakprodukten en koolzuur terwijl het slagaderlijke bloed juist een hoog zuurstofgehalte heeft en, zoals gemeld, voedingsstoffen vervoert. In het aderlijke bloed komt meer tot uiting wat er zich in eigen lichaam afspeelt: de stofwisseling en de opbouw.

Wanneer je de betekenis van het bloedvatstelsel in een wat breder verband probeert te bekijken, dan kun je zeggen dat het bloed en de vaten waar het doorheen stroomt staan voor het vermogen om jezelf als totaal mens te beleven aan dat wat er vanuit de buitenwereld op je afkomt en dat wat er uit jezelf opstijgt. Je bloed, dat ben je. Dat weet elke dokter: bloedonderzoek is in het diagnostisch
proces één van de eerste dingen die een arts onderneemt wanneer de klacht van de patiënt uitstijgt boven het snotneusniveau.
Vrijwel alles over de voedingstoestand, de immuniteit en de specifieke ziektetoestand van de patiënt is uit het bloed af te lezen. Het stromende bloed staat in de overdrachtelijke zin meer voor het creatieve proces in de mens en dat wat er uit de eigen wil als levensimpuls geboren wil worden. Het vaatstelsel heeft meer betekenis in de vormgevende zin en het leiden en sturen van de al te ongebreidelde wil. In het aderlijke systeem overweegt meer de (bloed)kant en in het slagaderlijke systeem de vormende bewustzijnskant, wat zich dan ook nog eens uitdrukt in de veel dikkere wanden van de slagaderen.

Snuffelpaal
In het hart komen de twee informatiestromen samen die uit het bewustzijn (het weten van dat wat er in het leven omgaat) en die uit de stofwisseling (wat er aan nieuws staat te gebeuren). Het hart wordt zo tot een soort snuffelpaal voor het ik van de mens. ‘Wat is het kenmerkende van mijn biografie en zit ik wat dat betreft in mijn doen en laten nog steeds op het goede spoor?’ Dat zijn de vragen die leven in de bloedsomloop, waarbij het hart een heel speciale rol vervult.
Het hartinfarct treedt mijn inziens dan ook vaak op wanneer het in de biografie misgaat of dreigt mis te gaan.

In het hart vermengen zich het aderlijke en het slagaderlijke bloed. Er komt zo een synthese tot stand tussen denken en doen onder de regie van het aftastende en voelende hart.
Er is zo voortdurend sprake van denkend doen en creatief, ‘doend’ denken. Daarin gaat kennelijk iets mis in de situatie van de vaatverkalking. Het verstarrende element krijgt de overhand, de bloeddruk stijgt en de vitaliteit van de organen neemt af. De vaatwanden worden geïnfiltreerd door het vastmakende, isolerende vet dat op zijn beurt weer plaats maakt voor het kalk, dat het ver-
starrende proces ten einde voert. Dat wat voor de zintuigen normaal is, gaat teveel zijn
stempel op het lichaam drukken. Zintuigen, en ik reken het verteren van het voedsel en
het inademen daar gemakshalve maar even bij, doen niets anders dan het opnemen en
vastleggen van indrukken om zo tot vastomlijnde begrippen te komen. In je hoofd en je
darmen ben je dus van nature hebberig. Het aanwezig zijn van massieve hoeveelheden
verzadigd vet (dat we met het zenuwstelsel hebben geassocieerd) in de vaatwanden duidt op infiltratie van dat hebberige binnenhalen in een gebied waar dat niet zo duidelijk op zijn plaats is. Anders gezegd: het emotionele, op zichzelf gerichte element, met het vet als fysieke verschijningsvorm, bedreigt het persoonlijke element dat we in het hart-vaatstelsel hebben gesitueerd.
Zoals in het begin gemeld, treden her en der in het vaatstelsel door de vetophopingen ver-
nauwingen op. Een vaatkramp ter plekke kan dan versterf van weefsel, bij voorbeeld
een hartinfarct, ten gevolge hebben. Dit is een goede illustratie van de egoïstische kant
van het vet: dat wat in het bloed aanwezig is als impuls voor het doorgaan van de biografie, wordt niet aan het lichaam gegund en tegengehouden. Het beeld dat zo ontstaat van de hart- en vaatziekte en de rol van het vet daarbij is dan van de mens die zich te veel laat leiden door dat wat er leeft in het bewustzijn en zo ten prooi valt aan de verstarring, het egoïsme en het onvermogen om te blijven herkennen wat echt bij de eigen biografie hoort.

Inbraak.
Onlangs werd in mijn huis ingebroken, waarbij nogal wat zaken werden ontvreemd.

Je wordt er beslist niet vrolijker van om ineens zonder klarinet, saxofoon of radio te zitten. Het drukt je met je neus op het feit dat bezit kennelijk belangrijker is dan je dacht.
Ook ten aanzien van het verschijnsel geluid ben ik weer wat wijzer geworden. Dat geluid
is dus weg als alle audiospullen het huis zijn uitgedragen. Het is stil in huis geworden en
dat is in eerste instantie heel vervelend. Het duurt een paar weken voor je daar over heen
bent. Daarna begint zich een heel merkwaardig proces af te spelen. Je mist de radio
niet meer en je gaat genieten van de stilte. Je gaat zelf weer meer geluid maken met je
stem of op een (geleend) instrument. Bezit kan je zo inpakken dat je eigen individualiteit niet meer aan bod komt. Dat is overigens een verschijnsel dat je om je heen hand over
hand ziet toenemen. Je bent wat je hebt en als je niets meer hebt dan is er van je persoon
niet veel meer over. Daarom was de beurskrach van oktober vorig jaar zo’n enorme,
met name emotionele, schok voor veel mensen. Naast een financieel verlies werd ook
een groot persoonlijk verlies geleden. Er werd een flink stuk uit het ik-gevoel weggeslagen door de plotselinge koersval van de aandelen. Voor sommige mensen was dat niet meer verenigbaar met het voortbestaan: zij overleden aan een hartaanval!

Warmte
Er bestaat een zeer speciale relatie tussen vet en warmte. Vet is de beste manier om warmte vast te houden. In het proces van de vervetting en verkalking van ons vaatstelsel is het met die warmtehuishouding niet zo rooskleurig gesteld.
Hart- en vaatziekten worden niet voor niets koude ziekten genoemd. De mens heeft daar de warmte te veel tot zijn eigendom gemaakt en houdt haar krampachtig vast, zonder er overigens zelf erg veel plezier aan te beleven. Er bestaat een oneigenlijk gebruik van de warmte. Het hart en het circulerende bloed zijn juist bij uitstek een beeld voor het sociale vermogen van de mens, voor het geven en nemen, waarin de warmte lichamelijk, psychisch en geestelijk een prominente plaats inneemt. De mens maakt zijn bestaan zinvol doordat hij warmte kan geven en ontvangen. Zodra hij dat niet meer kan en zich daardoor isoleert van zijn omgeving, hoopt die warmte zich op en verstart zij tot vet.

Therapie
Het is typerend voor onze tijd dat we de oplossing van dit probleem zoeken in het manipuleren van de substanties. Dat komt dan neer op het verlagen van het cholesterol in het bloed door middel van medicijnen of dieetmaatregelen. Interessant genoeg is uit onderzoek gebleken dat notoire hartpatiënten een betere levensverwachting hebben als zij vegetarisch gaan eten. Dit wordt dan voornamelijk toegeschreven aan het lage cholesterol- en het hoge onverzadigde vetzuurgehalte van het reguliere vegetarische menu.

Het is de vraag of dit de hele waarheid is. De proefpersonen hadden eerst traditioneel gegeten in de trant van aardappels, vlees en groente en gingen vrij plotseling over op een vegetarisch dieet. Iedereen die een dergelijk proces heeft doorgemaakt, weet dat er heel wat met je gebeurt in de eerste maanden van de verandering. Je gaat lichamelijk en psychisch anders functioneren. Sommige mensen raken zo ongeveer in een depressie als ze vegetarisch gaan eten en dat niet alleen omdat ze het vlees zo missen. Anders gaan eten is een diep insnijdende biografische ingreep.
Het is heel wel mogelijk dat het vegetarisch gaan eten de personen uit het onderzoek
heeft wakkergeschud, wat zich daarna vertaalde in een verbeterde toestand van hun
hart en hun vaten.

Naast al dit soort maatregelen lijkt het ook heel zinvol om in de behandeling van hart-
en vaatziekten, en dan met name wat het vet betreft, te kijken naar de meer transcendente
betekenis van het vet en ons af te vragen hoe het zit met onze psychische en sociale warmtehuishouding. Is ons bloed met zijn organen een levend organisme dat in staat is om
ons in contact te brengen en te houden met onze leefwereld, of is ons hart een bunker,
net zo geïsoleerd en beveiligd als onze met welstand gevulde huizen. Als die vraag niet
kan worden beantwoord, heeft praten over een dieet, stoppen met roken of joggen geen
enkele zin.

Aart van der Stel, arts

(dit artikel verscheen in het niet meer bestaande blad Jonas-Geneeskundespecial-datum onbekend)

Zie ook: hart een pomp?

alle anderen over het hart
               

anderen over HET HART (1)

Uit een interview met embryoloog Jaap van der Wal

‘Ik gaf jarenlang colleges over het mense­lijk lichaam. Dan vertelde ik hoe men over het lichaam dacht in de tijd van vroeger tot nu. Ik sloot graag af met de befaamde Nederlandse anatoom Louis Bolk. Hij ont­dekte dat de menselijke ontwikkeling traag verloopt ten opzichte van die van dieren. De mens wordt in een veel later stadium volwassen dan de mensapen. En dat terwijl bij de geboorte mens en chimpansee nog grote overeenkomst vertonen. Bolk komt tot bijzondere inzichten in de evolutie. Dat een mensenkind een niet-gespecialiseerde toestand bewaart tegenover de snelle spe­cialisering van de chimpansee. Dat de mens “eigenlijk embryo blijft”. Er was bij de studenten altijd grote belang­stelling voor de observaties van Bolk. Te­genwoordig zijn de eerstejaarsstudenten al sterk gevormd door de populaire me­chanistische opvattingen en kijken ze niet meer zo onbevangen naar de verschijnse­len, de natuur, de mens, het lichaam. Het is een moeilijke periode voor de holistische menskunde. We gaan door een dorre woes­tijn.’

‘Zonder hart kun je niet leven. Zonder brein wel. Hersendood is lariekoek!
Als je hersenen ophouden, ben je niet dood. Je bent dood als het hart ophoudt. In het embryo ontstaat eerst het hart; het brein is een stap later en verder. Met het hart ontstaat de eerste mogelijkheid binnen ons or­ganisme individu te zijn. Het brein, het hoofd is niet de primaire oorzaak van ons bewegen. De neurobiologie zit wat dat betreft in een fuik. Het oorzaak-en-gevolg-denken staart zich dood op het brein. Je brein is het hoofd van het zenuw-zintuigstelsel. Het hart is het “hoofd” van het bloed(orgaan).

In het begin is het embryonale lichaam als het ware leeg. Er is enkel een bui­tenkant en een binnenkant; de ruimte ertussen is niet manifest. Dan ontstaat er een midden via het bloed dat het vanuit het bloedproces (vormt?). “Inter-esse” betekent “er tussen zijn”.’

Het brein
‘Het hersenorgaan begint zich vanaf de derde week te ontwikkelen. Het is in uitgegroeide vorm niet begin- maar eindpunt van het zenuwproces. Het hart vormt zich vanuit het bloedproces en is (dus ook) hoofd en luistert, rea­geert en coördineert. Het hart voegt aan de beweging van het bloed niets toe! Het geeft een nieuwe impuls, zoals het brein reageert op de bewegings­mens en de zintuiglijk waargenomen wereld om ons heen! Het hersenproces levert je het bewust­zijn van de wereld om je heen. Het hart is in die zin ook een bewustzijnsorgaan: het station waar alle processen tot rust gebracht worden, waardoor steeds weer innerlijke vrije ruimte ontstaat. Waar het bloedproces rust… en omkeert. Het is het incarnatieor­gaan. Elke hartslag is een incarnatie-act, brengt ons hier en maakt ons in zekere zin wakker. Hier ben ik! In het hart kun je gewaarworden dat je in je lijf woont. Niemand wijst op zijn hoofd als antwoord op de vraag: bedoel je mij? Ben ik aan de beurt? Dan wijs je op de plaats van je hart. Daar ben je!’
‘Het hart wordt niet begrepen. Waar­om krijgt onze cultuur het zo aan zijn hart? Wat gebeurt er met ons samenlevingshart? Verharding en verkilling verzwakken het. Zoals wij denken over de fysiologie, zo richten wij ook onze samenleving in. Daar komt de terug­slag: in het sociale leven. De hartenklop van onze samenleving wordt ontregeld door stress. Deze komt voort uit hoe wij denken over onze lichamelijkheid. De huidige trant van denken over het brein bijvoorbeeld – als oorzaak van bewegen – is een gevaarlijke misvat­ting. Brein is niet beweging of oorzaak van ons bewegen. Het brein wordt on­derhouden door het ritmische systeem en het spijsverterings-ledematensysteem. Het brein bestuurt niet onze ze­nuwen.

Rudolf Steiner waarschuwde al een eeuw geleden  dat  het begrip ‘motorische’ zenuwen op een denkfout berust, alsof deze ons doen bewegen. Alle zenuwen dienen de waarneming, dus ook de waarnemingen van onze spierbewegingen. Je zult dan ook in de hersenschors geen vrije wil ontdekken. Die wil zetelt daar niet. Hersenonder­zoek wil met een scan aantonen dat er geen vrije wil bestaat. Zo ver is het ge­komen met het mechanische denken! Ik noem dat schaamteloos reductio­nisme. De vrije mens terugbrengen tot een regelbaar en geen verantwoording dragend apparaat! Alsof je de wil die je in het dagelijks leven ervaart, kunt “vangen” in een experiment dat de hersenactiviteit in beeld brengt! Dan krijg je een samenleving van “Kan ik er wat aan doen? Het was mijn hippo­campus die een foutje maakte”.

‘De werkelijkheid waarin wij leven is toch wel even iets meer dan het neurolab met knopjes en draadjes! Ik ben geen brein. Ik ben Jaap van der Wal en ik heb én ik ben mijn lichaam. Kennelijk is het brein een belangrijke voorwaar­de om te leven. Maar ik ben niet mijn brein. De mensen zijn het transparante lichaam vergeten dat weerstandsloos mij dient. Marcel Proust bracht het zo onder woorden: “Wij hebben voor de toekomst geen nieuwe horizon nodig, we hebben nieuwe ogen nodig!” De empathische blik heeft oog voor het kwalitatieve. Met alleen tellen en me­ten verliezen we de mens uit het oog.’

(deel van een interview, verschenen in het blad ‘Stroom’)

alle anderen over hart

IK EN REÏNCARNATIE

‘.
Doordat ik mijzelf bewust ben van mijn IK, mijn zelf en ik ook weet dat ik geen andere persoon ben, sta ik als zelfstandig wezen apart van alle andere verschijningsvormen.
Met zijn IK staat de mens helemaal alleen.
U of jij kun je tegen iedereen zeggen; ‘IK’ is alleen op mijzelf van toepassing.

BEZIT NEMEN VAN HET LICHAAM
Zonder een lichaam kan het Ik zich hier op aarde niet manifesteren. Het leeft in het lichaam.

Wie kleine kinderen ziet opgroeien, kan het aan ieder kind waarnemen: het Ik is in het fysieke lichaam niet meteen heer en meester: het moet worden veroverd. De vele pogingen om te gaan staan – dat is: je onttrekken aan de horizontale houding die de dieren innemen – dus in de vertikaal komen – dat is: tot het mensenrijk gaan behoren: dat gaat niet zo maar.

Wat een plezier kunnen de kleintjes hebben als ze dan eenmaal kunnen stappen, aan het bewaren van het evenwicht. Alle muurtjes, stenen en noem maar op, MOETEN worden belopen.

In de klas was het vaak aandoenlijk om te zien hoe sommige kinderen moeite hadden om over een evenwichtsbalk te lopen; of om het touwtjespringen te gaan beheersen. Maar als het dan ging lukken: dan steeg het “zelf’vertrouwen enorm.

Trouwens, als wij ’s morgens – niet al te wakker! – opstaan, hebben we ook nog wel eens moeite meteen, met onze voet, op de juiste manier in de pantoffel te stappen.
Nog niet helemaal wakker, wil hier zeggen: nog niet helemaal in het lichaam aangekomen. (wakker-dromen-slapen)

De onderliggende vraag is natuurlijk: als we dan vanuit de nacht nog niet goed zijn aangekomen, zijn wij dan weggeweest in die nacht?

En als je als ‘zelf” weer in je lichaam moet komen als kind, ben je dan ook terug van weggeweest?

EIGENHEID VAN DE GEEST
Tot nog toe is er geen overduidelijk bewijs dat het leven uit de stoffelijkheid stamt. Eerder omgekeerd, lijkt het leven de stof vorm te geven.

Ook wat de geest betreft, is er een duidelijke polariteit t.o.v. de stof: het lichaam. Dus het lijkt er niet op dat de geest uit het lichaam voortkomt.

Dan moet de geest iets zijn dat iets eigens is.

Mijn lichaam komt door de erfelijkheidsstroom van mijn ouders; maar als mijn Ik niet uit de stoffelijkheid, dus uit de erfelijkheid kan stammen, kan ik dit dus ook niet van mijn ouders erven.

Ik kan de ogen hebben van mijn moeder; de neus van mijn vader of andere familieleden; ik lijk als baby ook wel op opa van vaders kant enz., maar als wezen, als IK? Later blijkt wellicht dat ik een ‘aardje naar mijn vaartje’ heb.

Maar ‘dit aardje’ kan naar zijn aard alleen maar inhoud zijn van wat in de gewaarwordings/verstandsgemoedsziel nog van erfelijkheid (of nabootsing!) aanwezig is.

De werkelijke kern: wie ben ik – is niet zo maar terug te vinden in de ouders.

Nu ik zo over deze dingen filosofeer, moet ik denken aan een uitspraak van mijn moeder die ze eens deed, toen ik een jaar of 18 was. Mijn gedachten en standpunten weken toen wel erg af van die, die in ons gezin gewoongoed waren. Ze zei op zeker ogenblik: “Je bent er wel een van ons, maar toch is het net of je er niet bij hoort; je bent zo anders.”

Ik geloof dat ze hier doelde op mijn eigenlijke wezen: mijn IK.

Ik interpreteer het nu zo: je eigenlijke wezen hoort niet bij je erfelijkheid.

Maar als het niet tot de stoffelijke erfelijkheid behoort, niet tot de stoffelijke wereld, dan kan het alleen maar, naar zijn aard, bij de geestelijke wereld horen.

Het stoffelijke zou ik t.o.v het geestelijke het kort – tijdelijke willen noemen. Het geestelijke heeft veel meer het karakter  van lang-durig: vergankelijk tegenover eeuwig.

Dan kan ik ook makkelijker de uitspraak begrijpen, wanneer iemand is gestorven: ‘hij heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld’.
En daarmee bedoelen we niet het stoffelijke: dat is ‘stof dat tot stof wederkeert’.

Als mijn IK aan het eind van mijn leven niet verloren gaat met de stoffelijke ontbinding, maar ‘ergens’ nog  ‘is’, dan sta ik ook open voor de gedachte, dat aan de beginkant van mijn stoffelijk – erfelijke leven, mijn IK weer tevoorschijn komt uit de geestelijke wereld.

IN – UIT
De dood wordt  weleens de ‘grote broeder’ van de slaap genoemd.

De slaap, die natuurlijkerwijs, aan het eind van de dag – de lichttijd – bezit van ons neemt, brengt ons in een tijdelijke bewustzijnsafwezigheid; de andere dag worden we weer wakker – al dan niet meteen of moeizaam en we pakken ons dagelijks leven weer op. We gaan door met de werkzaamheden van gisteren.

Dat kan alleen maar, omdat we het vermogen hebben, om het ‘gisteren’ door de nacht heen, te bewaren en mee te nemen naar ‘morgen’.

Het leven zou volstrekt zinloos zijn, als we iedere nieuwe morgen, alles wat we al geleerd hadden, weer opnieuw zouden moeten leren om verder te kunnen: we kwamen niet verder!

In de nacht bewaar ik de resultaten van gisteren voor de daden van morgen.

Nu is dag – nacht een klein ritme; niet het kleinste: we hebben ook bv. in onze ademhaling een ‘in’ – ‘uit’.
Dag – nacht is een wat groter ‘in’ –’uit’.
Wanneer ik dit nog verder uitbreid en ik blaas bij mijn dood de laatste adem ‘uit’; en we wachten bij de geboorte van een kind op de eerste levensschreeuw – het ‘in’, dan sta ik bij het begin en het eind van het leven, voor het grootste ritme van ‘in – uit’.
Is het dan geen voor de hand liggende gedachte, dat ik bij de intrede in het leven, ‘weer verder ga, met waar ik gebleven ben’, zoals ik dat vandaag ook weer deed, na de afgelopen nacht.
En aangezien de vaardigheden, die ik vandaag heb opgedaan, mij morgen verder helpen, kan ik ook zeggen – indachtig het grotere ritme: wat ik in het ene leven aan vaardigheden heb opgedaan, helpt mij, na mijn langere afwezigheid als gestorvene, weer verder, wanneer ik de draad weer oppak in een nieuwe incarnatie.

AANLEG
Dat werpt ook meteen een ander licht op het woord “aanleg”.
Want aanleg moet ergens zijn aangelegd. En als ik met aanleg voor het een of ander – een talent – op aarde kom, dan wijst dat makkelijk in de richting van: vergaarde vermogens, toen; die nu weer verschijnen.

En zoals je gisteren bv. iets kwijt kon zijn, waar je vandaag verder naar op zoek gaat, zo zoek je wellicht in je nieuwe incarnatie naar wat je ‘toen’  bent kwijtgeraakt.

Je kunt dit thema met allerlei mogelijke gedachten uitbreiden: naar personen, gebeurtenissen – het heeft allemaal met jou te maken: jouw karma.

Mensen die verzuchten: ‘Waarom moet mij dit overkomen’, zouden wellicht niet zo diep in de put hoeven te zitten, als ze als eerste gedachte zouden kunnen denken, dat dit ‘waarom’ op de een of andere manier bij ze hoort. Dat een gebeurtenis die tot zo’n verzuchting leidt, een plaats moet krijgen in het leven: je moet er iets mee.

Dit alles is geen bewijs; ik kan slechts wijzen op.

Zoals deze droom, die ik eens had, toen ik voor het eerst met de gedachte reïncarnatie/karma in mijn leven werd geconfronteerd.

Ik werkte toen in Den Haag op de vrijeschool. Ik volgde o.a. een cursus bij Frits Julius. Hoewel het een cursus met veel natuurkundige en scheikundige experimenten was, afgewisseld met wandelingen door de natuur, om te leren waarnemen, kwam er zo af en toe wel eens een meer filosofisch onderwerp ter sprake, waaronder reïncarnatie en karma.

Toen Julius was overleden, droomde ik, dat ik bij zijn kist stond en tegen hem zei: “Nu hebben we wel over reïncarnatie gesproken, maar nu weet ik het nog niet: U hebt nog niet verteld, hoe het echt zit.”

Hij keek mij vanuit zijn kist enigszins verstoord aan en zei: “Laat me nu met rust, als ik teruggekomen ben, zal ik het je vertellen.” …………..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.