Tagarchief: geest

Bewustzijn en hersenen

.

BEWUSTZIJN EN HERSENEN
.

Al tijden breken de mensen zich het hoofd over wat bewustzijn toch is, of niet is.
Om meer licht op het vraagstuk te werpen, kan antroposofie een inspiratie zijn.

Een open deur is, dat wij als mens niet aanspreekbaar zijn – we antwoorden in ieder geval niet – wanneer we niet wij bewustzijn zijn, dus wanneer we slapen of bewusteloos zijn.

Zijn wij ons bewustzijn?

Je hoeft maar naar iemand te kijken die bewusteloos is en je weet het antwoord; lichamelijk is deze mens nog aanwezig, dus valt hij niet samen met zijn bewustzijn: anders was hij er helemaal niet meer.

In dit opzicht zijn we wél ons brein: als dit uit ons weggenomen zou worden, gaan we dood (als het uit ons weggenomen wordt voor wetenschappelijk onderzoek, zijn we al dood). 
Maar dat geldt ook voor alle levengevende en -ondersteunende organen: ons hart, de longen, de lever enz. We zeggen er in feite niets mee, dat we ons hart zijn, maar ook niet dat we ons brein zijn.

Denken – voelen – willen

Met zijn verdeling in denken, voelen en willen geeft Steiner ons een instrument in handen om veel genuanceerder naar de mens te kijken. 
Door deze begrippen van alle kanten te karakteriseren en te benoemen met steeds weer nieuwe namen en het belichten van net weer een andere aspecten, komen we bij een karakterisering van: 

Wakker – dromen – slapen

Of bewust – onbewust – onderbewust. Maar ook: geest – ziel – lichaam en  zet je de karakteriseringen onder elkaar:

Denken          voelen          willen
Wakker         dromen        slapen
geest              ziel                lichaam
bewust          onbewust    onderbewust

dan gaat het bij bewustzijn om denken, om wakkerheid, om ‘iets geestelijks’.

Trouw-columnist Bert Keizer – worstelend met de al eeuwen oude controverse ‘stof – geest’, dus ook met ‘hersenen en denken’, gaat niet meer zover als men eeuwen geleden ging: ‘de hersenen scheiden gedachten af, zoals de lever de gal’.
Hij doet een opvallende uitspraak: ‘bij het onderzoeken van het brein (op de snijtafel) is nog nooit een gedachte gevonden.’
Hiermee is voor Keizer ook duidelijk dat wij niet ons brein kunnen zijn, want ook ‘wij’ worden in het versneden brein niet aangetroffen.
Maar de vervolgconclusie trekt hij niet: als ik mijn gedachten in het brein niet aantref, waar zijn ze dan?
En een antwoord zou kunnen zijn: Dan zijn ze aanwezig zonder dat ik ze zie of kan pakken, o.i.d., m.a.w. dan zijn ze bovenzintuiglijk.

‘Bovenzintuiglijk’ – ‘de’ wetenschap

Ik schrijf hier bewust ‘de’ wetenschap, want ‘de’ wetenschap, bestaat die wel?
En wat doet die wetenschap – wat doen de wetenschappers, want ‘wetenschap’ is op zich niets: er moeten mensen zijn die de wetenschappelijke inhouden verwoorden – we moeten dus zeggen: wat doen sommige wetenschappers? 
Ze hebben ideeën, ze uiten gedachten: ze vertrouwen hun ‘bovenzinnelijks’ toe aan het papier en maken het daarmee letterlijk zichtbaar. 
Om vervolgens te beweren dat het onzichtbare geen realiteit is!
Zeggen ze daar dan mee, dat wat ze opgeschreven hebben, geen realiteit is?

Discrepantie
Hiermee komt eigenlijk een grote discrepantie aan het licht.

De Stichting Bewustzijn en Wetenschap

Nu lijkt er een veranderende houding te ontstaan die de Stichting Bewustzijn en Wetenschap als volgt verwoordt:

‘De Stichting Bewustzijn en Wetenschap verbindt twee pijlers (van het bestaan) die in de huidige tijd los van elkaar zijn komen te staan: wetenschap en bewustzijn. Bewustzijn is meer dan een emergente [spontaan optredende] eigenschap van fysische hersenprocessen. Bewustzijn is van invloed op materie, niet alleen andersom. Acceptatie en begrip van deze wisselwerking zal ons helpen om een zinvollere en duurzame wereld te creëren.’

Een van de bestuursleden is Sarah Durston. In een interview in het dagblad Trouw zegt ze o.a.:

De materialistische manier van kijken die we in de wetenschap heilig hebben verklaard is waanzinnig succesvol geweest en heeft veel opgeleverd.” Maar nu loopt die tegen haar grenzen op. We moeten op een andere manier gaan kijken.”
“Als wetenschapper had ik in toenemende mate dat knagende gevoel, dat we door alleen maar te kijken naar de hersenen, genetische factoren en een beperkt aantal omgevingsfactoren eigenlijk voorbijgaan aan iets heel belangrijks. Dat gaat over de essentie van wie wij als mens zijn. Maar in de wetenschap is dat taboe. Met onze huidige manier van kijken hebben we ons rot gezocht in ons brein naar bewustzijn, maar vinden we er eigenlijk geen verklaring voor. Wat is bewustzijn? Wat betekent het om bewustzijn te hebben? Dat is een van de grote kernvragen waar we nu voor staan, en die is met onze huidige manier van wetenschappelijk denken niet te beantwoorden.
Trouw, 30-06-2020

Zij heeft het hier over het ‘hebben van bewustzijn’.
Als we de taal serieus nemen, en wat zou het voor belachelijke gedachte zijn dat niet te doen, terwijl we die de hele dag bezigen – we zouden daarmee toch verklaren dat we de hele dag met onze taal niets serieus menen – dan komen we ook uit bij het woord ‘bewusteloos: ‘loos’ als ‘zonder’, maar ook ‘los van’.
En dat roept vanuit de taal de vraag op, dat als het bewustzijn ‘los’ van mij kan komen, waar het dan is. 
En dan ligt een antwoord voor de hand dat nog niet veel zegt: elders.
Maar daarmee heb ik het bewustzijn wel gekarakteriseerd als iets bestaands dat ik niet kan waarnemen met de gewone zintuigen, wetend dat het een realiteit is.

Steiner geeft een vergelijking: de snaren op een viool hebben het a.h.w. in zich dat ze klank kunnen geven. Maar er zal een vioolspeler moeten zijn die de snaren bespeelt. Uit zichzelf brengen ze geen klank voort.
Uit zichzelf brengen de hersenen geen bewustzijn voort. Het bewustzijn is er echter wel: wordt het geen tijd om ‘bewustzijn’ als een niet-zintuiglijke realiteit te accepteren?

In de ‘Algemene menskunde’ GA 293 voordracht 2, weidt Steiner uit over ‘de voorstelling’. Naar aanleiding daarvan schreef ik hier:

Met de opkomst van de natuurwetenschap is het denken over de mens zich steeds meer gaan richten op de stoffelijke kant. ‘Wij zijn ons brein’ is niet eens zo nieuw als je het in dezelfde sfeer plaats van ‘de mens een machine‘ – het l’homme machine’ van de Lamettrie uit 1748. 

O.a. in GA 326/19  beschrijft Steiner dat deze visie in de loop van de ontwikkeling van de mensheid noodzakelijk was om tot vrijheid te kunnen komen; in de 1e voordracht van deze cursus, GA 293, dat het voor de nieuwe tijd om andere inzichten gaat. [1-4] blz. 19

Bij ‘de mens als machine’ behoort ook de bekende uitspraak: ‘de gedachten worden net zo door de hersenen afgescheiden als de gal door de lever’. Iets dergelijks is nog steeds de opvatting, getuige ‘wij zijn ons brein’.

Ook al is het voor velen wel invoelbaar dat ‘gedachten’ niet van dezelfde orde zijn als ‘gal’ – hier zie je iets van het ‘cogito’ (geen zijnde) dat gelijkgesteld wordt aan ‘gal’ (wel een zijnde) – toch vinden de meeste mensen het niet vreemd om te zeggen dat we met onze hersenen denken en dat daar dus dan de gedachten wel geproduceerd zullen worden. ‘Gebruik je hersenen, je grijze cellen, je verstand’ koppelen we toch – min of meer onbewust – aan ons brein.

Steiner probeert ons te laten zien hoe we daar naar kunnen kijken.

Wanneer het gaat om ‘dit produceren van gedachten door de hersenen’ zegt hij in GA 348: 

Also nicht dazu haben wir unser Gehirn, daß wir Verstand erzeugen. Das ist ja ein großer Unsinn, wenn wir glauben, daß wir Verstand erzeugen. Wenn wir glauben, daß wir Verstand erzeugen, so ist das gerade so dumm, wie wenn einer mit einer Wasserkanne geht und aus einem Teich Wasser schöpft, dann mit der Wasserkanne kommt und dann sagt: Sieh einmal an, da drinnen ist jetzt Wasser; du hast gesehen, vor einer Minute war noch keines drinnen: aus dem Blech ist das Wasser herausgewachsen! Da wird ein jeder sagen: Das ist ein Blödsinn! Der war eben beim Teich und hat sich Wasser geholt; das ist nicht aus der Kanne herausgewachsen! – Aber die Gelehrten zeigen das Gehirn auf, das einfach auch den Verstand zusammensammelt, weil er überall ist, wie das Wasser, und sie behaupten, aus dem Innern wachse der Verstand heraus! Das ist genau so dumm, wie wenn man sagt, das Wasser wachse aus der Wasserkanne heraus, weil der Verstand auch dort ist, wo kein Gehirn ist. Ebenso ist der Teich nicht abhängig von der Wasserkanne. Der Verstand ist überall da. Schöpfen kann ihn der Mensch, den Verstand. Und geradeso wie man in der Wasserkanne das Wasser benützen kann, so kann der Mensch, wenn er den Verstand, der überall in der Welt ist, wie das Wasser, zusammensammelt, eben sein Gehirn benützen.  

Dus, we hebben onze hersenen niet om er verstand mee te produceren. Het is echt grote onzin om te geloven dat we verstand produceren. Als we geloven dat we verstand produceren is dat net zo dom als iemand die met een waterkan wegloopt naar de vijver, daar water schept en dan terugkomt en zegt: ‘Kijk, hier zit nu water in; je hebt zelf gezien dat dit er een minuut geleden niet in zat: het water is uit het ijzer van de kan gekomen.’ Dan zou iedereen zeggen: ‘Wat een onzin. Hij is naar de vijver gelopen en heeft water gehaald. Dat is niet uit die kan zelf gekomen!”
En nu laten de geleerden de hersenen zien die slechts een verzamelplaats zijn voor het verstand dat overal aanwezig is, net als het water en nu beweren zij dat uit het inwendige het verstand ontstaat. Dat is net zo dom als wanneer je zegt: ‘Het water komt uit die kan, omdat het verstand overal is, ook waar geen hersenen zijn. Net zo min is de vijver afhankelijk van de waterkan. Het verstand is overal. De mens kan het putten. (Het Duits heeft hier ‘schöpfen’, dat ‘opscheppen, opdoen, verkrijgen’ betekent en ook gebruikt wordt voor ‘een luchtje scheppen’ dus uit de omgeving iets opnemen). En net zoals je in de waterkan het water kan gebruiken, zo kan de mens, wanneer hij het verstand in zich verzamelt dat overal in de wereld aanwezig is, zoals het water, dus zijn hersenen gebruiken.
GA 348/205      
Niet vertaald

Bewustzijn is van invloed op materiezegt de Stichting ‘Bewustzijn en Wetenschap’. 
Dat lijkt een voorzichtig begin, maar zal zij ooit Steiner kunnen gaan nazeggen:

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches.
GA 301/238
Vertaald/238

Deze uitspraak is met ‘soortgelijke’ te vinden op: Rudolf Steiner – wegwijzers, nr.98 met verwijzingen naar andere vindplaatsen.

.

Om meer greep te krijgen op deze materie legt Arie Bos in zijn beide boeken:

Hoe de stof de geest kreeg
Mijn brein denkt niet, ik wel

met wetenschappelijk aanvaarde feiten, een fundamentele basis.

.

Rudolf Steiner: Algemene Menskundealle artikelen

Rudolf Steiner en de vrijeschool: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

DE DRIELEDIGE MENS(3)

voorafgaan deel 1; deel 2

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (3)

Een eenvoudige waarneming kan ons leren dat we op een drievoudige manier in de wereld staan.
Even simpel is het in te zien dat we de mens als zielewezen, ook kunnen beschrijven als een denkend, voelend en willend wezen.

Ziel blijkt nader te omschrijven te zijn.

Ook lichaam en geest kunnen nader beschreven worden.

LICHAAM
Als ik hier zou vragen waar we ijzer, kalk, mangaan enz. vinden, dan zal menigeen denken aan landstreken waar deze stoffen worden gevonden.

Pas in tweede instantie denk je aan je eigen lichaam. Tot in grote details zijn deze stoffen bekend.

Al deze stoffen zijn te isoleren en naast elkaar te leggen.
Op zeker ogenblik worden deze stoffen van mijn lichaam los gemaakt: ont-bonden”. Wanneer mijn lichaam aan de natuur wordt overgelaten, isoleert deze mijn stoffelijkheid.

Maar dat gebeurt pas, wanneer ik ben gestorven. Wanneer ik niet meer leef. Dan wordt het woord uit de Prediker waar: „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.“

LEVEN
We weten niet wat het is en hoe het er is gekomen.
We weten alleen dat het er is zo lang we leven.
Daar we niet in stof  uiteenvallen als we leven, moet dit leven iets te maken hebben met het bijeenhouden van mijn lichamelijkheid. Dit geldt ook voor de andere rijken in de natuur die leven: de planten en de dieren.

HÈT VRAAGSTUK:
Is leven een eigenschap van de materie; of is het „iets“ zelfstandigs, dat de materie vormt en gestalte geeft.

Tot nu toe hebben we met het leven wel de stof; met de stof niet het leven.

Als ik Steiners visie volg, moet ik hier spreken over een vormkrachtencomplex. Zekere krachten die de stoffelijkheid bijeen houden.

LEIB/LIJF
In het Duits wordt het woord Leib gebruikt, i.t.t. Körper; in het Nederlands „lijf“ i.t.t. lichaam, waarbij dit laatste etymologisch verwant is aan „lijk“-“lic”de stoffelijkheid zonder leven (likdoorn); het eerste: het leven, zoals we dat nog kennen in woorden als lijfrente; lijftocht enz.

We kunnen „leven“ niet zien; we ervaren het; voor ieder van ons is het een werkelijkheid: we leven immers!
Dat zou m.i. aanleiding moeten zijn tot het accepteren van het feit dat er een realiteit is die het waarnemen met de gewone zintuigen te bovengaat.

Het leven hebben wij gemeen met de planten en de dieren.
Het kenmerkt zich vooral door groei en voortplanting.
De uitwerking van de levensactiviteit in de materie is zichtbaar.

GEWAARWORDINGEN
Niet zichtbaar zijn de gewaarwordingen die hiermee samenhangen, ze worden wel door iedereen ervaren: wij hebben onze hongergewaarwordingen; er is een drang tot voortplanten. We kunnen het lijstje aanvullen met allerlei woorden die behoren bij al datgene wat ligt in de sfeer van instinct, drift en begeerte. Deze zijn beleefbaar als gevoelens, nog sterk verbonden met het leven; het vegetatieve. Er gaat een grote dwang vanuit. Het handelen dat ermee gepaard gaat, is in hoge mate een „moeten“, dus onvrij.

ZIEL
Wij kunnen ons als mens alleen op basis van onze lichamelijkheid manifesteren. Als de gewaarwordingen afhankelijk zijn van het levend-stoffelijke in ons, betekent dit, dat dit levend-stoffelijke onze gewaarwordingen begrenst. Als ik blind ben zijn mijn kleurgewaarwordingen minder intens, of zelfs geheel afwezig, dan wanneer ik over goed ziende ogen beschik.

Om de ziel te karakteriseren werd er gesproken over een vermogen om de buitenwereld tot eigen wereld, binnenwereld te maken en de binnenwereld weer naar de buitenwereld te uiten; kortom: te handelen.

Toen ik bij de bakker even in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en besluiten: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.

Als we over “ziel” spreken, hebben we het over “iets” dat met de gewone zintuigen niet waarneembaar is. We kunnen niet anders dan ons bedienen van woorden die betrekking hebben op wat wel met de gewone zintuigen waarneembaar is.

Als we zeggen “de ziel is” spreken we onszelf al meteen tegen, want de ziel IS niet, zoals een arm of been is. De ziel pendelt voortdurend , als een stroom, tussen denken en handelen.

Om iets van de ziel te begrijpen, is het nodig om veel te karakteriseren. Maar dat moet wel uitmonden in vastere definities. Anders liggen de misverstanden op de loer.

GEWAARWORDINGSZIEL
Omdat we bij onze gewaarwordingen iets beleven, onze binnenwereld ervaren, is er, de omschrijving van ziel volgend, van “ziel” sprake: gewaarwordingsziel.

VERSTANDS-GEMOEDSZIEL
Toen ik bij de bakker even in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en besluiten: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.

Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen: gewaarwordingsziel

We onderscheiden deze als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed-onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv.programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit.

Dat is het gevoel op het weiland; de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat heb ik eerder geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest, die we ook de wereld van de waarheid, of –heden kunnen noemen, in ons op.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden aan het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen.

Wanneer de bewustzijnsziel in mij tot volle ontwikkeling komt, wanneer ik zoveel geest in mij heb opgenomen, wordt er gesproken over „geestzelf“, een volgend stadium heet „levensgeest“ en het derde stadium „geestmens“. Deze drie blijven hier voorlopig onbesproken; ik noem ze alleen om te laten zien, dat ook de geest drievoudig kan worden opgevat.

Zo kan men de mens zien, niet alleen als een drieledig wezen, maar tevens als een negenledig wezen; wanneer de gewaarwordingsziel meer bij het lichamelijke wordt gezien en de bewustzijnsziel meer bij het geestelijke kan men ook spreken over een zevenledige mens.

Rudolf Steiner:
„Kommen Sie über die Illusion hinweg, dass Sie ein begrenzter Mensch sind.“

“Laat de illusie dat U als mens beperkt bent, achter U” [1]

[1]GA 294
Vertaald in het Nederlands:
Opvoedkunst, methodisch-didactische aanwijzingen
Uitgeverij Christofoor
ISBN: 9060381866

vervolg

DE DRIELEDIGE MENS (1)

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (1)

In ‘Theosofie’ [1] geeft Steiner een voorbeeld van iemand die over een weiland loopt.
Die iemand had ik kunnen zijn. Ik wandel veel en loop dan vaak over begroeide weilanden, zoals laatst nog, over een met veel paardenbloemen.

Met mijn ogen neem ik de plant: de groene blaadjes, de gele bloemen en/of grijze pluizenbollen waar. Ze staan daar , buiten mijn toedoen. Ik vind ze mooi; ik geniet van zo’n geel veld. Door dit gevoel is er een band ontstaan tussen mij en die bloemen.

De boer, die diezelfde bloemen daar liever niet had zien groeien, heeft, door ze te zien, ook een gevoelsband gekregen, die heel anders is dan de mijne.

Een jaar later loop ik weer over dat zelfde weiland. Er groeien weer paardenbloemen, al zijn het niet de bloemen van vorig jaar. Opnieuw word ik er blij van.Ik herinner mij dat ik er vorig jaar ook al zo vrolijk van werd. Die herinnering is er, zonder dat de bloemen van het vorige jaar er zijn.

Maar de paardenbloemen van het vorige jaar, zijn toch precies hetzelfde als de paardenbloemen van dit jaar. En als ik ze verleden jaar grondig bestudeerd heb en van alles gevonden over hun groei en bloei, dan vind ik, bij bestudering nu, al dat, wat ik al gevonden had, weer opnieuw.

De boer zal er nog steeds de p over in hebben, dat ze daar staan, maar als hij ze bestudeerd zou hebben, dan waren we tot dezelfde kennis over de paardenbloem gekomen en we zouden kunnen voorspellen dat onze kennis het jaar daarop waarschijnlijk niet zou zijn veranderd, omdat de paardenbloem zo is gebleven als ze is.

Deze ervaring leert ons:

 WE STAAN OP DRIEËRLEI MANIER IN DE WERELD

DE WERELD OM ONS HEEN
We vinden een ons gegeven wereld. Deze wordt in de antroposofie vaak beschreven als de fysiek/lijfelijke wereld.

ONZE BINNENWERELD
We hebben onze eigen binnenwereld-onze gevoelens: onze emoties; onze ziel.

DE INHOUD VAN DE WERELD OM ONS HEEN
In mijn voorbeeld: de “wereld” van de paardenbloem: hoe die groeit enz.-het wezen van. Dat wordt de wereld van de geest genoemd.

Uit dit soort ervaringen kan ik niet anders dan de conclusie trekken dat ik:

met mijn fysiek/lijfelijke zintuigen: ogen, oren, neus enz. de wereld om me heen waarneem-me er via mijn zintuigen mee verbindt;

dat ik een binnenwereld heb, waarmee ik gevoelsbelevingen heb die verschillen van iemand anders zijn beleving, dus puur mijn belevingen zijn;

en dat ik een wereld kan leren kennen die ook gegeven is, die echter niet gelijktijdig met het waarnemen door mijn fysiek/lijfelijke zintuigen wordt weergegeven; een wereld die ik kan zoeken of niet; een wereld die er is, onafhankelijk van mijn gevoelsbelevingen, of ik deze nu mooi of lelijk vind.

BEGRIPSBEPALING

Om te weten wat de begrippen lichaam, ziel en geest inhouden, dienen ze duidelijk omschreven te worden.

LICHAAM
Alles wat we in de wereld aan stoffelijkheid vinden dat buiten ons toedoen daar is gekomen. De “gegeven”wereld. De wereld die we aantreffen.

ZIEL
Een innerlijke kracht die het ons mogelijk maakt de buitenwereld tot onze eigen wereld te maken; tot onze eigen aangelegenheid.

GEEST
De wereld van de wetmatigheden, de waarheden. Hoe de ons gegeven wereld in elkaar zit; de ideële inhoud van de stoffelijke wereld

TUSSEN TWEE WERELDEN

Als het ervarende wezen mens sta ik enerzijds in verbinding met de stoffelijke wereld; anderzijds kan ik mij openstellen voor die wereld van wetmatigheden, waarheden enz. die hier geestelijke wereld wordt genoemd.

Ook mijn vader, die niet meer leeft, hield van paardenbloemen; na zijn dood was de paardenbloem zoals deze is, er nog steeds en ook na mijn dood zal deze er nog wel op dezelfde manier zijn. Zo sta ik als ervarend wezen dus tussen het kort-tijdelijke: de paardenbloem van dit voorjaar-al weer afgestorven; en die van het veel langer durende: de inhoud van de paardenbloem. Een beetje poëtisch zou ik willen zeggen: zo sta ik als mens tussen het vergankelijke en het eeuwige: tussen de stof en de geest.

[1]GA 9
Vertaald in het Nederlands:
Theosofie
Uitgeverij Christofoor
ISBN: 9789060385159

vervolg