Categorie archief: wetenschap

Bewustzijn en hersenen

.

BEWUSTZIJN EN HERSENEN
.

Al tijden breken de mensen zich het hoofd over wat bewustzijn toch is, of niet is.
Om meer licht op het vraagstuk te werpen, kan antroposofie een inspiratie zijn.

Een open deur is, dat wij als mens niet aanspreekbaar zijn – we antwoorden in ieder geval niet – wanneer we niet wij bewustzijn zijn, dus wanneer we slapen of bewusteloos zijn.

Zijn wij ons bewustzijn?

Je hoeft maar naar iemand te kijken die bewusteloos is en je weet het antwoord; lichamelijk is deze mens nog aanwezig, dus valt hij niet samen met zijn bewustzijn: anders was hij er helemaal niet meer.

In dit opzicht zijn we wél ons brein: als dit uit ons weggenomen zou worden, gaan we dood (als het uit ons weggenomen wordt voor wetenschappelijk onderzoek, zijn we al dood). 
Maar dat geldt ook voor alle levengevende en -ondersteunende organen: ons hart, de longen, de lever enz. We zeggen er in feite niets mee, dat we ons hart zijn, maar ook niet dat we ons brein zijn.

Denken – voelen – willen

Met zijn verdeling in denken, voelen en willen geeft Steiner ons een instrument in handen om veel genuanceerder naar de mens te kijken. 
Door deze begrippen van alle kanten te karakteriseren en te benoemen met steeds weer nieuwe namen en het belichten van net weer een andere aspecten, komen we bij een karakterisering van: 

Wakker – dromen – slapen

Of bewust – onbewust – onderbewust. Maar ook: geest – ziel – lichaam en  zet je de karakteriseringen onder elkaar:

Denken          voelen          willen
Wakker         dromen        slapen
geest              ziel                lichaam
bewust          onbewust    onderbewust

dan gaat het bij bewustzijn om denken, om wakkerheid, om ‘iets geestelijks’.

Trouw-columnist Bert Keizer – worstelend met de al eeuwen oude controverse ‘stof – geest’, dus ook met ‘hersenen en denken’, gaat niet meer zover als men eeuwen geleden ging: ‘de hersenen scheiden gedachten af, zoals de lever de gal’.
Hij doet een opvallende uitspraak: ‘bij het onderzoeken van het brein (op de snijtafel) is nog nooit een gedachte gevonden.’
Hiermee is voor Keizer ook duidelijk dat wij niet ons brein kunnen zijn, want ook ‘wij’ worden in het versneden brein niet aangetroffen.
Maar de vervolgconclusie trekt hij niet: als ik mijn gedachten in het brein niet aantref, waar zijn ze dan?
En een antwoord zou kunnen zijn: Dan zijn ze aanwezig zonder dat ik ze zie of kan pakken, o.i.d., m.a.w. dan zijn ze bovenzintuiglijk.

‘Bovenzintuiglijk’ – ‘de’ wetenschap

Ik schrijf hier bewust ‘de’ wetenschap, want ‘de’ wetenschap, bestaat die wel?
En wat doet die wetenschap – wat doen de wetenschappers, want ‘wetenschap’ is op zich niets: er moeten mensen zijn die de wetenschappelijke inhouden verwoorden – we moeten dus zeggen: wat doen sommige wetenschappers? 
Ze hebben ideeën, ze uiten gedachten: ze vertrouwen hun ‘bovenzinnelijks’ toe aan het papier en maken het daarmee letterlijk zichtbaar. 
Om vervolgens te beweren dat het onzichtbare geen realiteit is!
Zeggen ze daar dan mee, dat wat ze opgeschreven hebben, geen realiteit is?

Discrepantie
Hiermee komt eigenlijk een grote discrepantie aan het licht.

De Stichting Bewustzijn en Wetenschap

Nu lijkt er een veranderende houding te ontstaan die de Stichting Bewustzijn en Wetenschap als volgt verwoordt:

‘De Stichting Bewustzijn en Wetenschap verbindt twee pijlers (van het bestaan) die in de huidige tijd los van elkaar zijn komen te staan: wetenschap en bewustzijn. Bewustzijn is meer dan een emergente [spontaan optredende] eigenschap van fysische hersenprocessen. Bewustzijn is van invloed op materie, niet alleen andersom. Acceptatie en begrip van deze wisselwerking zal ons helpen om een zinvollere en duurzame wereld te creëren.’

Een van de bestuursleden is Sarah Durston. In een interview in het dagblad Trouw zegt ze o.a.:

De materialistische manier van kijken die we in de wetenschap heilig hebben verklaard is waanzinnig succesvol geweest en heeft veel opgeleverd.” Maar nu loopt die tegen haar grenzen op. We moeten op een andere manier gaan kijken.”
“Als wetenschapper had ik in toenemende mate dat knagende gevoel, dat we door alleen maar te kijken naar de hersenen, genetische factoren en een beperkt aantal omgevingsfactoren eigenlijk voorbijgaan aan iets heel belangrijks. Dat gaat over de essentie van wie wij als mens zijn. Maar in de wetenschap is dat taboe. Met onze huidige manier van kijken hebben we ons rot gezocht in ons brein naar bewustzijn, maar vinden we er eigenlijk geen verklaring voor. Wat is bewustzijn? Wat betekent het om bewustzijn te hebben? Dat is een van de grote kernvragen waar we nu voor staan, en die is met onze huidige manier van wetenschappelijk denken niet te beantwoorden.
Trouw, 30-06-2020

Zij heeft het hier over het ‘hebben van bewustzijn’.
Als we de taal serieus nemen, en wat zou het voor belachelijke gedachte zijn dat niet te doen, terwijl we die de hele dag bezigen – we zouden daarmee toch verklaren dat we de hele dag met onze taal niets serieus menen – dan komen we ook uit bij het woord ‘bewusteloos: ‘loos’ als ‘zonder’, maar ook ‘los van’.
En dat roept vanuit de taal de vraag op, dat als het bewustzijn ‘los’ van mij kan komen, waar het dan is. 
En dan ligt een antwoord voor de hand dat nog niet veel zegt: elders.
Maar daarmee heb ik het bewustzijn wel gekarakteriseerd als iets bestaands dat ik niet kan waarnemen met de gewone zintuigen, wetend dat het een realiteit is.

Steiner geeft een vergelijking: de snaren op een viool hebben het a.h.w. in zich dat ze klank kunnen geven. Maar er zal een vioolspeler moeten zijn die de snaren bespeelt. Uit zichzelf brengen ze geen klank voort.
Uit zichzelf brengen de hersenen geen bewustzijn voort. Het bewustzijn is er echter wel: wordt het geen tijd om ‘bewustzijn’ als een niet-zintuiglijke realiteit te accepteren?

In de ‘Algemene menskunde’ GA 293 voordracht 2, weidt Steiner uit over ‘de voorstelling’. Naar aanleiding daarvan schreef ik hier:

Met de opkomst van de natuurwetenschap is het denken over de mens zich steeds meer gaan richten op de stoffelijke kant. ‘Wij zijn ons brein’ is niet eens zo nieuw als je het in dezelfde sfeer plaats van ‘de mens een machine‘ – het l’homme machine’ van de Lamettrie uit 1748. 

O.a. in GA 326/19  beschrijft Steiner dat deze visie in de loop van de ontwikkeling van de mensheid noodzakelijk was om tot vrijheid te kunnen komen; in de 1e voordracht van deze cursus, GA 293, dat het voor de nieuwe tijd om andere inzichten gaat. [1-4] blz. 19

Bij ‘de mens als machine’ behoort ook de bekende uitspraak: ‘de gedachten worden net zo door de hersenen afgescheiden als de gal door de lever’. Iets dergelijks is nog steeds de opvatting, getuige ‘wij zijn ons brein’.

Ook al is het voor velen wel invoelbaar dat ‘gedachten’ niet van dezelfde orde zijn als ‘gal’ – hier zie je iets van het ‘cogito’ (geen zijnde) dat gelijkgesteld wordt aan ‘gal’ (wel een zijnde) – toch vinden de meeste mensen het niet vreemd om te zeggen dat we met onze hersenen denken en dat daar dus dan de gedachten wel geproduceerd zullen worden. ‘Gebruik je hersenen, je grijze cellen, je verstand’ koppelen we toch – min of meer onbewust – aan ons brein.

Steiner probeert ons te laten zien hoe we daar naar kunnen kijken.

Wanneer het gaat om ‘dit produceren van gedachten door de hersenen’ zegt hij in GA 348: 

Also nicht dazu haben wir unser Gehirn, daß wir Verstand erzeugen. Das ist ja ein großer Unsinn, wenn wir glauben, daß wir Verstand erzeugen. Wenn wir glauben, daß wir Verstand erzeugen, so ist das gerade so dumm, wie wenn einer mit einer Wasserkanne geht und aus einem Teich Wasser schöpft, dann mit der Wasserkanne kommt und dann sagt: Sieh einmal an, da drinnen ist jetzt Wasser; du hast gesehen, vor einer Minute war noch keines drinnen: aus dem Blech ist das Wasser herausgewachsen! Da wird ein jeder sagen: Das ist ein Blödsinn! Der war eben beim Teich und hat sich Wasser geholt; das ist nicht aus der Kanne herausgewachsen! – Aber die Gelehrten zeigen das Gehirn auf, das einfach auch den Verstand zusammensammelt, weil er überall ist, wie das Wasser, und sie behaupten, aus dem Innern wachse der Verstand heraus! Das ist genau so dumm, wie wenn man sagt, das Wasser wachse aus der Wasserkanne heraus, weil der Verstand auch dort ist, wo kein Gehirn ist. Ebenso ist der Teich nicht abhängig von der Wasserkanne. Der Verstand ist überall da. Schöpfen kann ihn der Mensch, den Verstand. Und geradeso wie man in der Wasserkanne das Wasser benützen kann, so kann der Mensch, wenn er den Verstand, der überall in der Welt ist, wie das Wasser, zusammensammelt, eben sein Gehirn benützen.  

Dus, we hebben onze hersenen niet om er verstand mee te produceren. Het is echt grote onzin om te geloven dat we verstand produceren. Als we geloven dat we verstand produceren is dat net zo dom als iemand die met een waterkan wegloopt naar de vijver, daar water schept en dan terugkomt en zegt: ‘Kijk, hier zit nu water in; je hebt zelf gezien dat dit er een minuut geleden niet in zat: het water is uit het ijzer van de kan gekomen.’ Dan zou iedereen zeggen: ‘Wat een onzin. Hij is naar de vijver gelopen en heeft water gehaald. Dat is niet uit die kan zelf gekomen!”
En nu laten de geleerden de hersenen zien die slechts een verzamelplaats zijn voor het verstand dat overal aanwezig is, net als het water en nu beweren zij dat uit het inwendige het verstand ontstaat. Dat is net zo dom als wanneer je zegt: ‘Het water komt uit die kan, omdat het verstand overal is, ook waar geen hersenen zijn. Net zo min is de vijver afhankelijk van de waterkan. Het verstand is overal. De mens kan het putten. (Het Duits heeft hier ‘schöpfen’, dat ‘opscheppen, opdoen, verkrijgen’ betekent en ook gebruikt wordt voor ‘een luchtje scheppen’ dus uit de omgeving iets opnemen). En net zoals je in de waterkan het water kan gebruiken, zo kan de mens, wanneer hij het verstand in zich verzamelt dat overal in de wereld aanwezig is, zoals het water, dus zijn hersenen gebruiken.
GA 348/205      
Niet vertaald

Bewustzijn is van invloed op materiezegt de Stichting ‘Bewustzijn en Wetenschap’. 
Dat lijkt een voorzichtig begin, maar zal zij ooit Steiner kunnen gaan nazeggen:

Men ziet niet in hoe al het stoffelijke vanuit de geest gevormd wordt en hoe al het geestelijke eigenlijk zich gelijktijdig manifesteert als iets fysieks.

Man sieht nicht, wie alles Physische aus dem Geistigen heraus plastiziert wird, und wie alles Geistige im Grunde ge­nommen in diesem physischen Leben gleichzeitig sich offenbart nach der anderen Seite als ein Physisches.
GA 301/238
Vertaald/238

Deze uitspraak is met ‘soortgelijke’ te vinden op: Rudolf Steiner – wegwijzers, nr.98 met verwijzingen naar andere vindplaatsen.

.

Om meer greep te krijgen op deze materie legt Arie Bos in zijn beide boeken:

Hoe de stof de geest kreeg
Mijn brein denkt niet, ik wel

met wetenschappelijk aanvaarde feiten, een fundamentele basis.

.

Rudolf Steiner: Algemene Menskundealle artikelen

Rudolf Steiner en de vrijeschool: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

Orgaantransplantatie

 

Beste volger van deze blog,
Ik heb hier lange tijd niets gepubliceerd. Mijn meeste aandacht gaat naar mijn blog ‘Vrijeschoolpedagogie‘ 
De artikelen over o.a. ‘menskunde’ die ik daar zelf schrijf, zijn alle geïnspireerd door Steiners visie op de mens.

Ik heb nog een aantal artikelen in mijn bezit van schrijvers die zich eveneens laten inspireren door de antroposofie waardoor er gezichtspunten ontstaan voor vraagstukken waar we deze tijd mee hebben te maken. Nu bijv. de ‘donorregistratie’.



Jaap van de Weg, Jonas, nadere gegevens onbekend

0RGAANTRANSPLANTATIE

méér dan een kwestie van geven en nemen

Transplantatie van organen en weefsels is een al jaren ingeburgerde en geaccepteerde praktijk. Van publicitaire opschudding rond dit thema is alleen nog sprake wanneer een nieuwe techniek bekend wordt gemaakt. Of wanneer een orgaan dat tot dat moment nog nooit was getransplanteerd, voor de eerste keer bij een patiënt wordt geïmplanteerd. Hoogstens is er soms nog discussie over schaarste aan donororganen en/of de ethiek van de (eventuele) selectie van patiënten die voor een orgaantransplantatie in aanmerking zouden komen. De techniek zélf lijkt niet meer ter discussie te staan en is in medisch-ethische zin over het algemeen aanvaard. Steeds meer mensen lopen met een codicil op zak waarin ze te kennen geven dat na hun dood eventueel organen of lichaamsdelen voor transplantatiedoeleinden mogen worden gebruikt.

Uit onderzoek blijkt echter dat er een discrepantie bestaat tussen het aantal mensen dat zégt zijn/haar lichaam voor de donatie van organen ter beschikking te willen stellen, en het aantal potentiële donoren dat ook daadwerkelijk een donorcodicil bij zich draagt. Voor dit verschijnsel zijn meerdere verklaringen denkbaar. Zo zouden veel mensen pas daadwerkelijk tot donatie bereid zijn, wanneer ze in naaste familie- of kennissenkring met het probleem van de orgaanschaarste zijn geconfronteerd. Anderen bereiken dat punt pas wanneer ze ondervonden hebben hoe de kwaliteit van het leven van een bekende aanzienlijk verbeterde door een orgaantransplantatie. Ook het (onbewuste) argument dat men door het dragen van een donorcodicil (ongewenst) aan de eigen sterfelijkheid wordt herinnerd, wordt wel eens genoemd als verklaring voor de hier vermelde discrepantie.

Vraag

In de meeste onderzoeken en enquêtes op dit gebied wordt ook wel vermeld dat er bij mensen bezwaren leven die gebaseerd zijn op een religieuze en/of godsdienstige overtuiging. Er zijn mensen – en dat niet alléén in deze laatstgenoemde categorie – die zich de vraag stellen; ‘Hoe zit dat met Geest of Ziel, als een mens die heeft?’. Dat de gangbare onderzoeken weinig of niet op dit specifieke punt ingaan, zal er wel mee samen hangen dat de onderzoeker de betreffende vraag niet stelt, omdat deze niet wordt gekend (herkend). En wat men zelf niet kent, kan men ook niet bij anderen herkennen en bevragen. In de gesprekken die ik gevoerd heb met mensen die organen of hun lichaam ter beschikking wensten te stellen, was ik vanuit mijn antroposofische achtergrond vaak wél in dit aspect geïnteresseerd. Bij navraag blijkt bij een aantal mensen hierover ‘ongerustheid’ te bestaan of op zijn minst een behoefte aan beeldvorming. Ik wil hier een kleine bijdrage leveren aan de beeldvorming rond transplantatie vanuit de biologie van de mens. Ik doe dit dan op basis van het antroposofisch mensbeeld, althans zoals ik dat interpreteer.

De transplantatiegeneeskunde is niet alleen een medisch-technologisch gegeven. Net als bij zaken als genetische manipulatie worden zowel het welslagen als de effecten van dergelijke technieken geïnterpreteerd vanuit het gangbare mensbeeld, vanuit de invalshoek van de reguliere wetenschap. De transplantatietechniek wordt dan gezien (bewust of onbewust, expliciet of impliciet) als een bevestiging van de ‘bouwsteengedachte’. De mens is immers, zo luidt ongeveer dat standpunt, opgebouwd uit onderdelen (organen, weefsels, cellen, etc.) en onderdelen zijn in principe vervangbaar. Kijk maar, het werkt toch zo, wordt dan meegedeeld aan degene die verdedigt dat het geheel van een levend organisme meer is dan een optelsom van onderdelen. Zoals zo vaak, is het maar hoe je het bekijkt, hoe je standpunt is, je paradigma. Het menselijk embryo vertelt een heel ander verhaal. In de loop van onze ontwikkeling verschijnen de (onder)delen uit het geheel. Het geheel, het levende tijdsorganisme dat een mens óók is, is primair, de (onder)delen zijn daar secundair afgeleiden van. Dat een onderdeel vervolgens vervangbaar is, bewijst nog niet dat het ‘bouwstenen-concept’ het enig juiste is; dit past evengoed in het concept dat het menselijk organisme dé eenheid van menselijk leven is en dat het organisme een eenheid van geest én lijf is (kan zijn).

Identiteit

Bovendien is iets daarvan in de menselijke biologie ‘afleesbaar’, althans voor degene die dat zo wil zien. Ieder mens beschikt over een identiteit. In psychologische zin wordt dat onze individualiteit, ons ‘Ik’ genoemd en in de gangbare psychologie wordt een dergelijke ‘kern’ ook meestal wel erkend. Ieder mens beschikt echter ook over een biologische of somatische (lichamelijke] identiteit. Zodra in ons lichaam iets wil binnendringen dat ‘lichaamsvreemd’ is; wordt dat systematisch door datzelfde lichaam herkend en vervolgens ‘ontkend’, hetgeen erop neer komt dat wij dergelijke lichaamsvreemde substanties afbreken en/of uitstoten. Onze spijsvertering is in principe ook hierop gebaseerd. In plaats van de sinaasappel te worden die wij eten, maken wij de lichaamsvreemde substanties hieruit neutraal om ze vervolgens als ‘lichaamseigen’ te kunnen incorporeren. Die lijfelijke identiteit hebben we niet bewust onder controle. Dat in de gangbare biologie ons ‘immuun- of afweersysteem’ als zetel van deze identiteit wordt gezien, is hier nu niet relevant. Men zou kunnen stellen, dat ons ‘Ik’ zich ondermeer ook manifesteert in het volstrekt individuele stempel dat op de menselijke ‘lijf-substanties’ wordt gedrukt en dat bijvoorbeeld herkenbaar is in het proces van de immuniteit en afweer. Ik zal dit aanduiden als het ‘biologische Ik’ (in het antroposofisch mensbeeld de Ik-astraal-organisatie genoemd). De menselijke biologie laat echter eveneens zien dat ons lichaam, wat dat betreft, toch ook weer niet ‘een pot nat’ is. Het blijkt dat we kennelijk niet overal in ons lichaam in dezelfde mate als biologische identiteit of individualiteit aanwezig (of inwezig?) zijn. Het volgende voorbeeld kan dat verduidelijken.

Wanneer een mens ongeveer vijf à zeven dagen oud is – gerekend vanaf de conceptie – nadert het nog nietige lichaam van de ongeboren mens het slijmvlies van de baarmoeder. Vervolgens treedt het proces van nidatie (innesteling) op. Voor het verder voortbestaan van de ‘nieuwe’ mens is het namelijk noodzakelijk dat deze binnendringt in de lijfelijke integriteit van de moeder, namelijk in de slijmvlieswand van de baarmoeder. Het betreffende proces bestaat uit het oplossen van de begrenzing van het baarmoederslijmvlies. Hierna ‘nestelt’ de vrucht zich in het daartoe voorbereide weefsel van de baarmoederwand en wordt geaccepteerd! Dit feit verdient hier bijzondere aandacht omdat het in de regel, zoals hierboven uiteengezet, juist niet gebruikelijk is dat een mens in zijn lijf van een ander mens afkomstig weefsel aanvaardt zonder dat er afstoting optreedt. En in het geval van een innestelend embryo wordt in feite het héle lijf van een andere mens geaccepteerd, zelfs nog gedurende relatief lange tijd daarna. Zou van het embryo in kwestie, indien opgegroeid tot een volwassen individu, een orgaan of weefsel naar het lichaam van de betreffende moeder worden getransplanteerd, dan zou op grond van verschil in identiteit dat weefsel c.q. orgaan door de moeder als
‘lichaamsvreemd’ worden herkend en worden afgestoten.

‘Ik-lege’ ruimte

Hetgeen zich afspeelt rond de nidatie (innesteling) van een nieuwe mens, kan men dus beschrijven (en interpreteren) als een terugnemen van het ‘biologische Ik’ van de moeder. Zij houdt als het ware haar eigen identiteit op die plaats terug, en creëert daarmee een ‘Ik-lege’ ruimte waarin de nieuwe mens wortelen kan. Modern onderzoek heeft aangetoond dat in de baarmoeder inderdaad sprake is van een zogenaamde ‘bevoorrechte plaats’ (‘priviliged site’), een soort vrijplaats. De barrière die normaliter door het ‘biologische Ik’ ter plaatse van het baarmoederslijmvlies wordt gelegd, wordt teruggenomen. Dat in dit geval ook invloeden van het zich innestelend embryo meespelen doet voor het bééld niet ter zake. Het gaat hier om een biologisch gebaar dat voorbeeldig genoemd kan worden voor het ‘ontvangen’. Treedt deze terughouding niet op, dan wordt de aankomende mens niet geaccepteerd. Men neemt tegenwoordig aan dat op dit verschijnsel menige onvruchtbaarheid of miskraam is gebaseerd. Het geheel speelt zich af in de stofwisselingsorganisatie van de mens en is (vooralsnog) niet met bewust willen (wensen) of accepteren te beïnvloeden. Hoe confronterend het misschien ook mag klinken: in biologische zin is er géén sprake van ‘Baas in eigen buik’. Evenmin mag men de onvruchtbare vrouw ‘nawijzen’ voor het feit dat zij onvoldoende in staat is haar identiteit terug te nemen ten behoeve van de te ontvangen mens. Het gaat hier immers om processen die met het willen/wensen in de bewustheid niets van doen hebben. Het helaas weer zo sterk in het gangbare denken om zich heen grijpende ‘eigen schuld, dikke bult’-principe slaat in dit geval nergens op. Het zou goed zijn wanneer de gangbare ‘medische-schuld-gevers’ zich eens wat terughoudender opstelden en eens beter nadachten over wat schuld eigenlijk is. Maar dit terzijde.

In het menselijk lichaam zijn er echter plaatsen, regio’s waar de gehechtheid van dat ‘biologische Ik’ kennelijk veel losser, afstandelijker is. Veel losser gemaakt, is een betere uitdrukking. Volgens de antroposofische visie zijn er organen, regio’s of zones in het lichaam, waarvan de hogere, geestelijke wezensdelen van de mens (het ‘Ik’) zich gedurende de (embryonale) ontwikkeling via een dóórgevoerd vormproces losmaken. Zo’n orgaan wordt als het ware bijna ‘losgelaten’ uit de levende samenhang van het menselijk lichaam. Nadat geestelijke orgaanvormende krachten het betreffende orgaan gevormd hebben, kunnen deze zich verregaand van de biosfeer en het fysieke losmaken en ten dienste komen van zielenprocessen. Zulke organen worden gekenmerkt door a-vitaliteit (dit betekent bijvoorbeeld dat de cellen niet meer kunnen delen en dus herstelgroei niet meer kan optreden) en een sterk vorm-karakter. Voorbeelden zijn: hersencellen, nier, rode bloedlichaampjes en cornea (hoornvlies). Hierin bestaan verschillende gradaties. Zo is zenuwweefsel veel a-vitaler dan bloed-weefsel, maar zijn cellen in het centrale zenuwstelsel dan weer sterker dan cellen in zenuwknopen dicht bij de stofwisselingsorganen. Rode bloedlichaampjes zijn weer te beschouwen als a-vitale pool binnen de op zich zelf weer vitale sfeer van het bloedorganisme. Het is voor dit betoog van belang dat men zich realiseert dat dergelijke organen – hoewel als een soort geïsoleerde eilanden in ons lijf afgezonderd – wel degelijk de signatuur van geestelijke vormkrachten (het ‘Ik’) dragen. Na door deze vormkrachten te zijn gevormd en ‘bestempeld’, hebben deze krachten zich teruggetrokken. Men zou kunnen zeggen dat dergelijke organen en weefsels naderen aan de toestand die zich voor het gehele menselijke lichaam voordoet wanneer een mens sterft. Losgelaten door de hogere wezensdelen, sterft het fysieke lichaam uit de levend-geestelijke samenhang. Pas als een mens sterft, is er sprake van een ‘echt’ fysiek lichaam.

Op deze manier beschouwd, laat het zich begrijpen dat dergelijke organen over het algemeen sterk aan het fysiek-mechanische niveau naderen en zelfs bijna een apparaatachtig karakter krijgen. Het gaat hierbij dan wel om de ‘onderkant’ van het orgaan: geesteswetenschappelijk bezien speelt de (zielen-) functie van zo’n orgaan zich (inmiddels) op een ander, niet-fysiek niveau af. Ook wordt hieruit begrijpelijk dat het juist deze organen zijn geweest die in de geschiedenis van de geneeskunde als eerste voor transplantatie in aanmerking kwamen. Zo is een hoornvlies bijvoorbeeld niet doorbloed. Dat betekent dat zelfs het anatomische contact met (één van de) dragers van de biologische identiteit van de ontvangende mens, onder andere gerepresenteerd in het bloed, is uitgesloten. Het hoornvlies (cornea) laat zich dan ook relatief ‘gemakkelijk’ uit de samenhang van het (donor)lichaam halen; het ‘overleeft’ – mede dank zij het a-vitale karakter ervan – de buitenlijfelijke toestand redelijk goed en kan in het ontvangende lichaam weer een plaats vinden in een toch al enigszins ‘buiten-lijfelijke’ situatie, die immers voor het hoornvlies kenmerkend is.

Chemisch geweld

Bij bijna alle andere organen (nier, hart) treedt echter in het lichaam van de ontvanger direct herkenning van het ‘anders-zijn’ op. Hier moet dan ook de situatie worden nagebootst die zo-even bij de innesteling is beschreven. De individualiteit van de ontvanger dient teruggedrongen te worden, anders gaat het ‘biologische Ik’ tot afbraak en afstoting over. In de gangbare geneeskunde staan daartoe een aantal geneesmiddelen ter beschikking die een zogenaamd immuun-suppressieve (afweer-onderdrukkende) werking hebben. Dat wil zeggen dat met chemisch geweld het lichaam (liever: de identiteit, het ‘IK’) van de ontvanger gedwongen wordt zich terug te houden. Dragers van een getransplanteerd hart of nier dienen (meestal levenslang) dergelijke geneesmiddelen in te nemen. Daaraan zijn bijwerkingen verbonden die voor een deel ook in de psychische sfeer liggen. Deze bijwerkingen zijn per persoon echter heel verschillend in manifestatie en ernst en worden afgewogen tegen de winst aan ‘kwaliteit van leven’ die de transplantatie met zich meebrengt, bijvoorbeeld het feit dat de wekelijkse nierdialyse(n) niet meer nodig zijn. Men kan stellen dat de transplantatie op zich op het fysieke orgaanniveau geen ingreep is in de ‘boven-fysieke’ organisatie (lees: geest, ziel) van de mens. Grofweg aangeduid kan men stellen dat een ‘lijk’ wordt overgeplant. Wanneer echter sprake is van immuniteits-onderdrukkende chemische middelen, dan raakt de transplantatie in ruimere zin wél aan het niveau van de hogere wezensdelen: deze worden met geweld gemanipuleerd om zich niet te manifesteren. Dit in tegenstelling tot de situatie zoals die zich voordoet bij de ‘bevoorrechte plaatsen’ in ons eigen lichaam of in het geval van een innesteling: hier gaat de activiteit van het zich-terug-houden van de hogere wezensdelen, van het ‘biologische Ik’ zélf uit.

Er zijn ook veel transplantaties waar het terugdringen van de identiteit van de ontvanger geen rol speelt. Dat lijkt paradoxaal, maar in dat geval gaat het om het overplanten van weefsel dat tijdelijk als drager van de lijfelijk-fysieke organisatie dient. Bijvoorbeeld bij een bloedtransfusie of bij de huid-of bottransplantatie gaat het om het overbrengen van weefsel dat na enige tijd vervangen wordt door eigen weefsel van de ontvanger. Het gedoneerde weefsel wordt afgebroken en vervangen: het gaat om tijdelijke vervanging op het fysieke niveau. Dat men bij deze ‘transplantaties’ zorgvuldig zoekt naar een zoveel mogelijk passende donor, berust op de overweging dat bij al te grote verschillen in identiteit van weefsel de (afweer)reacties van de ontvanger ook in dit geval heftig kunnen zijn met alle (ziekmakende) gevolgen van dien.

Eigenschappen verliezen

Welke conclusies zijn hieuit te trekken?. De transplantatie zelf (in engere zin) speelt zich op het ‘onderste’ niveau van de menselijke organisatie af. Degene die organen ‘afstaat’ na zijn/haar overlijden (kan men na de dood nog wel iets afstaan?) doneert delen van het fysieke lichaam. Dat dergelijke weefsels vaak ‘in leven’ moeten en kunnen worden gehouden, zegt nog niets over individualiteit. Het is bekend dat levend weefsel uit de samenhang van een levend organisme verwijderd en in een kunstmatige omgeving in leven gehouden, de neiging heeft om te dé-differentiëren, dat wil zeggen zijn eigenschappen te verliezen. Dit kan gezien worden als een bevestiging van het gegeven, dat in het organisme krachten van hogere systemen (orde) de weefsels in de juiste orde houden en dat deze ‘orde’ niet in het orgaan of weefsel zelf zit. Zelfs ‘levenskrachten’ zijn dus niet individueel, maar krijgen in een organisme hun individuele afdruk van een hoger niveau. Eenmaal uit de samenhang van een individueel organisme raakt het orgaan het contact met de hogere ‘orde’ kwijt. Dat het stempel van die hogere orde in de vorm van erfelijke kenmerken van dat weefsel als een soort fysieke afdruk herkenbaar is en door het ontvangende organisme als ‘lichaamsvreemd’ wordt herkend, is daarmee niet in strijd. In geestelijke zin wordt er echter geen ziel of geest ‘mee-getransplanteerd’.

Zoals zo vaak spelen de oogverblindende successen van de gangbare geneeskunde zich ook hier op het fysieke niveau af, hetgeen niet hoeft uit te sluiten dat men ze als zodanig hanteert of waardeert. Over de mens als geestelijk wezen zeggen zij echter niets. Daar heeft de gangbare wetenschap ook geen toegang. Het vrijwillig accepteren van lichaamsvreemd weefsel – ons eigen lijf en de gebeurtenissen rond de nidatie vertellen, dat de mens met zijn hogere wezensdelen daartoe in staat is – is niet haar domein. Alleen met manipulatie (biochemie) kan zij daar dwingende effecten bereiken. Vele vragen blijven nog over. Bijvoorbeeld hoe werken die geneesmiddelen dan in op het zielen-geesteswezen van de mens? Zijn deze werkingen schadelijk en is een eventueel effect misschien niet meetbaar in déze incarnatie maar wellicht wel van invloed op het ‘inzicht’ waarmee we bij een volgende incarnatie een voor ons passende lijfelijkheid opbouwen? Zulke vragen vallen buiten het bestek van dit betoog en buiten de deskundigheid van de schrijver, evenals de aard van de eventuele
karmische relaties die ontstaan (of bestaan?) tussen donor en ontvanger en de kwaliteit daarvan.

Prothese

Ik heb hier willen aantonen dat ook in het antroposofisch mensbeeld ervan kan worden uitgegaan dat de mens in de ‘onderkant’ van zijn viergelede organisatie aan het fysieke niveau nadert. Dat het hart te vervangen is door een prothese, geeft alleen degene die niet verder wil kijken, ‘gelijk’ in de stelling: ‘het hart is dus toch een gewone mechanische pomp’. Het is niet ‘hét’ hart dat wordt getransplanteerd of vervangen. ‘Hét’ menselijke hart is méér dan het fysiek-zichtbare alleen. De mens is in staat in zijn organisatie zó diep tot het fysieke door te dringen – of liever zich met het fysieke zó ver in te laten – dat genoemd misverstand voor de hand ligt, ja zelfs een deel van de werkelijkheid is. De gangbare geneeskunde werkt, grijpt in op dit niveau. Als dat niveau geen werkelijkheidskarakter had, zou de gangbare geneeskunde niet eens kunnen bestaan.

Wel is het zo dat manipuleren aan het fysieke of fysiek-etherische niveau altijd een dwingend karakter heeft voor de hogere wezensdelen. Manipuleren aan genen moet wel dwingen tot veranderingen in het organisme. Niet, omdat men in dat geval de oorzaak van bijvoorbeeld eigenschappen zou hebben gevonden. Het gen speelt in het geheel van het tot licht komen van erfelijke eigenschappen geen oorzakelijke rol, maar de rol van (noodzakelijke) voorwaarde. Maar zoals zo vaak neemt men ook hier de voorwaarde voor een zaak voor de zaak zélf. Het geestelijke dwingt mijns inziens niet, maar nodigt uit en is daarmee afhankelijk van de voorwaarden, gecreëerd in de lagere niveaus. De acceptatie van een getransplanteerd orgaan is er een van dwang, van manipulatie en een karikatuur van de acceptatie zoals bijvoorbeeld bij de innesteling zichtbaar is. Dat neemt niet weg dat het vrij staat de manipulatie van het fysieke niveau ook te hanteren als mogelijkheid voor verwerkelijking. Dat dit niet geheel vrijblijvend is in het geval van de ontvanger is ook duidelijk, evenals dat het voor de donor (post mortem) geen consequenties in geesteswetenschappelijke zin lijkt te hebben.

.

Het hart een pomp?

Over het hart

Algemene menskunde: alle artikelen

 

 

 

 

 

 

 

.

 

Als de mens er niet zou zijn…….

.

In zijn boek: “Labyrint Europa” haalt de schrijver Cees Nooteboom Maarten ’t Hart aan uit diens essay ‘De kritische afstand” waarin ’t Hart zegt dat het verschil tussen mens en dier berust op het feit dat de mens de enige diersoort is waarvoor geldt dat het voor alle andere diersoorten een geweldige zegen zou zijn als hij zou afsterven.

Met Maarten ’t Hart zijn er velen die de mening zijn toegedaan dat als er op onze aarde geen mensen zouden leven, de natuur in een perfecte staat zou zijn.

Geen vervuiling, geen ontbossing, geen bedreigde dier-en plantensoorten enz.

Vanuit een bepaalde optiek is voor zo’n mening veel te zeggen.

Steiner:
Stelt u zich eens voor dat u een echte moderne natuurwetenschapper de vraag stelt hoe zou het met de natuur gesteld zijn wanneer de mens er niet was? (Dus die vraag stellen we aan Maarten ’t Hart, gedragsbioloog):
Hij zou natuurlijk eerst wat gechoqueerd zijn, omdat de vraag hem vreemd zou voorkomen. Inmiddels dus niet meer. Maar dan zou hij zich erover bezinnen welke gegevens de wetenschap hem voor de beantwoording van deze vraag verschaft en hij zou het volgende zeggen: ‘Dan zouden er op aarde mineralen, planten en dieren zijn, alleen de mens zou er niet zijn; vanaf het begin, toen de aarde zich volgens de theorie van Kant en Laplace nog in de oernevel bevond, tot op heden zou de ontwikkeling van de aarde precies zo zijn verlopen als zij gegaan is – alleen de mens zou niet in die ontwikkeling voorkomen.’ Een ander antwoord zou er eigenlijk niet uit kunnen komen. Hij zou misschien nog kunnen toevoegen dat de mens het land bebouwt en omploegt en zo het aardoppervlak verandert, of dat de mens machines construeert en daardoor veranderingen teweegbrengt, maar dat is slechts gering in vergelijking met de andere veranderingen die door de natuur zelf worden teweeggebracht. De natuurwetenschapper zou in ieder geval zeggen dat zich mineralen, planten en dieren zouden ontwikkelen, zonder dat de mens daarbij aanwezig was.

Dat is niet juist. Zou de mens namelijk niet in de evolutie van de aarde bestaan, dan zou ook een groot deel van de dieren niet bestaan; want een groot deel van de dieren – met name de hogere dieren — is alleen in de loop van de aardeontwikkeling ontstaan doordat de mens genoodzaakt was zijn ellebogen te gebruiken, figuurlijk gesproken natuurlijk. De mens moest in een bepaalde fase van zijn ontwikkeling op aarde uit zijn eigen wezen, waarin zich toen nog geheel andere elementen bevonden dan nu, de hogere dieren afzonderen, de mens moest ze van zich afscheiden om zelf verder te kunnen komen. Ik zou dit met het volgende willen vergelijken. Stelt u zich een mengsel voor waarin iets opgelost is en stelt u zich dan voor dat deze opgeloste substantie neerslaat en zich op de bodem afzet. Zo was de mens in zijn vroegere ontwikkelingsstadia met de dierenwereld verbonden en heeft hij later de dierenwereld als een neerslag afgescheiden. De dieren zouden in de aardeontwikkeling niet de dieren zijn geworden die ze nu zijn wanneer de mens niet zo had moeten worden als hij nu is. Zonder de mens in de aardeontwikkeling zouden de dieren en de aarde heel andere vormen vertonen dan nu het geval is.

Maar laten we nu een blik werpen op de wereld van mineralen en planten. We dienen goed te beseffen dat niet alleen de lagere diersoorten, maar ook de wereld van mineralen en planten al lang verstard zouden zijn, zich niet meer verder zouden ontwikkelen, wanneer de mens niet op aarde was. Wederom moet men vanuit het huidige wereldbeeld, dat gestoeld is op een eenzijdige opvatting van de natuur, zeggen: goed, de mensen sterven en hun lichamen worden verbrand of begraven en daarmee aan de aarde overgegeven, maar dat heeft voor de ontwikkeling van de aarde niets te betekenen. Want wanneer de aardeontwikkeling geen stoffelijke overschotten van mensen zou opnemen, dan zou de ontwikkeling dezelfde lijn volgen als nu, nu ze dat wel doet.

Maar dat betekent dat men zich er volstrekt niet bewust van is dat het voortdurende overgaan van stoffelijke overschotten van mensen in de aarde, onverschillig of dat gebeurt door cremeren of begraven, een reëel proces is dat doorwerkt.

De boerinnen op het land weten nog beter dan de vrouwen in de stad dat voor het bakken van een brood gist nodig is, hoe weinig ook; ze weten dat het brood niet zou rijzen wanneer er geen gist in het deeg zou zitten. Evenzo zou de aardeontwikkeling allang in de eindtoestand zijn terechtgekomen, wanneer niet voortdurend de krachten van de menselijke lijken, die door de dood gescheiden worden van de geestziel, zouden overgaan in de aarde. Door deze krachten, die de aarde voortdurend ontvangt doordat stoffelijke resten van mensen aan haar worden overgegeven, dat wil zeggen door de krachten die in de lijken huizen, wordt de evolutie van de aarde in stand gehouden. Dit bewerkstelligt dat mineralen hun kristallisatievermo­gen nu nog ontplooien – wat ze zonder die krachten allang niet meer zouden doen; ze zouden allang zijn verbrokkeld, zijn op­gelost. Dit bewerkstelligt ook dat planten die anders allang niet meer zouden groeien nu nog floreren. En dit geldt ook voor de lagere diersoorten. De mens schenkt zijn lichaam aan de aarde als ferment, als gist als het ware, voor de verdere ontwikkeling.

Daarom is het niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. Het is gewoon niet waar dat de aardeontwikkeling van mineralen, planten en dieren ook voortgang zou vinden wan­neer de mens er niet bij was! Het proces van de natuur is een eenheid, een gesloten proces waar de mens bijhoort. Men heeft alleen een juiste voorstelling van de mens, wanneer men be­denkt dat de mens, zelfs wanneer hij dood is, deel uitmaakt van het kosmische proces.
Dit bewerkstelligt dat mineralen hun kristallisatievermo-gen nu nog ontplooien – wat ze zonder die krachten allang niet meer zouden doen; ze zouden allang zijn verbrokkeld, zijn opgelost. Dit bewerkstelligt ook dat planten die anders allang niet meer zouden groeien nu nog floreren. En dit geldt ook voor de lagere diersoorten. De mens schenkt zijn lichaam aan de aarde als ferment, als gist als het ware, voor de verdere ontwikkeling.

Daarom is het niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. Het is gewoon niet waar dat de aardeontwikkeling van mineralen, planten en dieren ook voortgang zou vinden wanneer de mens er niet bij was! Het proces van de natuur is een eenheid, een gesloten proces waar de mens bijhoort. Men heeft alleen een juiste voorstelling van de mens, wanneer men bedenkt dat de mens, zelfs wanneer hij dood is, deel uitmaakt van het kosmische proces.

Na deze gedachten zal het u niet verwonderen, wanneer ik ook nog het volgende zeg. Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt in de fysieke wereld, wordt hij omhuld met zijn fysieke lichaam. Maar natuurlijk is het fysieke lichaam anders wanneer men het als kind ontvangt dan wanneer men het op zekere leeftijd door de dood weer aflegt. Dan is er iets gebeurd met het fysieke lichaam. Dat kan slechts plaatsvinden doordat dit lichaam doordrongen is van de krachten van geest en ziel. We eten tenslotte allemaal wat de dieren ook eten, niet waar? Dat wil zeggen: we veranderen de stoffen uit de buitenwereld zoals de dieren dat doen, maar bij ons werkt er iets mee wat de dieren niet hebben, iets wat uit de geestelijke wereld afdaalt om zich met het menselijk lichaam te verbinden. Wij doen daarom iets anders met de stoften dan dieren of planten. En de stoffen die in de stoffelijke overschotten van mensen in de aarde overgaan zijn gemetamorfoseerd, ze zijn anders dan wat de mens ontving toen hij geboren werd. Daarom kan men zeggen dat de mens de stoffen en ook de krachten die hij bij de geboorte ontvangt, tijdens zijn leven vernieuwt en ze gemetamorfoseerd weer afstaat aan het aardeproces. De stoffen en krachten die de mens bij zijn dood aan het aardeproces afstaat zijn niet dezelfde als welke hij bij zijn geboorte ontvangen heeft. Daardoor draagt de mens aan het aardeproces dus iets over wat via hem voortdu­rend uit de bovenzinnelijke wereld het fysiek-zintuiglijke aar­deproces binnenvloeit. De mens brengt bij zijn geboorte iets uit de geestelijke wereld mee naar de aarde; dat wordt opgenomen in de stoffen en krachten die zijn lichaam tijdens zijn leven formeren en dat wordt na zijn dood door de aarde opgenomen. Daardoor is de mens het medium waardoor voortdurend bo­venzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de zin­tuiglijke, fysieke wereld. U kunt zich dat zo voorstellen, dat er uit de bovenzinnelijke wereld voortdurend iets als het ware naar beneden regent op de zintuiglijke wereld, maar dat deze druppels volstrekt onvruchtbaar zouden blijven voor de aarde wanneer de mens ze niet in zichzelf zou opnemen en ze via zichzelf aan de aarde zou doorgeven. Met deze druppels die de mens bij zijn geboorte in zich opneemt en bij zijn dood weer afstaat, bevruchten bovenzinnelijke krachten de aarde voortdu­rend en daardoor wordt het evolutieproces van de aarde in stand gehouden. Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood.

ga-293-blz-55

Hoewel de gezichtspunten van Van’t Hart niet per se tot een negatieve, uitzochtloze stemming hoeven te leiden – hoewel: de mens moest er eigenlijk niet zijn – als ik de gezichtspunten van Steiner op me in laat werken en naar zo’n schets kijk waaruit spreekt dat er een ‘eeuwig’ komen en gaan is, dat het ertoe doet dat je er bent, dan roept dat wel meer de stemming op om het op aarde ‘zo goed mogelijk’ te doen.
GA 293/52ev
vertaald/53ev

 

De wereld stelt ons voor vele vragen. Wat is het antwoord op al die vragen? Het antwoord is: de mens. De wereld stelt ons voor raadsels en dan staat daar: de mens. Hij is een synthese, een samenvatting en vanuit de mens treedt ons de oplossing van het wereldraadsel tegemoet.

Steiner: wegwijzer 137

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

Antroposofie en wetenschap: de maan

.

In

Antroposofie en wetenschap: de maan

Er is een nieuw krantenartikel toegevoegd, met daarin de opmerkingen dat aarde- en maanstenen dezelfde samenstelling blijken te hebben.

 

 

anderen over WETENSCHAP – alle artikelen

[1] Hersenloze betweterij
Wetenschapsjournalist van Maanen over de onzin van ‘materialistisch ‘gedrag

[2Dokter zijn, is meer dan een slecht werkend lichaamsdeel
ver­vangen.”
Jan van Gijn, arts: let op samenhang geest-lichaam

[3] Wij zijn onze geest
Prof. van Praag: wij zijn niet ons brein

 

 

antroposofie en wetenschap?

Antroposofie en wetenschap: de maan

Rudolf Steiner heeft in verschillende voordrachten gesproken over het ontstaan van de maan, zoals wij die nu als planeet waarnemen. In zijn boek ‘Geheimwissenschaft im Umriss’ [1]  heeft hij erover geschreven.

De context waarin dit gebeurde is steeds de ontwikkeling van de mens en de kosmos.

Voor Steiner staat vast dat de ontwikkeling van de kosmos tot doel heeft: de wording van de mens.

Dat ‘hogere machten’ de krachten achter deze ontwikkeling zijn.

Van de fysieke verschijningsvormen in de wereld zegt hij dat deze ‘uitdrukking zijn van een hoger principe’, van geest, zodat ‘materie de zichtbaar geworden geest’ wordt genoemd.

Niet zo eenvoudig allemaal, vind ik.

Nu is ‘ziel’ ook zo’n ‘hoger’ principe. Hoger, in de zin van ‘niet met de gewone zintuigen waarneembaar’. Plezier hebben, kunnen we niet waarnemen; je bedroefd voelen, ook niet. Maar lachen, als gevolg van het plezier, wel: het gezicht vertoont heel andere trekken dan wanneer het huilen je nader staat dan het lachen.

Met deze ervaringen vind ik het niet zo moeilijk om ‘uitdrukking zijn van een hoger principe’, te aanvaarden als een gezichtspunt dat niet a priori verworpen hoeft te worden.

Ook niet dat de stof iets uitdrukt van een hoger principe.

Ook gedachten zijn fysiek niet waarneembaar. Ideeën die we hebben kunnen we echter wel ‘belichamen’, m.a.w. in stoffelijke voorwerpen omzetten. Zo beschouwd zijn deze voorwerpen uitdrukking geworden van de idee – van iets wat behoort bij de geestesgesteldheid, bij ‘geest’.

Zoals prof.Luijpen al zei: ‘Voor de wetenschap zijn meisjes niet ‘lief’, omdat ‘lief’ geen ingrediënt is van de natuurwetenschap, waar alleen ‘maat, gewicht en getal gelden.

Voor de natuurwetenschap bestaan er geen ‘hogere principes’ in de zin van niet met de gewone zintuigen waarneembaar.

We kunnen dus van de natuurwetenschap ook niet verwachten dat deze de ontwikkeling van ons zonnestelsel bestudeert met op de achtergrond de gedachte dat alle stoffelijkheid een uitdrukking is van ‘iets hogers’.

Dat is nog geen bewijs voor het feit dat er niet ‘iets hogers’ zou kunnen zijn.

Zie bijv. de discussie tussen Deepak en Mlodinow [2]

En ook niet dat deze ontwikkeling er is om ‘de mens’ mogelijk te maken.

Het was, volgens Steiner, noodzakelijk dat er uit de wordende aarde een deel zou worden afgezonderd, opdat positievere krachten zouden kunnen werken, nadat de negatieve en de ontwikkeling remmende krachten, met het uitstoten van de ‘maan’substantie dan waren verdwenen.

 

GA 354
Der Mond war einmal in der Erde drinnen! Was da draußen als Mond herumkreist, war in der Erde drinnen und hat sich von ihr ab­getrennt, ist hinausgegangen in den Weltenraum.

Onze huidige maan maakte ooit deel uit van de aarde. Ze heeft zich van de aarde afgescheiden en is in het wereldruim terecht gekomen.

 

Boeiend vind ik nu, om te kijken wat er vanuit de natuurwetenschap wordt gevonden:
AMSTERDAM – Is de maan ontstaan toen de aarde 4,5 miljard jaar geleden even overkookte in een uit de hand gelopen inwendige kernreactie? Twee Nederlandse onderzoekers denken daarvoor aanwijzingen te hebben. In het maandblad Natuurwetenschap & Techniek dat deze week (begin 2007) verschijnt, beweren ze dat dit het ontstaan van de maan beter verklaart dan de gangbare theorie: een botsing van de oeraarde met een onbekende andere planeet. Daarvoor lijken de maangesteenten bijvoorbeeld te veel op die van de aarde. Volgens de Groningse nucleair-fysicus Rob de Meijer en de Amsterdamse petroloog Wim van Westrenen bevinden zich binnenin de aarde op de overgang van de aardmantel naar de aardkern op zo’n 3.000 kilometer diepte zoveel uranium en thorium dat er kernreacties kunnen optreden. Volgens hun berekeningen kan dat miljarden jaren geleden hebben geleid tot een plaatselijke oververhitting. Daardoor werd een deel van de gesteenten gasvormig, en brak los als een bel materiaal, die in de ruimte weer condenseerde. Sindsdien bevindt die zich in een baan om de aarde. Volgens Meijer herbergt de aarde nog steeds zo’n natuurlijke kernreactor in haar binnenste.
Interessant is de opmerking <<bel materiaal>> en Steiners opmerking in GA 354:

Sehen Sie, wenn wir diese lebendige Bildung der Erde da neh­men (siehe Zeichnung), so trat das ein, daß sich eines Tages von die­ser Erde wirklich, man kann schon sagen, ein Junges bildete, das in den Weltenraum herausging. Diese Sache geschah so, daß da ein kleiner Auswuchs entstand; das verkümmerte da und spaltete sich zum Schluß ab. () Und in diesem Körper kann man, wenn man nicht mit Vorurteil, sondern mit richtiger Untersuchung an die Sache herangeht, den heutigen Mond erkennen.

Kijkt u eens, wanneer we deze actieve vorming van de aarde hier zetten (zie tekening links), ging het zo, dat op een dag vanuit deze aarde werkelijk, je kan zeggen, een jonger deel werd gevormd dat in de wereldruimte terechtkwam. Dat voltrok zich zo dat een klein uitgroeisel ontstond; dat verstierf daar en splitste zich uiteindelijk af. ( ) En in dit lichaam kan je, wanneer je niet met vooroordelen, maar door het goed op de zaak in te gaan, de huidige maan zien.
GA 354/36
niet vertaald

Steiner tekende op het bord:

GA 354 36

 

In het Eindhovens Dagblad van 26-04-2006 stond:
Het was feest gisteren bij Koningshof voor de Amsterdamse geoloog Wïm van Westrenen. Hij kreeg tijdens het jaarlijks Nederlands Aardwetenschappelijk congres in Veldhoven de felbegeerde Vening Meineszprijs uitgereikt.

Een beetje oneerbiedig zou je dr Wim van Westrenen een tikkel­tje ‘maanziek’ kunnen noemen. De maan is namelijk op het ogenblik zijn voornaamste werkterrein. In fi­guurlijke zin, natuurlijk, want veldwerk op onze satelliet zit er voor de 32-jarige Amsterdammer uiteraard voorlopig niet in. ‘„Mijn fascinatie voor de maan dateert al van toen ik nog heel jong was”, vertelt de onderzoeker. „Ik vond ruimtevaart altijd heel boeiend – wilde ook dolgraag as­tronaut worden.”

Die droom bleek te hoog gegre­pen, maar Van Westrenen kan intussen wel stukjes maan in het laboratorium bestuderen. Dat komt doordat hij zich sindsdien bekwaamd heeft in de geologie, ‘aardwetenschap’. En niet zo’n beetje ook, want gisteren werd hij in Veldhoven door zijn collega’s geëerd als ‘meest belo­vende jonge aardwetenschapper’ in ons land met de zogenaamde Vening Meineszprijs. De prijs, groot 10.000 euro, is in 1962 ingesteld door geologieprofessor Felix Vening Meinesz om onderzoekskosten te betalen voor jonge geologen in ons land. Het lijkt op het eerste gezicht misschien een beetje vreemd dat eenaardwetenschapper’ de maan bestudeert, maar zo raar is dat feite­lijk helemaal niet, legt Van Westrenen uit.

Botsing
‘Heel lang geleden’, vertelt hij„maakte de maan deel uit van de aarde. Maar een botsing met een passerende planeet van het for­maat van Mars in de begintijd van het zonnestelsel, meer dan vier miljard jaar geleden, heeft hem als het ware uit de aarde wegge­scheurd.”

En dat maakl de maan voor een aardwetenschapper bijzonder inte­ressant, zeker als die, zoals Van Westrenen, in het bijzonder geïnteresserd is in de ontstaansge­schiedenis van planeten in het al­gemeen.

Juiste tijd
Wat dat belieft is hij in de juiste tijd geboren. Tot voor kort kon­den geologen als het ging om het bepalen van algemene wetmatigheden met betrekking tot planeet vorming eigenlijk maar één voor­beeld echt goed bestuderen. Dat was natuurlijk de aarde zelf. Maar zelfs van een afstand kon­den sterrenkundigen intussen waarnemen dat onze ‘zusterplaneten’, Mars en Venus, blijkbaar een heel andere geschiedenis hebben gehad. Dankzij de ruimtevaart kunnen ook die verre buren tegen­woordig nauwkeurig worden be­studeerd.

„De vier ‘binnenplaneten’, Mercurius, Venus, de aarde en Mars, lij­ken inderdaad op min of meer de­zelfde manier gevormd te zijn”, zegt Van
Westrenen. Het zijn alle vier planeten die zijn samengesteld uit gesteente. Maar verder zijn ze totaal verschillend. Mercurius heeft geen dampkring en wordt verzengd door de zon.

Venus daarentegen heeft juist een heel dikke dampkring, met tempe­raturen van meer dan vierhon­derd graden.

Mars is een kale, koude steen­klomp met een ijle atmosfeer. Al­leen de aarde biedt een voor het le­ven aangenaam klimaat. „Hoe die verschillen zijn ont­staan, weten we nog altijd niet precies”, aldus de onderzoeker. „Wat we wel weten, is dat de aar­de als enige planeet geologisch nog altijd zeer actief is. De aarde kent het verschijnsel plaattektoniek, waarbij het aardoppervlak als het ware is opgedeeld in grote platen van gesteente die ronddrij­ven op een vloeibare kern. Het schuren en botsen van die platen zorgt op onze planeet voor ver­schijnselen als aardbevingen en vulkanisme.”

„Vermoedelijk hebben onze ‘zu-terplaneten’, Mars en Venus, in het verre verleden ook plaattektoniek gekend, maar is die daar tot stilstand gekomen toen het vloei­bare water op het oppervlak ver­dween. Verondersteld wordt na­melijk dat het schuiven van de aardse platen wordt vergemakke­lijkt door water dat als ‘smeermid­del’ dient.”

Onprettig
Hoewel plaattektoniek een boeiend verschijnsel is, heeft zij een voor geologen onprettige bijkomstigheid, legt van Westrenen uit: „Door al dat geschuif wordt het aardoppervlak eigenlijk voort­durend gerecycled. Daardoor vind je op aarde geen rotsen meer die echt uit het begin van de geschie­denis van onze planeet dateren. Als je, zoals ik, uitgerekend die vroege geschiedenis wilt bestude­ren, heb je dus een probleem.” Maar geen nadeel zonder voor­deel, want nu komt de rampzalige botsing waarbij de maan miljar­den jaren geleden uit de aarde werd losgescheurd, goed van pas. „De maan was gelogisch vrij snel uitgewoed”, zegt de onderzoeker. „Daardoor is het gesteente wat je er aantreft min of meer hetzelfde als de rotsen waaruit de jonge aar­de was samengesteld. Als je naar de geologische samenstelling van de maan kijkt, kijk je dus eigen­lijk naar een stukje heel jonge aar­de.”

Van Westrenen was dan ook opge­togen toen de Amerikaanse presi­dent Bush drie jaar geleden een ‘terugkeer naar de maan’ aankon­digde. Want de Apollo-astronauten mogen dan wel een paar hon­derd kilo maangesteente mee naar de aarde hebben genomen, de geologen zijn daar na meer dan dertig jaar wel op uitgekeken. „Al die stenen komen maar van een paar plekken”, aldus de geo­loog. „En we willen natuurlijkook wel het een en ander weten van andere plekken op de maan.”

 door MARTIjN HOVER

Ik schreef de heer van Westrenen en noemde de uitspraak van Steiner.

Zijn antwoord:

Dank voor uw uitgebreide bericht. Het ontstaan van de Maan houdt mensen
al bijzonder lang bezig, zowel binnen als buiten de wetenschap. Zoals u
zult begrijpen doe ik dat op een andere manier dan die van de heer Steiner
– ik vind mijn werk dan ook zeker geen rechtstreekse verwijzing naar zijn
uitspraken. Ook merk ik op dat Steiner zeker niet de eerste was die dacht
dat de Maan een stukje aarde was. Ook George (zoon van Charles) Darwin had hier midden jaren 1850 al (wetenschappelijke) artikelen over geschreven.
Ik houd me nog steeds bezig met het ontstaan en de evolutie van de Maan,
het blijft uitermate fascinerend dat we nog steeds niet weten hoe dit
precies in zijn werk is gegaan. Niet onverwacht is onze alternatieve
hypothese nog zeer verre van geaccepteerd door collega’s. Dat hoeft ook
niet – het gaat er vooral om dat er nieuwe ideeën nodig zijn, dit soort
zaken verandert niet van de ene op de andere dag.

Met vriendelijke groet,

Wim van Westrenen

Intussen gaan de discussies en onderzoeken door. In ‘Nature’ werd de laatste stand van zaken als volgt weergegeven:

maan ontstaan 1

 

(uit Nature)

Op 30-01-2016 verscheen dit bericht in Trouw:

Aarde moet frontaal op andere planeet zijn geknald
De aarde is, toen zij nog piepjong was, frontaal op een andere planeet geknald. Die planeet, Theia, spatte daardoor uit elkaar. Uit de brok­stukken ontstond de maan, maar de resten zijn ook opgezogen door de aarde. Met andere woorden: de aarde bestaat eigenlijk uit twee pla­neten.

Een groep wetenschappers con­cludeert dat in wetenschapsblad Science. Zij geven daarmee steun aan een van de theorieën over het ont­staan van de aarde.

Het was al langer bekend dat er een botsing tussen de aarde en Theia moet zijn geweest. Dat zou ongeveer 4,5 miljard jaar geleden zijn gebeurd, toen de aarde 100 mil­joen jaar was. Maar het was niet duidelijk hoe de botsing ging en wat daarvan terug te vinden is.

Om het verleden te achterhalen, keken de onderzoekers naar de chemische ‘vingerafdruk’ van ze­ven stenen die astronauten hadden meegenomen van de maan. Die ver­geleken ze met zes vulkanische ste­nen uit het binnenste van de aarde. De stenen waren helemaal gelijk aan elkaar, wat betekent dat ze de­zelfde afkomst moeten hebben.

Om dat mogelijk te maken, moet er bij de botsing een enorme kracht zijn vrijgekomen. Daaruit leiden de onderzoekers af dat de knal tussen de aarde en Theia frontaal moet zijn geweest.,

Een andere theorie is dat Theia destijds langs de aarde is gescheerd. Daarbij zou de planeet in stukken zijn gescheurd. De resten zouden in een baan rond de aarde zijn geko­men, wat wij nu zien als de maan. Maar in dat geval zouden de stenen op de maan moeten verschillen van de stenen op aarde, omdat ze een andere afkomst hadden, (anp)’

Interessant aan zo’n artikel is enerzijds dat de wetenschappers speculeren: een aantal keren is te lezen ‘moet frontaal zijn geknald’,’moet zijn geweest’, ‘moet zijn vrijgekomen’. En een feit dat vaststaat: Om het verleden te achterhalen, keken de onderzoekers naar de chemische ‘vingerafdruk’ van ze­ven stenen die astronauten hadden meegenomen van de maan. Die ver­geleken ze met zes vulkanische ste­nen uit het binnenste van de aarde. De stenen waren helemaal gelijk aan elkaar, wat betekent dat ze de­zelfde afkomst moeten hebben.

 

zie ook;   en hier; en hier

[1] vertaald
[
2] Botsende wereldbeelden

WAT STAAT OP DEZE BLOG

ANTROPOSOFIE: WETENSCHAP? 
Antroposofie is geen ‘weegschaal’wetenschap; of ze dan per definitie géén of pseudowetenschap is, is de vraag.

ANTROPOSOFIE EN WETENSCHAP
Over het ontstaan van de maan

ANDEREN OVER WETENSCHAP
Alle artikelen
Wat als de mens er niet zou zijn

DRIELEDIGE MENS (1) lichaam, ziel, geest
Begripsbepaling; mens tussen 2 werelden

DRIELEDIGE MENS (2) lichaam, ziel, geest-vervolg
Meer begripsbepaling

DRIELEDIGE MENS (3) lichaam, ziel, geest-vervolg
Leven, gewaarwordings-verstand/gemoeds-bewustzijnsziel

DRIELEDIGE MENS (4)denken, voelen, willen
Voorstellen/denken; handelen/stofwisseling. Getekend schema

HART EEN POMP? 
Is het hart meer dan een pomp? En wat is dat “meer”? De wijsheid in de taal

ANDEREN OVER HET HART 
Alle artikelen

IK
Diepste kern; geweten; persoon

IK EN REÏNCARNATIE
Eigenheid geest/erfelijkheid. Grotere en kleinere levensritmen

ORGAANTRANSPLANTATIE

VIERLEDIGE MENS (1)
Het fysiek lichaam

VIERLEDIGE MENS (2-1)
Het etherlijf

VIERLEDIGE MENS (2-2)
Het etherlijf vervolg

VIERLEDIGE MENS (3-1)
Het astraallijf (1)

VIERLEDIGE MENS (3-2)
Het astraallijf (2)

VIERLEDIGE MENS (3-3)
Het astraallijf (3)

anderen over HET HART (7)

HET HART VAN DE WERELD.

Als het prachtige vierstemmige koor van Mozart weerklinkt, waarin de zon als “ziel van het wereldal” wordt bezongen, vindt dit in ons innerlijk een duidelijke weerklank.
Wij voelen, dat die benaming “ziel van het wereldal” iets weergeeft wat waar is.
En zonder meer is het voor ons aanvaardbaar, als in een dichterlijke vorm sprake van de zon als het “machtige wereld-hart”, zoals dit in een spreuk van Rudolf Steiner wordt gezegd, waarna dan het hart in ons lichaam “de bezielde mensenzon” wordt genoemd.

Hart en zon hebben iets met elkaar te ma­ken – het spontane gevoel geeft ons dit in. Maar wij vragen dan verder: hoe verhoudt zich die beeldentaal tot de werkelijkheid? En wat zegt de wetenschap -vooral de astronomie en de medische wetenschap-daarover?
Als wij op die vraag ingaan is het goed te beseffen, dat een antwoord in de huidi­ge zin nog niet zo lang mogelijk is.
Het onderzoek van de zon behoort tot die gebieden van de wetenschap, die in de laatste tijd een verrassende ontwikkeling hebben doorgemaakt. Daarom moeten ve­le voorstellingen die nog aan ’t begin van onze eeuw geldig waren worden losgelaten of een totaal nieuwe basis krijgen. Vijftig jaar geleden placht men te spreken van een gloeiende gasbol, die 150 miljoen kilometer van ons vandaan in het wereldal zweeft en door zijn verbrandingsprocessen de energie levert die de aarde als zonne­straling bereikt. Toen daarna het atoom polulair werd en men ontdekte wat voor reus­achtige voorraden aan energie door kern­splitsing en kernfusie kunnen worden ont­ketend, transponeerde men eenvoudigweg dergelijke voorstellingen naar de kosmos. Men maakte de zon nu in gedachten tot een gigantische reactor. In die gedaante spookt deze tot op heden door de litera­tuur, hoewel eigenlijk allang door nieuwe onderzoeksresultaten een totaal andere opvattting voor de hand ligt.

Reeds in de eerste twee decennia van onze eeuw heeft Rudolf Steiner herhaalde­lijk en nadrukkelijk erop gewezen, dat de toenmaals gangbare “heliofysica” zich op een dwaalspoor bevond. Hij betoogde dat geesteswetenschappelijke onderzoe­kingen tot geheel andere opvattingen om­trent de zon leidden en in dit verband ont­stond de benaming “negatieve ruimte”; hij meende dat men dat begrip exact wiskun­dig zou moeten uitwerken en nodig heeft voor één juiste opvatting van de hoedanig­heid van de zon. Destijds leken dergelijke gezichtspunten hoogst utopisch, ze leken een slag in het gezicht van de wetenschappelijke leer.

Dit is nu intussen grondig veranderd. Vooral sinds men is begonnen, satellieten in de wereldruimte te sturen en rekening te hou­den met de resultaten van waarnemingen daarmee, ontstond er een nieuw beeld van de zon dat met het vroegere ogenschijn­lijk in tegenspraak is. Steeds duidelijker bleek namelijk dat de zon niet met de gloei­ende “bol” identiek is, die het centrum van ons planetensysteem is. Vanuit dit middel­punt straalt inderdaad de zonneactiviteit. Maar de totale licht- en levensvloed stroomt in een zodanige mate uit in de om­geving dat men moet zeggen: de gehele in­terplanetaire wereld is naar alle kanten en onophoudelijk met zonnesubstantie gevuld. Dat betekent dan echter, dat de gehele ruimte van het planetensysteem bij de ster “zon” behoort. Wij hebben te maken met een ontzaglijk groot “licht-lichaam”, waar­mee het moedergesternte haar planetenfamilie omhult.

Bewoners van de zonneruimte.
Dit inzicht, dat ons wereldbeeld grondig verandert, komt zowel uit het Oosten als het Westen tot ons. Het hangt in de tweede helft van de eeuw blijkbaar “in de lucht”

De Amerikaanse heliofysicus Eugeno Parker herleidt de uitkomst van zijn onderzoekingen tot de eenvoudige, treffende formulering dat de zon “de ster is waarin wij leven”. Krijgt daardoor, als wij dat tot ons laten doordringen, ons totale levensgevoel niet een andere dimensie? Want wij worden ons ervan bewust, dat een ster ons vader­land is. Als wij “zon” zeggen, zou niet de voorstelling van een “zonnebol” ver van ons in de wereldruimte moeten opdagen, maar veeleer het besef moeten ontstaan van een “zonne-heelal”, waarbinnen wij met onze door de mensen bewoonde aar­de thuis horen.

hart blattmann 1

In die zin spreekt ook de Russische ge­leerde Alexander Tschishewski over het nieuwe wereldbeeld dat hij heeft ontdekt. Hij vraagt zich af: waar eindigt de zon? -en vindt het volgende antwoord: “voor de leek op het gebied van de astronomie lijkt het alsof de zon eindigt waar de rand van haar schijf zichtbaar is. Dit is echter een foute conclusie…”.
En nadat hij alle hier­op betrekking hebbende waarnemingsre­sultaten en argumenten heeft opgesomd, komt hij “tot de paradoxale conclusie… dat wij niet alleen op de aarde leven, maar ook nog bewoners van de zonneruimte zijn. ”
En verder; ,,ln werkelijkheid leven wij letterlijk middenin de zon. Het aldus geformuleerde inzicht betekent voor Tschishewski, dat hij een totaal nieuwe wetenschap moet opbouwen, de heliobiologie, waarin alle  biologie, waarin alle levensprocessen van het grote organisme “zon” met elkaar in verband worden gezien. Dit nieuwe onder­zoeksgebied wordt sindsdien in de Sovjet-Unie op vele universiteiten met grote inten­siteit aangepakt. De inaugurator ervan kreeg voor zijn baanbrekend werk talloze onderscheidingen.

De heliobiologie stelt zich tot doel, de samenhang tussen de afzonderlijke delen van het zonnestelsel en hun levensritmen na te gaan. Daarbij blijken verschijnselen, waarvan wij tot dusver meenden dat ze ver van elkaar verwijderd liggen, in een niet vermoede onderlinge wisselwerking te staan. Uiteindelijk kan men stellen: er bestaat geen proces op aarde (of op een andere planeet) dat niet met een dienovereenkomstig gebeuren synchroon verloopt dat wij aan (of in) de zon kunnen waarne­men. Dat is, als men er goed over nadenkt, helemaal niet zo verrassend. Want waar­om zou niet elke verandering in het totale levensorganisme van de “ster waarin wij leven” tot in alle uitlopers gevolgen met zich brengen? Elke straling, iedere vibra­tie, ieder zuchtje of elke golf, die van het centrum uitgaat, moet door de verst ver­wijderde planeten die tot het totale systeem behoren (en voor ons van het grootste belang: door de aarde) worden waargenomen en een reactie teweeg bren­gen. Dat is een logische gevolgtrekking. Er zijn reeds talloze voorbeelden waarin zulke overeenstemmingen zijn vastgesteld en bewezen. Een paar opschriften van hoofdstukken uit het verslag van Tschi­shewski door Felix Sigel, uit wiens boek hierboven werd geciteerd kunnen dit illustreren: daar is o.a. sprake van niet al­leen de “onzichtbare (magnetische) stor­men” die een weerspiegeling hebben in de “ritmiek van het Noorderlicht” en in “radiostoringen door de zon” merkbaar worden; “de zon pulseert in de aarde” niet alleen wat in weersverschijnselen en kli­maatsveranderingen tot uiting komt, waar­bij men een kroniek van “zonneritmen van de geschiedenis der aarde” kan opstellen; ook “kosmische relaties van de biosfeer” blijken zowel uit de “zonneritmen van de planten” als door “het veranderd gedrag van de dieren” en tenslotte in de werking van “natuurkrachten en ziekten”; zelfs “geheimen van de epidemieën”, “de weg van de cholera” en “de zwarte dood” (de pest) verschijnen in een nieuw licht. “Relaties van de griep met de zon” komen ook ter sprake; voorts gaat het boek over “de invloed op het bloed”, “werking op het hart”, “de zon heeft invloed op het zenuw­stelsel” en dat is eventueel “van belang voor de verkeerspolitie”.
Kortom: “de toe­komst van de heliobiologie” is een
onaf­zienbaar terrein.
Het is begrijpelijk, dat Fe­lix Sigel zijn boek de titel gaf: “Het komt door de zon”.
Met grote waarschijnlijkheid, eigenlijk zelfs met ijzeren consequentie moet men ech­ter ook in omgekeerde richting – van de af­zonderlijke delen naar de totaliteit van de “zonnester” een werking en afhankelijk­heid vaststellen. Want waarom zou niet in een levend organisme de subtielste trilling naar andere plaatsen in het geheel dóór­werken?
Waarom zou niet een kwetsuur, al is ’t maar de geringste aan de periferie, invloed hebben op de totaliteit – en aldus tenslotte ook “in het hart” worden waar­genomen? Want zoals het hart via de bloedsomloop met alle onderdelen van het  lichaam verbonden en daardoor in zeker opzicht alom tegenwoordig is, is het ook gesteld met de zon waarvan de lichtende substantie in de planetenkosmos uit­stroomt. De realiteit hiervan heeft met geniale intuïtie de dichter Morgenstern eens in een enkele zin samengevat: “Bloed is zon”.

Er bestaat niets, wat op de één of andere planeet (dus ook op de aarde) gebeurt, dat geen gevolgen en werkingen heeft in het gehele zonnesysteem. Hier ligt voor de we­tenschap nog een groot werkgebied. Wat echter op het eerste gezicht al duide­lijk wordt is: het besef van ons milieu wordt voor alles, wat er in die richting verder wordt ontdekt en onderzocht, ontzaglijk verruimd en verdiept.

Wereldhart en mensenzon.
Vérstrekkende nieuwe inzichten ontstaan er, als wij een blik werpen op de persoon­lijkheid van Alexander Tschishewski (1897-1964).
Zijn biografie vertoont een opmer­kelijke structuur. Wie deze biografie “leest” en interpreteert, ontdekt een fun­damenteel aspect. Al vroeg had de begaaf­de jongeman zijn bijzondere belangstelling op twee terreinen van de wetenschap tege­lijk gericht: hij wilde zowel de zon als de menselijke bloedsomloop onderzoeken. Zonder misschien zelf ten volle te besef­fen vanuit welke diepere oorzaak die twee onderwerpen met elkaar in verband staan, symboliseert voortaan zijn persoon en zijn werk hun eenheid. Inderdaad heeft hij op beide gebieden belangrijk werk verricht. Zijn door de wetenschap erkende “struc­turele analyse van het zich bewegende bloed” was de basis van de heliobiologie. Evenals onze voorstelling van de zon tegenwoordig moet veranderen geldt dat ook t.o.v. onze opvattingen omtrent het hart-bloedsömloopsysteem.
Wij zagen, dat de zon geen bolvormig lichaam in het centrum van het planetensysteem is. Wij zien haar als een totaliteit van uiterst heterogene, dikwijls wild fluc­tuerende toestanden, waar uitbarstingen van zonneplasma als machtige golven periodiek in de interplanetaire ruimte wor­den geslingerd, zodat stromingen en wolken van verschillende geaardheid en snel­heid elkaar op een gecompliceerde manier doordringen (aldus een verslag over resul­taten van waarnemingen d.m.v. satellieten).
Geldt iets dergelijks niet ook voor het hart? Ook hier is het niet terecht, het centrale holle orgaan geïsoleerd, laat staan als een pompende motor te beschouwen. De bloedsomloop is een gecompliceerd stromen en pulseren, dat uit de impuls van totale bewegingsenergie het organisme doorstroomt. Hoogst aanschouwelijk blijkt dit, als wij naar de embryonale ontwikke­ling kijken: de vloeistof, die wij bloed noe­men, ontstaat uit zichzelf, voordat nog de aanleg van een hart zichtbaar wordt; zij begint zelfs uit zichzelf te golven en te vloeien. Pas later daalt het hart als orgaan van boven af in dat bewegende gebeuren en neemt het de pulserende stroom in systole en diastole van zijn pulserende rit­miek op.

Eigenlijk zou met betrekking tot het hart een verwijding van het begrip nodig zijn zoals wij dat hierboven in verband met de zon hebben gevonden. Het geïsoleerde hart kan men niet als op zichzelf staand begrijpen; men moet het zien als een levend-functionele eenheid die verbonden is met de totale bloedsomloop. Men zou kunnen zeggen: het hart is net zo groot als het hele lichaam (want de bloedsomloop doordringt dit in de haarvaten tot in de uiterste vezels) en zo is het inderdaad een echte “mensen-zon”. Zon en hart zijn in hun functie veel meer omvattend dan wij aanvankelijk hebben beseft. leder van beiden volbrengt de taak, voor een levend systeem midden en orde scheppende macht te zijn. Naar het cen­trum stroomt alles; vanuit het centrum gaat alles weer naar buiten, impulsen breiden zich uit; wat er terugkeert wordt op subtiele wijze waargenomen. Op die manier wordt in een ritmisch pendelen gezond, in bewe­ging zich uitend leven zowel in het men­selijk lichaam als in de wereldruimte in stand gehouden.

De arts en de astronoom kunnen veel van elkaar leren, als zij aandacht willen beste­den aan de geheimen, die “wereldhart” en “mensenzon” met elkaar verbindt.

(Georg Blattmann, Weledaberichten nr. 149, dec. 1989)

heliobiologie
heliobiologie

anderen over HET HART (6)

De betekenis van de hartenkrachten

Als wij over het hart spreken, bedoelen we het centrale orgaan van onze bloedsomloop. Soms noemen we het gewoonweg een “pomp”. Veel minder vaak denken wij aan de krachten van het hart die met het gemoed te maken hebben, hoewel onze taal dikwijls genoeg daarop zinspeelt. We spreken van hartelijkheid, behartigenswaardig, hartenwarmte, harteloos, hartenlust enz. Hoe vaak besluiten we een brief niet met “hartelijke groeten”!
Wij brengen zelfs, en terecht, het hart in verband met de liefde. Hoe belangrijk die hartenkrachten voor onze gezondheid zijn wordt in het artikel van Dr Kümmell, cardioloog, in dit nummer* beschreven. Hij wijst erop, dat hartziekten ook hun oorzaak kunnen hebben in een verkeerde omgang met het gemoedsleven. 

De kersttijddagen, gewijd aan bezinning, kan aanleiding zijn om ons weer van deze kant van ons wezen bewust te worden die ook de grondslag is van ons gevoelsleven.
Hoe gaan wij in het dagelijks leven om met onze hartenkrachten?
Laat ons eens nagaan hoe wij over het algemeen op de alledaagse dingen reageren. Wij doen dat op een drievoudige manier. Als wij ons met de krachten van het hoofd met de dingen bezighouden, gebeurt dat door middel  van het verstand. Wij doorgronden, stellen samenhangen vast, analyseren enz.
Alles verschijnt in het hel­dere licht van het inzicht. Anders ligt de zaak, als wij te maken hebben met de krachten van de wil. Vanuit de wil met iets bezig zijn veronderstelt beweging, activi­teit. Pas door de wil wordt een in de ge­dachte bestaand voornemen omgezet in een daad. Wij komen tot het belangrijke in­zicht, dat pas door de samenwerking van de krachten van het hoofd en van de wil een verstandige handeling kan ontstaan. Zonder de denkkrachten moeten mense­lijke handelingen noodzakelijkerwijs tot een chaos leiden. Omgekeerd worden in de ge­dachten bestaande voornemens zonder voldoende wilskracht niet omgezet in een daad.

Tussen onze verstands- en onze wilskrachten staan de krachten van ons hart. Die geven warmte aan ons handelen, dat uit de vereniging van ons verstand en onze wil ontstaat. Zonder een gevoelsmatige relatie met ons doen en laten, blijven al onze handelingen koel en nuchter, speelt het individueel menselijke geen rol en wij merken: het leven ontbreekt. Wij komen tot de slotsom: waar doorleefde, echt menselijke
handelingen zijn, is er sprake van een evenwicht tussen denken, voelen en willen.
Als één van die krachten tekort schiet of zelfs ontbreekt, zullen er spoedig stoornissen optreden.

Het is duidelijk, dat in de loop van enkele eeuwen ons denken in de confrontatie met de uiterlijke dingen meer en meer is ontwaakt en allengs een ongekende wakker­heid en zelfstandigheid heeft bereikt. Tengevolge van die “denk-training” zijn de natuurwetenschappen ontstaan. Daaraan hebben wij vele verwervingen van het moderne leven te danken. Wat hebben de natuurwetenschappen ons nog meer gebracht?

Een principiële eigenschap van het natuur­wetenschappelijk onderzoek is de objecti­viteit. Dat betekent, dat de mens zijn zin­tuigen tot waarnemingsinstrumenten moet maken die de dingen los van eventuele per­soonlijke kleuring observeren. Dientengevolge moeten alle uit de persoonlijkheid van de onderzoeker voortkomende “bron­nen van fouten” (persoonlijke voorkeur, gevoelens) consequent worden uitgeschakeld.

Voorts eist natuurwetenschappelijk onder­zoek dat de resultaten kunnen worden ge­meten, geteld en gewogen. De vooruit­gang, die dit gedisciplineerde denken met zich heeft gebracht, is onloochenbaar.
Mo­gen wij echter aan deze manier van denken ons hele leven onderwerpen?
Reeds het feit, dat de natuurwetenschap­pelijke methoden niet in staat zijn, ook maar enigszins iets zinnigs te berde te brengen omtrent bijvoorbeeld een muzika­le compositie, maakt duidelijk, dat de werkelijkheid méér omvat dan exact meetbare grootheden. Wat aan het nuchtere verstand al te gemakkelijk ontbreekt -juist
om­dat het als onbelangrijk wordt verdrongen en zelfs als een mogelijke bron van fouten wordt gevreesd- is de kracht van het hart. Zonder de gevoelsmatige relatie met ons handelen blijft wat wij doen koud en nuch­ter. Een onevenwichtigheid is ontstaan, die tegenwoordig al mondiaal is verbreid: al­les wat maar maakbaar is wordt vervaar­digd en de vraag naar het momentele nut staat bovenaan; de natuur als leverancier van grondstoffen wordt uitgebuit en op gro­te schaal vernietigd. Meestal wordt de stem van het hart niet gehoord, want die kan men niet calculeren. Verharding van het gevoel breidt zich uit. Zijn dat geen reële gevaren in ons dage­lijks leven?

Uit statistieken blijkt, dat hart- en vaatziek­ten tot de meest voorkomende ziekten behoren en dat het hartinfarctbij de doodsoorzaken een bedroevende eerste plaats inneemt. Een samenhang tussen de
hierboven beschreven ontwikkeling -die in ons dagelijks leven tot in nauwelijks opgemerk­te bijzonderheden haar sporen nalaat- en de genoemde ziekten, kan duidelijk wor­den.
Wat in het persoonlijke leven aanlei­ding tot hart- en vaatziekten kan zijn, dreigt een mondiaal probleem te worden wat tenslotte niet alleen maar het individu raakt. De tendensen in die richting zijn maar al te duidelijk.

Ligt het werkelijk aan het feit, dat wij bij al ons doen en laten teveel aan het abstrac­te denken hebben toegegeven en te wei­nig naar de stem van het hart hebben geluisterd?

Evenals de zon, het grote wereldhart van “boven”, door zijn overgave het leven op aarde mogelijk maakt, kan van “onderen” door de liefderijke inzet van onze hartekrachten dit leven worden ontvangen en gekoesterd.

(Gustav Hering, Weledaberichten nr.149, de. 1989)

Zie ook: hart een pomp?

alle anderen over het hart

anderen over WETENSCHAP (2)

Er zal voorlopig nog wel gediscussieerd worden over de vraag: is antroposofie wetenschap of niet. Een geloof dan; of een quasi-, dan wel pseudowetenschap.

Het antwoord hangt in grote mate af van de opvatting(en) die je huldigt: je standpunt. Hier heb ik vooral prof. Luijpen aan het woord gelaten.

Uit zijn woorden valt op te maken dat ‘wetenschap’ geen allesomvattend begrip kan zijn.

Het is een beperkt begrip. Wat er niet in past, valt niet onder die opvatting. Maar daarmee is niet tegelijkertijd gezegd dat in dit geval ‘antroposofie’ geen wetenschap zou (kunnen) zijn.

Er zijn anderen die ook bepaalde opvattingen hebben en denkbeelden koesteren. Hoewel zij meestal niet vanuit antroposofische gezichtspunten denken, is hun opvatting vaak wel ‘in de geest van’.

Het is niet zo, dat ik iets pas waardevol vindt als het op de ideeën van Steiner lijkt.

Vanaf een palet met maar 1 kleur kunnen geen kleurrijke schilderingen ontstaan. Een bont palet is mij liever.

Af en toe kom ik zo’n paletkleur tegen.

Deze bv.

 

„Dokter zijn, is meer dan een slecht werkend lichaamsdeel
ver­vangen.”

Die uitspraak in een in­terview met het blad Medisch Contact lijkt typerend voor profes­sor Jan van Gijn. Sinds gisteren geeft hij leiding aan het medisch team dat prins Friso verzorgt op paleis Huis ten Bosch. Van Gijn (1942) studeerde genees­kunde in Leiden en werd daarna tot neuroloog opgeleid in Londen en Rotterdam. Vervolgens was hij onder meer hoogleraar en hoofd neurologie van het UMC Utrecht. Van Gijn ontwikkelde een grote belangstelling voor patiënten met onbegrepen lichamelijke klach­ten. Hij bracht hierover in 2011 het boek Lijf en Leed uit. Volgens de hoogleraar hebben veel van de­ze klachten te maken met de gees­telijke gesteldheid van de patiënt, een koppeling die in de moderne medische wetenschap vaak over het hoofd zou worden gezien. „Toen ik geneeskunde ging stude­ren, was ik een verdwaalde alfa”, zo stelde Van Gijn in het inter­view met Medisch Contact. „Ik kende een huisarts die altijd ken­nis en rust uitstraalde. Zo wilde ik ook zijn.” De hoogleraar zegt echter in de jaren ’60 als student te zijn ‘gehersenspoeld in de bio­medische reductionistische ge­neeskunde’. „De houding van die huisarts die me zo aansprak, raak­te daarmee op de achtergrond. Pas geleidelijk ontdekte ik, na mijn opleiding, dat de geneeskun­de meer omvatte. In de eerste plaats dat het een wetenschap is. Maar ik kreeg ook oog voor de ver­wevenheid van lichaam en geest. En dat de scheiding tussen lichaam en geest ten onrechte is ingeroest in onze cultuur. Daar moeten we vanaf.”

Jan van Gijn, arts

(ED. 10-07-2013)