Categorie archief: vierledige mens

DE VIERLEDIGE MENS (3-3)

.

Het astraallijf (3)

In de voordrachten ‘Allgemeine Menschenkunde’ [1] spreekt Steiner over de mens vanuit 3 verschillende standpunten, blikrichtingen: vanuit de meer fysieke kant, vanuit de ziel en vanuit de geest.
Telkens benadrukt hij het belang van ‘karakteriseren’*, van omschrijven en niet zo zeer van definiëren. Een vaste omschrijving geeft minder weer, sluit bepaalde aspecten uit, begrenst, waardoor er bijv. sneller een bepaalde scheiding optreedt, terwijl het eigenlijk meer om een onderscheiden gaat.
De drie wezensdelen zijn in werkelijkheid ook niet van elkaar gescheiden.

Datzelfde geldt ook voor het 4-ledig mensbeeld, waarbij Steiner weer een ander standpunt inneemt, de mens vanuit een andere optiek bekijkt.

Steiner noemt de indeling in ‘denken, voelen, willen’ een abstractie, t.o.v de veel levendigere uitingen van sympathie en antipathie. Met deze kun je het zielenleven beter leren kennen, want de ziel schommelt steeds tussen sympathie en antipathie. Extreem gesproken: tussen liefde en haat. [2]

Als het dan om de belevingen van de mens gaat, zijn gevoelens, zijn gevoelsleven, zijn zielenleven, zijn astraliteit, zijn dit allemaal woorden die behoren bij zijn vermogen om innerlijk te beleven.

Dat wil niet zeggen dat de woorden synoniem zijn: alle duiden ze weer op net een ander aspect.

Wanneer ‘ziel’ omschreven wordt als ‘vermogen om de buitenwereld tot innerijke aangelegenheid te maken’ en ‘het vermogen om de binnenwereld naar de buitenwereld of in de buitenwereld te uiten’, is dat natuurlijk nauw verwant aan wat we met ons astraallijf doen, nl. ‘beleven’.
Wanneer we in ons iets beleven van wat uit onze lichamelijkheid komt: honger, dorst, waarbij er een begeerte, een verlangen volgt deze honger en dorst te bevredigen, is dat iets van onze ‘aardsere’ astraliteit, maar kan ook gekarakteriseerd worden vanuit de wil, wanneer we die onderscheiden in zijn instinctieve, driftmatige aspecten.

In al deze uitingen zal je makkelijk de sympathie en antipathie herkennen.
In de eerste plaats bij jezelf. Naar jezelf kijken tegen de achtergeond van sympathie en antipathie doet je zelfkennis groeien.

Iemand zegt iets tegen je wat je fijn vindt. Daar word je blij van, het vrolijkt je op – je zou diegene wel willen omhelzen. Sympathie alom.

Iemand zegt iets tegen je waarmee hij je zwaar beledigt. Woede welt in je op. Je kunt hem wel schieten……Antipathie alom.
We zitten in wezen steeds in de pendelslag van sympathie en antipathie.

Het ‘levend’ omgaan met deze begrippen verschaft je zeker meer wijsheid over de mens.

Wanneer de mens iets beleeft, meemaakt, ondergaat enz. zal hij dat onder woorden willen brengen.

Interessant is nu welke woorden we daarvoor gebruiken. Het blijken in de meeste gevallen vergelijkingen te zijn.
Wat je mee- en doormaakt, voelt en ervaart, wordt vergeleken met voorvallen in de wereld buiten je.
Prachtige metaforen, zeggen we nu. Maar wie heeft die gemaakt, bedacht? Hoe zijn die in de taal terecht gekomen? En waarom?

Het is niet aannemelijk dat iemand daar eens even voor is gaan zitten!

Steiner wijst erop dat de taal veel oude wijsheid bevat – voor ons nu ‘gekristalliseerd’.

‘De dingen die in de woorden gekristalliseerd zijn, zijn oud geestesleven. We gebruiken de woorden gedachtenloos, maar de dingen rusten in de diepte van ons wezen.’ [3]

‘Je kunt hem wel schieten’, merkte ik hierboven op. Het gevoel is er, maar wordt in de wil teruggehouden: je doet het niet.
In je innerlijk vindt de moord a.h.w. plaats; wat in de buitenwereld kan voorkomen wordt in het beeld – zoals dat met beelden gewoonlijk is – ontstoffelijkt: het wordt van een andere realiteit.

Wie in de taal op zoek gaat naar juist deze beelden van sympathie en antipathie vindt een grote rijkdom waarmee de ziel zich – vergelijkenderwijs -uit.

met woorden

kun je
iemand de oren wassen  (de waarheid zeggen)
met iemand bekvechten            
iemand onderuit halen                
iemand monddood maken          
iemand het zwijgen opleggen
iemand onderschoffelen
iemand raken
iemand iets voor de voeten werpen
iemand ’t vuur aan de schenen leggen
iemand verstikken
Iemand ’t bloed onder nagels vandaan halen
iemands blazoen bezoedelen
iemand met modder gooien
iemand iets in de schoenen schuiven
iemand voor schut zetten
iemand doet je de gal overlopen
iemand kotst van je
iemand komt je de neus uit
iemand zit me tot hier
iemand een snotneus noemen
iemand afdrogen
iemand in z’n hemd zetten
iemand als pispaal gebruiken
iemand als kop van jut gebruiken
iemand aan de schandpaal nagelen
iemand bij de neus nemen
iemand op z’n tenen trappen

die is misschien lichtgeraakt; sarcasme of spot kan bijtend  zijn.

Er zijn nog heel veel meer uitdrukkingen: de (astrale) sympathie en antipathie in beeld gebracht.

Tegen deze achtergrond kan ik een opmerking van Steiner: ‘astrale oorvijg’, wel een plaats geven.

*vrijeschoolpedagogie

[1] GA 293
vertaald
[2] GA 301/37
niet vertaald
[3] GA 203/237
niet vertaald

Het astraallijf (1)   (2)

DE VIERLEDIGE MENS [3-2]

.

HET ASTRAALLIJF [2]

In Steiners vierledig mensbeeld is sprake van fysiek lichaam; etherlijf; astraallijf en Ik.

Met grote regelmaat zegt hij dat de naamgeving niet zo belangrijk is; wel, wat je karakteriserend omschrijft.

Hij benadrukt dat ‘de dingen in tegenstellingen zien’* een grotere kennis geeft over wat je bestudeert.

Hier heb ik uitgelegd waarom ik liever het woord etherlijf dan etherlichaam gebruik; ditzelfde geldt voor astraallijf/lichaam.

LICHAAM-LIJF

Lichaam veronderstelt iets concreets: iets wat je kunt beetpakken, het is stoffelijk.
Lijf daarentegen duidt op ‘leven’ op een veel minder concreet iets – zeker niet vast te pakken, op te tillen of neer te zetten, om maar wat te noemen. ‘Leven’ is toch veel meer het complex aan krachten; aan (uit)werkingen; aan vermogens om te…..(Hier staat dus eigenlijk een kleine tegenstelling tussen fysiek lichaam en etherlijf.)

TEGENSTELLINGEN ETHER-ASTRAALLIJF

Ga je vanuit het etherlijf verder met zoeken naar nieuwe tegenstellingen, dan kom je – zeker als je bij de tegenstelling fysiek-ether het mineraal en de plant hebt gevonden; nu via de tegenstelling plant – dier bij de tegenstelling ‘leven-beleven’.

Het ‘be’ heeft iets in zich van ‘meer’ en tegelijkertijd ‘op een ander niveau’. Vaak wordt ‘grijpen’ en ‘begrijpen’ genomen om dit te verduidelijken. ‘Grijpen’ is nog fysiek: je hebt er armen en handen voor nodig. ‘Be-grijpen’ is het mentaal grijpen; zo als je iets concreets vast kunt houden, zo hou je hier iets mentaal vast; als idee, als gedachte. Een gaan van ‘vatten’ naar ‘be-vatten’.

Dat ‘meer’ is niet een stapeling van hetzelfde. Het is tegelijkertijd anders; van een andere kwaliteit. Be-leven is niet voortdurend méér leven. Méér leven bij een plant zou woekering betekenen; nog méér materie! Nog meer uiterlijke vergroting. Bij be-leving is er juist de omgekeerde (tegengestelde) beweging. Niet uiterlijk, maar innerlijk!

UITERLIJK-INNERLIJK

Be-leving is dus vooral ver-innerlijking. In de artikelen over ‘ziel’ heb ik daar uitgebreid aandacht aan besteed. Ziel als een vermogen de buitenwereld tot binnenwereld te maken en ook om de (beleefde) binnenwereld weer te uiten, naar buiten te brengen.

Het is te begrijpen dat ‘de’ wetenschap met ‘ether- en astraallijf’ niet veel kan. De criteria die zij zichzelf stelt, zijn in wezen terug te voeren op: maat, gewicht en getal. Op wat concreet is: te pakken, te zien, enz. Daardoor blijft ze bij het onderzoeken en beschrijven van de fysieke component. Daarin heeft de wetenschap grootse resultaten behaald.

Als het om ‘leven’ en ‘beleven’ gaat, biedt de (natuur)wetenschap veel minder. Gevoelens bv. laten zich niet wegen, meten of tellen – zoals de zak aardappelen van Prof.Dr.Willem Luijpen.

Hoewel vioolmuziek niet vanzelfsprekend uit de viool opklinkt, is de muziek niet mogelijk zonder het instrument. Het instrument is dus de absolute voorwaarde voor wat er klinken kan – zonder vioollichaam geen vioolklank.

De arts Walther Bühler noemde zijn boek over de drieledige mens: Het lichaam als instrument van de ziel.

Het lichaam dat onvoorwaardelijk nodig is om de ziel te laten klinken – zich te laten uiten en te verinnerlijken.

Leven en be-leven is alleen mogeliljk op basis van lichamelijkheid.

Maar dat is niet hetzelfde als ‘de lichamelijkheid brengt leven en be-leven voort.

Zie fysiek lichaam.

Het be-leven is het 2e complex aan krachten dat met de gewone zintuigen niet waarneembaar is; alleen de uitingen in of met het fysieke zijn dat.

Wanneer we blijven zoeken in de tegenstellingen, kan ons opvallen dat een bloem onder invloed van het zonlicht of de zonnewarmte haar bloemknop opent. Wanneer een be-levend wezen – dier of mens – de ogen opent, is dit niet hetzelfde. Als het koud is of donker blijft, gaan sommige bloemen helemaal niet open.

Als het koud of donker is, gaan de ogen van dier en mens tóch open of door een oorzaak van buiten (lawaai) of door een werking van binnenuit: we worden ‘gewoon’ wakker.
In die zin is een plant noch wakker, noch slaapt ze. Omdat ‘wakker – droom – slaap’ bewustzijnstoestanden kunnen worden genoemd, kunnen we hieruit concluderen dat een plant geen bewustzijn heeft (wat betreft zoals wij haar zien in de aardse omstandigheden).

Wanneer dier of mens wakker zijn, hebben ze ook ‘weet’. Er is bewustzijn. Planten hebben op deze manier geen ‘weet’.

Maar om bewustzijn te kunnen manifesteren, is er materie nodig – lichamelijkheid – en in dier en mens is de materiële basis voor dit bewustzijn het zenuwstelsel: de hersenen – het brein – en de zenuwen. Bij de plant ontbreken ze.

Direct verbonden met dit zenuwstelsel zijn de zintuigen. M.n. de klassieke 5: gezicht, gehoor, reuk, smaak en tast. D.m.v. deze worden wij gewaar.
Vandaar dat hier een deel van de ziel beschreven is als ‘gewaarwordingsziel’.

Wanneer het lente wordt, zien we veel planten te voorschijn komen; ze bloeien; rijpen tot zaad en sterven weer af. De lente is zomer geworden; het najaar komt waarin veel vruchten rijp zijn; de winter waarin het vegetatieve leven tot rust lijkt gekomen. De velden zijn kaal.

De plant, reagerend op wat er kosmisch – of in de ‘ethersferen’ gebeurt.

Wanneer buiten ‘het licht opgaat’, reageert de plant. Zou de plant in zichzelf ‘het licht kunnen laten opgaan’ en daar naar reageren, dan zouden we moeten concluderen – wanneer we de zon als de lichtbrenger beschouwen – dat in de plant een ‘stukje zon’ geïncorporeerd zou zijn.

Bij mens en dier – in ieder geval weten we uit onze eigen ervaringen dat het bij ons zo is – , kan er van binnenuit wel ‘een licht opgaan’: dit gebeurt wanneer we plotseling iets – be-grijpen!

Mensen denken al ettelijke duizenden jaren over zichzelf na en geven verklaringen voor de verschijnselen. In de Assyrisch-Babylonische tijd sprak men wanneer men het over de mensenziel had, over de astrale wereld en men doelde met dit astrale op de planeten en de sterrenbeelden van de dierenriem. Dat er ‘iets’ van de planeten en zodiactekens die men bepaalde krachten toedichtte, in de mens belichaamd zou zijn, zoals net beschreven voor het ‘stukje zon’ in de plant.

Om te kunnen begrijpen hebben we een orgaan nodig; het bewustzijnsorgaan: hersenen/zenuw-zintuigstelsel.

De vraag kan nu ontstaan of er uit de ‘astrale’ wereld krachten in ons stromen of al gestroomd zijn en fysiek geworden, bv. in de organen.

De planten reageren op de kosmos. Hun (groei)beweging is, zoals we al eerder zagen, geen bewegen van binnenuit. Ze ‘moeten’ bewegen op o.a. licht en duisternis.

Dier en mens k u n n e n  bewegen; ze kunnen zich ook stil houden. Ze moeten niet per se.
Wanneer we een ‘ding’ zien liggen waarvan we niet weten of het bv. een insect is, dan raken we het aan. Blijft het liggen, dan was het een stukje materie; beweegt het, loopt of vliegt het weg, dan was het een dier(tje). Het is soms niet eenvoudig om het zo maar van buitenaf te zien – de gekko lijkt wel heel veel op het blad:

gekko                                                                        =

De beweging van binnenuit hoort dus bij het astraallijf.

Nu is de ene beweging de andere niet: die kan een agressief karakter hebben, bv. bij het slaan of schoppen; of een totaal tegenovergestelde intentie hebben in de liefkozing.

In de manier waarop bewogen wordt, komt dus mede iets van de soort astraliteit tot uiting!

Rudolf Steiner heeft veel mededelingen gedaan over de wereld van planeten en dierenriem en de invloed op de mens en dus ook op de menselijke ziel. Dat maakt het begrijpelijk dat ook hij de woorden ‘astraal, astraliteit, astrale wereld’ gebruikt.

Steiner:

Ich will also sagen: Nehmen wir an, unser Astralleib steht in irgend­einem Momente seines Lebens – und solche Momente gibt es ja immer, weil wir mit der Welt immer in Verbindung stehen – in Ver­bindung mit den Kräften, die aus dem Sternbilde des Widders uns zuströmen. Dadurch, daß unser astralischer Leib in Verbindung oder unter dem besonderen Einflusse steht desjenigen, was aus dem Stern-bilde des Widders herausstrahit, entwickelt sich in diesem Astralleibe die Möglichkeit, sich in seiner besonderen Gestalt abzuschließen, sich eine schöne Grenze zu geben; während, wenn der Astralleib mehr unter dem Einiluß der Waage steht, sich in ihm eine Bewegung ent­wickelt, die ihn mehr offen sein läßt gegen die ganze übrige Welt.So entwickelt sich eine bestimmte Bewegungstendenz unter dem Einflusse eines jeden Sternbildes. Unter dem Einflusse dieses oder jenes Sternbildes streckt der Astralleib seinen oberen Teil besonders in die Höhe, unter dem Einflusse eines der andern Sternbilder streckt er besonders seinen unteren Teil. Aber zwölf besondere Bewegungs­arten gibt es, und wieder sieben besondere Gewohnheiten unter dem Einflusse der Planeten. Das sind mehr innere Bewegungen unter dem Einflusse der Planeten, wo die inneren Teile sich mehr bewegen odersich in ein Verhältnis zueinander bringen. So hat im Grunde genom­men unser astralischer Leib eingepflanzt durch den Kosmos 12 + 7= 19 Gewohnheiten.

Ik zou willen zeggen: laten we eens aannemen dat ons astraallijf op zeker ogenblik van het leven en zulke ogenblikken zijn er steeds, omdat we ook steeds met de wereld in verbinding staan – in verbinding staat met de krachten die vanuit het sterrenbeeld ram naar ons toestromen. Doordat ons astraallijf in verbinding met of onder bepaalde invloeden van datgene staat wat uitstraalt vanuit het sterrenbeeld ram, ontstaat in het astraallijf de mogelijkheid zich te kunnen afsluiten in zijn bijzondere vorm; zich te begrenzen; terwijl er in het astraallijf, wanneer het onder invloed staat van de weegschaal zich beweging ontwikkelt die het meer open laat staan tegenover de wereld. Zo ontstaat er een bepaalde tendens tot beweging onder invloed van ieder sterrenbeeld. Onder invloed van dit of dat sterrenbeeld wordt het astraallijf in zijn bovengedeelte langer, gestrekt; onder invloed van een van de andere sterrenbeelden wordt juist het ondergedeelte langer. Er zijn 12 specifieke soorten van beweging en ook zeven specifieke gewoonten onder invloed van de planeten. Dat zijn meer innerlijke bewegingen van de planeten –waarbij de inwendige delen meer bewegen of in een andere verhouding tot elkaar komen te staan. Op deze manier heeft ons astraallijf door de kosmos ingeplant gekregen 12 + 7 gewoontes.
GA 156/84
Niet vertaald

Rudolf Steiner wegwijzers (20)

astraallijf  (1)  (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

WAT STAAT OP DEZE BLOG

ANTROPOSOFIE: WETENSCHAP? 
Antroposofie is geen ‘weegschaal’wetenschap; of ze dan per definitie géén of pseudowetenschap is, is de vraag.

ANTROPOSOFIE EN WETENSCHAP
Over het ontstaan van de maan

ANDEREN OVER WETENSCHAP
Alle artikelen
Wat als de mens er niet zou zijn

DRIELEDIGE MENS (1) lichaam, ziel, geest
Begripsbepaling; mens tussen 2 werelden

DRIELEDIGE MENS (2) lichaam, ziel, geest-vervolg
Meer begripsbepaling

DRIELEDIGE MENS (3) lichaam, ziel, geest-vervolg
Leven, gewaarwordings-verstand/gemoeds-bewustzijnsziel

DRIELEDIGE MENS (4)denken, voelen, willen
Voorstellen/denken; handelen/stofwisseling. Getekend schema

HART EEN POMP? 
Is het hart meer dan een pomp? En wat is dat “meer”? De wijsheid in de taal

ANDEREN OVER HET HART 
Alle artikelen

IK
Diepste kern; geweten; persoon

IK EN REÏNCARNATIE
Eigenheid geest/erfelijkheid. Grotere en kleinere levensritmen

ORGAANTRANSPLANTATIE

VIERLEDIGE MENS (1)
Het fysiek lichaam

VIERLEDIGE MENS (2-1)
Het etherlijf

VIERLEDIGE MENS (2-2)
Het etherlijf vervolg

VIERLEDIGE MENS (3-1)
Het astraallijf (1)

VIERLEDIGE MENS (3-2)
Het astraallijf (2)

VIERLEDIGE MENS (3-3)
Het astraallijf (3)

ETHERLIJF – vindplaatsen in Steiners werk

Rudolf Steiner heeft in de boeken die hij heeft geschreven en in de voordrachten die hij heeft gehouden veelvuldig over het etherlijf geschreven/gesproken.

In het werk van Emil Mötelli ‘Sachwort- und Namensregister der Inhaltsangaben’ zijn de plaatsen in Gesamtausgabe genoemd.

Staat er een getal gevolgd door T, dan is dit een boektitel met het GA-nummer;
Staat er een getal, gevolgd door een 2e, dan slaat dit laatste op het hoofdstuk in het GA-nummer;
Staat er een getal, gevolgd door 3 getallen, dan gaat het om het nummer in de GA, gevolgd door de datum van de voordracht

Het meeste werk van Steiner is hier te vinden

Atherlijst
Atherlijst 2
Atherlijst 3
Atherlijst 4

Atherlijst 5

DE VIERLEDIGE MENS (3-1)

wat voorafging: deel 1; deel 2; deel 3

Het astraallijf (1)

karakteriseren i.p.v. definiëren – de dingen op elkaar betrekken – het zoeken van de tegenstellingen

Steiners aanwijzing om ‘de dingen op elkaar te betrekken’ en de ‘tegenstellingen op te zoeken i.p.v. de overeenkomsten’ blijkt ook voor een verdere beschouwing over de mens vruchtbaar.

De tegenstelling fysiek lichaam etherlijf wordt duidelijk in de gebezigde karakteristieken. Het niet-levende tegenover het levende spreekt voor zich.

Ook de karakterisering van de rijken: het minerale-; planten- dieren- en mensenrijk helpt verder om meer over onszelf en deze rijken te leren.
Het verschil tussen het mineraal en de plant is o.a. dat er bij het mineraal geen leven te bespeuren valt en bij de plant juist een overmaat aan leven, waarbij groei en voortplanting in één adem genoemd moeten worden.

plant – dier

Proberen we nu plant en dier te vergelijken dan kan een ervaring die ieder heeft te hulp komen.

Wanneer je in het gras ligt, kan er door de wind steeds een grashalm tegen je gezicht geblazen worden. We voelen dat als een lichte prikkeling, een gewaarwording dat ‘iets’ tegen ons aankomt. Wanneer we de grashalm weg willen halen, lukt dat meteen: we kunnen hem beetpakken, opzij buigen op afplukken. De graspol blijft gewoon op zijn plaats.
Heel anders is dat wanneer er bv. een vlieg op ons gezicht zit. Ook daarvan voelen we een lichte prikkeling; willen we echter de vlieg weghalen, dan laat deze zich niet zo beetpakken als de grashalm, die vast aan de aarde verbonden zit.
Bij de minste beweging is de vlieg al weg: een teken dat deze niet aan de aarde gebonden zit, maar zich vrij bewegen kan. En dat levert het eerste grote verschil tussen plant en dier op:

de beweging van de grashalm wordt veroorzaakt van buitenaf: door de wind. De beweging van de vlieg komt vanuit de vlieg zelf: van binnenuit.
De plant die naar het licht groeit, beweegt ook; op een vaste plaats, maar als reactie op wat er buiten gebeurt. Ook de vlieg reageert op buiten, maar niet op de vaste plaats.

De tuinder die zijn klimbonen ordentelijk omhoog wil laten groeien, plaatst stokken en weet dat de bonen daarlangs omhoog zullen groeien: die komen nergens anders terecht.
De kanariehouder moet zijn kooi met gaas begrenzen; hij weet niet waar zijn vogels anders zouden blijven.

Het waarnemen van een puppytraining is ook heel leerzaam. Voortdurend willen de jonge hondjes ‘hun eigen leven leiden’, gaan waarheen het hen invalt. Ze kunnen van je vandaan lopen, maar ook naar je toe komen, dat is afhankelijk van wat er in hen omgaat . En daarmee wordt nog duidelijker dan bij de grashalm en de vlieg, dat een dier een eigen leven heeft.
Wanneer we de grashalm afbreken, volgt er geen uiting – er komt geen geluid bv.; zou de hond zijn poot breken, dan horen we wel aan zijn reacties dat hij iets beleeft.
Zo komen we op nog een groot verschil tussen plant en dier. De plant leeft; het dier be-leeft.
Dit voorvoegsel –be-  betekent in de taal een intensivering van het volgende woord. Grijpen, be-grijpen. Maar die intensivering is niet alleen maar een meer en meer. Het is ook anders. Grijpen is nog een fysieke handeling; begrijpen een mentale.

‘Het voorvoegsel be drukt eene versterking van den zin uit, en alzoo zegt bedenken iets meer dan denken en beteekent eene zaek van alle zyden bezien – overwegen’  (bron)

Dit innerlijke leven hebben we bij de drieledige mens als ‘ziel’ leren kennen.

In Steiners vierledige mensbeeld krijgt het de naam astraallichaam of astraallijf, waarbij lijf, zoals ook bij etherlijf betekent een krachtencomplex, een vermogen.
Wanneer je het woord ‘lichaam’ gebruikt, moet je je realiseren dat dit niets fysieks is;(ik geef de voorkeur aan ‘lijf’.)

De vlieg die we willen grijpen en die meteen opvliegt wanneer onze hand een sla-beweging maakt, heeft dus kennelijk een ‘opmerkingsgave’; merkt het op – wordt het gewaar.
Er is dus een vorm van ‘zich bewustzijn’; en een reactie in de vorm van een beweging.

Voor beide is een fysieke basis nodig, een soort voorwaarde: voor het bewustzijn: zenuwen en voor de beweging: stofwisseling, die we bij de mens hebben leren kennen als denken en willen.

Wanneer we over ‘zenuwen’ spreken, is het uit vorige beschouwingen duidelijk, dat we dan in één adem ook ‘zintuigen’ moeten zeggen.

Als ik op de grond een minuscuul ‘dingetje zie liggen en ik weet niet of het een of ander beestje is, zal ik het proberen aan te raken. Beweegt het, dan is het een diertje, blijft het liggen dan is het of geen diertje of een dood diertje. In de laatste 2 gevallen is er geen zintuigactiviteit en er volgt derhalve geen reactie.
Ik zie even af van het feit dat sommige dieren zich ‘dood’ kunnen houden)

de wil

Wanneer hier boven sprake is van ‘willen’, is dit ‘willen’ bedoeld als een menselijk vermogen: je wilt dit of je wilt dat of niet. Wanneer er iets te kiezen valt, voelen we wel dat hier het woord ‘vrijheid’ opduikt.
Het vraagstuk van de ‘vrije wil’ past echter niet bij dit onderwerp: het verschil tussen plant en dier.

Bij de plant kan niet worden gesproken van ‘wil’. De plant kan niet iets niet willen.
Geldt dit ook voor het dier.

Als een mens een huis wil laten bouwen, kan hij kiezen uit vele mogelijkheden. Een konijn daarentegen, graaft – altijd – een hol. Die kan niet besluiten om het vanaf nu eens anders te doen: ik ga in een boom wonen!

‘Een dier doet, wat het moet’, zo vatte Leendert Mees dit samen.
Bij een dier kan al helemaal geen sprake zijn van een vrije of eigen wil.

Wat het doet, moet zo gaan. Van wie of wat moet dat dan? Het antwoord is zo simpel als het gecompliceerd is: van de natuur of van zijn natuur.

Wanneer we aan het dier een binnenleven, een innerlijk leven kunnen toeschrijven waarmee het op de buitenwereld reageert, heet dat in het dagelijks spraakgebruik: instinctief of de woorden begeerte en drift vallen.
Er is een voortdurende interactie tussen gewaarwordingen en handelingen = beweging.

Rudolf Steiner onderscheidde instinct, begeerte en drift en betrok ze op fysiek lichaam, etherlijf en gewaarwordingslijf (waarbij ‘lijf’ dus staat voor ‘kracht’, ‘vermogen’)

Het is moeilijk om in het dagelijkse spraakgebruik de juiste formuleringen te kiezen.
Je kunt eigenlijk niet zeggen dat een plant behoefte heeft aan water, wanneer hij er slap en uitgedroogd bij staat. Voor ‘behoefte’ is voelen nodig. Wil de plant niet doodgaan, heeft deze water nodig – dat komt van buitenaf. De plant slaakt geen jammerklacht. Een dier wel.
De plant reageert op de zon en opent zijn bloem; als het regent blijft deze dicht.
De leeuw wordt zijn hongergevoel gewaar; weer of geen weer – hij MOET op jacht. De vogels MOETEN trekken; de zalmen en palingen ook. Niet één zal denken: ik sla maar een jaar over – zoals wij kunnen besluiten dit jaar maar niet op vakantie te gaan.

Wie er oog voor krijgt, begint het grote verschil tussen plant en dier steeds gedetailleerder te zien.

Plant – vast zijn leefgebied
Dier –   vrij in zijn leefgebied

Plant – reageert op prikkels van buitenaf
Dier – reageert ook op prikkels van binnenuit

Plant – leeft
Dier – beleeft

Plant – geen zenuw/zintuig wezen – geen stofwisselings-                                                                                              ledematenwezen
Dier – zenuwzintuig wezen -stofwisselings-ledematen wezen

Plant – geen gevoel/ziel*
Dier – gevoel/ziel

Plant – geen bewustzijn*
Dier – bewustzijn

Plant: geen inwendige organen
Dier: inwendige organen

*zoals er in deze artikelen hier over wordt gesproken.

Er zullen vrijwel geen mensen bestaan die voor een plant staan en zich afvragen wat er in zijn wezen omgaat.
Bij dieren en vooral bij mensen is dit wel het geval – je vraagt je dan eigenlijk af wat er in zijn binnenste omgaat – wat hij beleeft, ervaart, doormaakt enz.

Planten bestudeert men door ze waar te nemen – de buitenkant – bij de dieren ook, maar menig onderzoeker probeert ‘in de huid van het dier te kruipen’ om het te leren kennen.

Niemand zal een dier een hogere plant noemen – een plant wordt ook geen hoger mineraal genoemd.

astraallijf (2)    (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

DE VIERLEDIGE MENS (2-2)

wat voorafging: deel 1; deel 2

Het etherlijf (2)

Wie nadenkt over het verschil tussen het fysieke lichaam en het etherlijf komt als vanzelf op de tegenstelling ‘dood’- ‘leven’.

In deze woorden van Rudolf Steiner vond ik een stimulans om verdere tegenstellingen te zoeken:

‘Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe’ [1]
‘Door op deze wijze feiten met elkaar in verband te brengen, krijgen we reële begrippen.’ [2]

‘Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.’ [3]
‘Maar de werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet wanneer we niet de tegenstrijdigheden in de wereld zien.’ [4]

‘Real lernt man die Dinge aber nur kennen, wenn man sie in der Welt wirklich aufeinander be­ziehen kann.’ [5]
‘Men leert de dingen slechts werkelijk kennen, wanneer men ze in de wereld daadwerkelijk op elkaar betrekken kan.’ [6]

TEGENSTELLINGEN FYSIEK – ETHERISCH
Het mineraal is helemaal overgeleverd aan de zwaarte;
de tegenstelling plant vertoont juist een anti-zwaartetendens. Omhoog, naar het licht, naar de hemel, i.p.v. omlaag, naar de zwaarte, naar de aarde.

Wanneer wij de levenskrachten verantwoordelijk houden voor deze omhoog gerichte beweging, zou je het etherlijf ook het ‘anti-zwaarte(krachten)lijf’ kunnen noemen.

Het mineraal beweegt niet, d.w.z. niet van binnenuit. Er is eigenlijk geen binnen. Wanneer het valt en het breekt, heb je er 2, die eigenlijk alleen maar buitenkant zijn.

De plant beweegt wel; weliswaar niet uit zichzelf, ze wordt a.h.w. bewogen door wat er om haar heen is: licht, lucht, warmte en niet te vergeten: het water.
Het water: dat is bij uitstek de drager van alle leven, voortdurend in beweging tussen aarde en wolken en de sfeer daarboven en weer terug: de sfeer die door Rudolf Steiner als ethersfeer wordt aangeduid.

Zo kun je in de bewegende sapstromen van de groene wereld een uiting zien van levensbrengende krachten door heel de plant heen-dit kunnen we ‘etherische’ krachten noemen. De sapstroom komt op gang wanneer de zon krachtiger wordt en het licht toeneemt en neemt in het najaar weer af om in de winter tot rust te komen.
Wanneer je een plant breekt, heb je er geen 2; dat kunnen er wel 2 worden, wanneer je het afgebroken deel in het water zet; immers groeikracht, regeneratie, voortplanting horen als kwaliteit bij de plant.

Rudolf Steiner:
Wenn Sie eine ab­geschnittene Rose und einen Kristall auf einen Tisch stellen, so können Sie sagen, beides seien Gegenstände. Diese Gleichstellung von Rose und Kristall unter dem Begriff Gegenstand ist aber nur unter einem äußer­lichen Aspekt berechtigt. Die abgeschnittene Rose ist keine Wirklich­keit und Sie können sie nicht so betrachten wie den Kristall, der in einer gewissen Weise ein Abgeschlossenes ist.” [10]

Wanneer u een afgesneden roos en een kristal op een tafel legt, kunt u zeggen dat deze beide, voorwerpen zijn. Het gelijkstellen van de roos en het kristal onder het begrip voorwerp is echter alleen gerechtvaardigd onder het gezichtspunt van de buitenkant. De afgesneden roos is geen werkelijkheid en die kunt u niet zo beschouwen als een kristal dat op een bepaalde manier afgesloten is. [6]

Als element noemde ik bij het mineraal: de aarde; mineralen hoef je geen water te geven.
Bij de plant gaat dit niet op: water is een levensvoorwaarde; in vergelijking tot de plant heeft het mineraal geen licht of warmte nodig; de plant beweegt juist door deze elementen.

Zo kun je het etherlijf ook het ‘bewegingslijf’ noemen.

Het mineraal vertoont zich in de ruimte. Als fysiek lichaam is het een ruimtelichaam.

De plant heeft ook een fysiek lichaam waarmee ze zich in de ruimte vertoont. Maar als bewegingslijf vertoont ze zich ook in de tijd. Want het groeien, vanaf het ogenblik vanuit de aarde komen, tot het daarin weer verdwijnen, is een manifestatie in de tijd.

Dit is een buitengwoon verhelderende tegenstelling: ruimte/tijd.

Daarom kan het etherlijf ook ‘tijdlijf‘ genoemd worden.

Dat deze woorden niet in Van Dale staan, doet niet ter zake.

KARAKTERISEREN
Door te karakteriseren krijgen we een veel ruimere blik op het verschijnsel dat we willen begrijpen.

Rudolf Steiner:
‘Wir charakterisieren, wenn wir die Dinge unter möglichst viele Gesichtspunkte stellen.’[7]
En we karakteriseren wanneer we dingen van zoveel mogelijk gezichtspunten uit belichten.’ [8]

Dat de wetenschap zoveel interessante feiten heeft vastgelegd, vind ik geweldig. Die feiten benadrukken wat je –al tegenstellend- kunt vinden:

Wat een groeikracht vertoont bv. deze plant.
Die groeit 20 cm. per dag! Als wij dat in onze eerste levensdagen zouden doen, waren we na een week al 1.40 m gegroeid!

Water  is het belangrijkste bestandsdeel van alle levende organismen (70-75%).
Het vertegenwoordigt ook het grootste gedeelte van de dagelijkse voeding. Als water onthouden wordt, dan ontstaat er al snel een staat van uitdroging gekenmerkt door rimpels in de huid. Als deze zichtbaar worden, dan is er al  sprake van een waterverlies van 6%. Levensbedreigende symptomen ontstaan bij een watertekort van 10-12%.’

De populier heeft tot 1500 liter per dag nodig.
Dat betekent dat er 150 emmers van 10 liter naar boven moeten worden gesjouwd, tot in het topje toe!

Er valt gemiddeld per jaar 73,2 cm regen volgens het KNMI. Nederland heeft een oppervlakte van 41547 km2 en dan valt er volgens het volgende rekensommetje 0,732m x 41547×1010m = 3,041×1010m3 dit staat gelijk aan 30,412 km3 per jaar. (dit is 30 met 12 nullen als je er liters van maakt)

Wij beleven onszelf met ons lichaam meer als stoffelijk wezen, terwijl we uit een veel groter percentage vloeistof bestaan.

Het etherlijf is in dit opzicht ook een ‘vloeistoflijf’.

Onze stofwisseling is voortdurend bezig om de vaste(re) substanties die we gegeten hebben zo te bewerken dat ze als vloeistof door de cellen kunnen worden opgenomen.

We eten, we drinken, maar we laten het stofwisselingsproces zijn eigen leven!  leiden.

We vertrouwen en hopen erop dat het goed gaat.

Maar zoals al eerder gezegd, we weten niet wat er zich precies in ons lichaam afspeelt.

Wij hebben er bewust (met ons bewustzijn) minder ‘weet’ van dan dit levenskrachtige stofwisselingssysteem er onbewust (veel ) meer ‘weet’ van schijnt te hebben.

Opnieuw vertoont zich hier een tegenstelling: bewustzijn-onbewustzijn.

Daarover heb ik hier iets gezegd.

In dit ‘weet-hebben-van’ lijkt het etherlijf meer te weten van ons lijf dan wij zelf. Mogen we misschien zeggen dat het ‘wijzer’ is?

Dit vormkrachtenlijf vormt ons voortdurend naar hoe we kennelijk gevormd moeten zijn.

Als het ons anders vormt dan naar de gegeven vorm, beleven we dat als een afwijking, een deformatie. Zo lang dat niet het geval is, mogen we ons gezond noemen; in het andere geval zijn we ziekelijk of ziek.

Ons vormkrachtenlijf heeft ‘weet’ van de vorm; houdt deze in stand. Het is alsof deze het ‘model’ wat in stand gehouden moet worden op die heel specifieke manier, kent. Het is daarmee ook ‘modelvormende kracht’ – ‘modellijf’.

Laten we nu eens kijken naar bv. de vorm van een dijbeen.

dijbeen2
De beenderen hebben hun buitengewone stevigheid vooral te danken aan de manier waarop ze gebouwd zijn. Het dijbeen dient bijvoorbeeld als steunpilaar, aangezien het ons hele lichaam draagt. Als we een ingenieur een pilaar zouden laten ontwerpen die dezelfde taak heeft als ons dijbeen, dan zou de ingenieur in de pilaar steun- en treklijnen tekenen, die net zo lopen als de bindweefselbundels (benige deeltjes) in de kop van het been. [9]

INGENIEUR
Het is interessant dat hier over een ‘ingenieur’ wordt gesproken. Die het net zo gemaakt zou hebben zoals het bot zich als bouwwerk vertoont.

Dat betekent niet meer of minder dan dat aan de bouw van dit bot intelligentie wordt toegeschreven.

De ingenieur komt tot zijn model door allerlei berekeningen en het volgen van bepaalde bouwkundige wetten!

Dan kan ik er niet omheen de vraag te stellen: wie of wat is dan de ‘ingenieur’ die dit bot in deze vorm ontwerpen heeft.

Voor Richard Dawkins die van geen ‘ontwerp’ wil weten, is hij in ieder geval blind.

Nu is de mens niet zo eenvoudig in een schema te vangen als de titel van dit blogbericht suggereert: de vierledige mens of  de drieledige mens.
De indeling in lichaam, ziel en geest bleek ook te eenvoudig om volledig te kunnen zijn. De ziel bv. moet voor een beter begrijpen benoemd worden in de facetten waarin deze in de mens werkzaam is en dan gaat het om een preciezere indeling.

Hetzelfde geldt t.a.v. het etherlijf.
Als vormend principe werkt het op verschillende niveau’s die Rudolf Steiner beschrijft als: lichtether, warmte-ether, toon-, klank- of chemische ether en levensether.

Rudolf Steiner:
Wenn wir also von der Wärme hinuntergehen ins Dichtere, kommen wir zum Gasigen, wenn wir weiter hinaufgehen, zum Lichthaften. Wenn wir noch weiter hinaufgehen von dem Lichthaften, so kommen wir zu einem noch feineren Ätherzustand; dann kommen wir schon zu etwas, was eigentlich in der gewöhnlichen Sinneswelt nicht unmittelbar gegeben ist. Es ist uns in der Sinneswelt nur ein äuβerer Abglanz gegeben von dem, was wir bezeichnen können als einen feineren Ätherzustand gegenüber dem Lichtäther.

Okkultistisch kann man davon sprechen, daβ die Kräfte in diesem feineren Äther dieselben sind, welche das chemische Anordnen, das Ineinanderfügen der Stoffe dirigieren, das Organisieren des Stoffes in der Art wie man es etwa ausdrücken kann, wenn man auf eine Platte feinen Staub legt, die Platte dann mit einem Violinbogen streicht und so die sogenannten Chladnischen Klangfiguren bekommt.[11]

Wanneer we van de warmte naar beneden gaan [er is sprake van een soort ladder] in het dichtere, komen we bij het gasvormige; wanneer we verder omhoog gaan bij het lichtvormige. Wanneer we vanaf het lichtvormige nog verder omhoog gaan, komen we in een nog fijnere ethertoestand; dan komen wij bij iets wat in de gewone zintuigwereld niet zonder meer een gegeven is.
Er is ons in de zintuigwereld alleen maar een uiterlijke afspiegeling gegeven van wat wij een fijnere ethertoestand kunnen noemen tegenover de lichtether.
Helderziend kan men er zo over spreken dat de krachten in deze fijnere ether dezelfde zijn als die het chemische ordenen, het bij elkaar voegen van de stoffen bepalen, het organiseren van de stof op een manier, zoals men het ongeveer kan uitdrukken, wanneer men op een plaat fijn stof legt, de plaat dan met een strijkstok strijkt en men zo die zgn. Chladnische klankfiguren krijgt. [12]

(bovenstaande vertaling is van mij: PHAW)

chladni 3

chladni 1

chladni 2

In zijn boek ‘Hoe de stof de geest kreeg’ schrijft Arie Bos

Het fysieke lichaam
Het vreemde is dat we dit deel helemaal niet zo goed kennen. Het is het deel dat pas in zui­vere en onvermengde vorm tevoorschijn komt na de dood. Als lijk. Dan pas hebben we met een uitsluitend materieel lichaam te maken, waar de begrippen van de fysica op van toepas­sing zijn. De informatie die het bevat is uitsluitend fysisch/chemisch. Dat alles is afdoende te onderzoeken door opsplitsing in kleinere delen en deze te analyseren en te beschrijven door te meten, te wegen en te tellen. De tijd speelt alleen een destructieve rol. De entropie en het toeval zijn hier van toepassing. De klassieke natuurkunde dus en de chemie. Groei­en of ontwikkelen is er niet meer bij. De moleculen spelen geen rol in het handhaven van de samenhang. Integendeel: het uiteenvallen wordt veroorzaakt door de eigen enzymen en chemische processen die de stoffen met elkaar aangaan. Daarbij geholpen door levende or­ganismen als bacteriën, schimmels, maden, wormen en kevers.

Wij zijn dus helemaal niet zo vertrouwd met het fysieke lichaam, want in die vorm ko­men we elkaar gewoonlijk niet tegen.

Het levenslichaam
Jij en ik zijn intacte levende organismen. Daar gelden overduidelijk andere wetten: orde­ning, negentropie (dat is het omgekeerde van entropie en dus eigenlijk hetzelfde als orde­ning), en het ‘opzuigen van energie’ zoals Erwin Schrödinger dat formuleerde. Bij leven gaat het om dat wat sommigen een emergente eigenschap noemen en Aristoteles de entelechie. Dit houdt ons in leven, en dat geldt voor elk ander organisme. Wat moet het daar­voor allemaal doen? (  )
Het bewaart de homeostase, de in­wendige omstandigheden die voor het leven nodig zijn. Maar ook de vorm en de ordening, oftewel het bouwplan. Het zorgt voor groei, anabole (opbouwende) stofwisseling, deling en differentiatie van de cellen, voor metamorfose in de tijd, voor zelfherstel en het bewa­ren van al deze informatie. [Bos noemt het ‘informatielichaam‘] Het verzorgt kortom de fysiologie. Het wordt hierdoor de veel­geroemde innerlijke arts genoemd. Het levenslichaam vormt een eenheid die bij het orga­nisme hoort. Ieder organisme heeft zijn eigen structuur en vorm en zijn eigen levenscyclus. Het leven is te beschouwen als informatie en het levenslichaam is de drager ervan. Het valt samen met dat wat in het tweede deel van dit boek als biofotonenveld werd aangeduid. Voor alle duidelijkheid: voor wie dat niet meer helder voor de geest staat: de cellen in een organis­me communiceren via (bio)fotonen. De samenhang van alle cellen zorgt voor het bestaan van een veld: het biofotonenveld van dat organisme, dat een vorm van driedimensionale informatie in zich bergt. [a] De informatie die dit veld draagt is van een geheel andere orde dan de informatie die de moleculen van het fysieke lichaam zelf te bieden hebben.

Ik weet het, dit levenslichaam is in de loop van de tijd al veelvuldig in de wetenschap geïn­troduceerd en evenzo vaak smadelijk door de achterdeur weggejaagd. Waarom zou het deze keer anders gaan? Hoe zou de wetenschappelijke hypothese moeten luiden waarmee je een levenslichaam aannemelijk maakt? ‘Een levenslichaam bestaat’? Dat wordt niks. Net zomin als de hypothese een eenhoorn bestaat’ valt te ontkennen, ook al kun je er geen vin­den. Want misschien lukt het ooit iemand wel. Sinds Popper begrijpen we dat de hypothe­se zou moeten luiden: ‘Er is geen ruimtelijke structuur die de vorm en functie van een or­ganisme bepaalt.’ Wanneer je iets vindt dat wel op die beschrijving lijkt, ben je namelijk een stuk verder. Inmiddels past het biofotonenveld aardig in deze definitief

Maar ook dit levende lichaam, bestaande uit fysiek lichaam en levenslichaam, kennen we niet van elkaar en onszelf in onvermengde vorm. Dat kennen we in de natuur alleen in de plantenwereld. Daar kan het levenslichaam ongestoord zijn gang gaan. Groei en herstel kennen daar haast geen grenzen, zoals iedere tuinier weet die de snoeischaar en de maaimachine regelmatig gebruikt. Bij een plant kan zelfs de dood soms vermeden worden door ongelimiteerd te stekken. We zagen dat iedere levende cel van een hogere plant omnipotent blijft, of deze nu uit de wortel, stengel of bloemknop afkomstig is. Dat wil zeggen dat eikencel zich theoretisch, onder geschikte omstandigheden, herhaaldelijk kan delen en zo een hele nieuwe plant kan vormen.
(  ) Planten hebben dus een ongekende vitaliteit. En die plantaardige vitaliteit kan soms ex­treem lang behouden blijven. Afgelopen najaar heb ik wat wilgen gesnoeid. Vorige maand, vijf maanden later, heb ik een paar van deze afgezaagde takken in de grond gestoken. Deze lopen, nu ik dit schrijf, in maart, uit. Maar niet alleen die takken, ook de bundel takken die nog al die tijd op de grond ligt en niet is opgeruimd, heeft zelfs al nieuwe bebladerde zijtak­jes! In de dierenwereld is zoiets onmogelijk. (  )

[a] Interessant is dat Steiner ook duidelijk maakt dat dit levenslichaam een lichtkarakter heeft.

mensbeeld 1

Uit bovenstaande gedachtengang moet geconcludeerd worden dat het leven niet uit de materie voortkomt. De tegenstelling tussen leven en dood is zo groot dat het niet logisch is te zeggen dat ‘leven’ een hogere vorm van dood is of naar de rijken gekeken: dat een plant een hoger mineraal is of dat water hogere aarde is.

[1] GA 293
[2] Vertaling hiervan: uitgave 1993, blz.116
[3] GA 293
[4] Vertaling hiervan: uitgave 1993, blz.126
[5] GA 301
[6] Niet in het Nederlands vertaald
[7] GA 293
[8]Vertaling hiervan: uitgave 1993, blz.142
[9] Het menselijk lichaam
Uitg.Christoph Columbus Verlags AG, Clarus. 1977, blz. A14
[10] GA 301
[11] GA 122
[12]Vertaling hiervan 1987
[13] Arie Bos: Hoe de stof de geest kreeg

vervolg: deel 4

DE VIERLEDIGE MENS (2-1)

wat voorafging

het etherlijf (1)

materie als basis
 Hier bracht ik ter sprake dat de stof waaruit mijn lichaam is opgebouwd, ondergeschikt wordt gemaakt aan mijn organisme.

Ik kan niet zo maar een stukje ijzer opeten wanneer ik ijzertekort heb. Ik zal het op een dusdanige manier tot mij moeten nemen dat het past binnen dit organisme.
De stof moet zich dus aanpassen. Het mag in mij niet zijn eigen leven leiden; het moet mijn leven leiden, ondersteunen.

De stof is dus enerzijds heel wezenlijk: zonder de stoffelijkheid kan ik niet bestaan; maar als ik besta, wordt deze ondergeschikt aan mijn bestaan: het moet zich voegen.
Dat hoeft niet meer, als ik niet meer besta.

GA 13: het lijk is aan dezelfde processen en krachten onderhevig als die in de minerale wereld werkzaam zijn.

Als ik niet meer besta, ben ik dood. Dan word ik weer één met de minerale wereld. En naarmate ik langer dood ben, word ik meer één met deze wereld, tot ik er helemaal in opgegaan ben, met uitzondering wellicht van de hardste delen, bij begraven; bij cremeren is er alleen maar stof.

leven
Als ik niet dood ben, dus tijdens mijn leven, behoren deze stoffen eigenlijk niet tot de minerale wereld. Neem ik ze niet tot mij, dan ga ik dood. Om te leven heb ik ze nodig, maar dan moeten ze aangepast worden: de stof moet (uit)-gewisseld worden, in de stofwisseling vindt de aanpassing plaats.

Op een bepaalde manier passen deze stoffen dus in een verband dat boven de stoffen zelf uitgaat.
Dat woord ‘verband’, ‘verbinding’ komt weer tevoorschijn als het leven geweken is, m.a.w. de dood ingetreden. Dan gaat het lichaam, de stoffelijkheid die in een bepaald verband zich manifesteerde, tot ont-binding over: er is geen band meer.

Tot op heden buigt de wetenschap zich over dit fenomeen. En het ligt voor de hand dat een wetenschap waar de materie, uit te drukken in maat, gewicht en getal, zo’n grote rol speelt, aanneemt dat  ‘het leven’ veroorzaakt wordt door de stoffen.

Het is echter nog steeds niet gelukt uit anorganische stoffen leven te laten ontstaan.

Ik weet niet of dit ooit gaat lukken. Kan er leven uit dood ontstaan.

Overal zien we dat de dood volgt op het leven; nergens is nog waargenomen dat het leven volgt op de dood. (Daar is in de mensheidsgeschiedenis maar één keer sprake van: Pasen)

in de taal
Lichaam is het lijk, het dode omhulsel. Het woord ‘lic’ komt bv. als dood, afgestorven weefsel nog voor in ‘likdoorn’.

In het Italiaans is ‘lichaam’  ‘fisico’, daarmee direct duidend op ‘tot de natuur behorend’, ‘lichamelijk’. ‘Corpo’ bestaat ook en is ‘lichaam’ en ‘lijk’. Ik heb nog niet iets kunnen vinden waaruit blijkt dat ‘fisico’ meer verwant zou zijn aan ‘lijf’.
In deze taal is ‘ontbinding’ ‘de-composizione, dat heel duidelijk maakt dat er een geheel, een compositie, was; ook het chemische ontbinden: dissociazione: uiteenvallen-het sociale- duidt op een samenhangend verband. Ook in het Frans: décomposition: ontbinding.

compositie, samenhang, verband
Als het er op aankomt, interesseert ons de samenhang het meest; het gaat ons om het verband.
Ook de meest verstokte materialist vraagt niet naar ‘maat, gewicht en getal’ wanneer een dierbaar persoon een ernstig ongeluk heeft gehad, maar vraagt hoopvol: ‘Leeft hij/zij/het nog?’
Dat is eigenlijk: is de composite, het geheel nog intact.

Aan het leven, ook al weten we dan niet precies wat dat is, moeten we toch een kwaliteit toeschrijven die meer is dan de stoffelijkheid: een kwaliteit die deze stoffelijkheid in verband houdt. Dat zouden we een ‘hogere’ kracht kunnen noemen.

Dan is die ‘kracht’ toch een realiteit, ook al zien wij deze niet.

levenskracht
Het is dan vrij voor de hand liggend om deze kracht ‘levenskracht’ te noemen.

Dat kan ons op de gedachte brengen dat ‘alles wat leeft’ over deze levenskracht beschikt:
Mensen, dieren en planten leven; alleen het minerale leeft niet.

de 4 rijken
Deze gedachte roept meteen andere wakker: zonder dat ik het eigenlijk direct wilde, heb ik  hier over ‘de 4 rijken’ gesproken.

Alle 4 beschikken ze over het minerale: hebben een fysiek lichaam.

3 ervan beschikken over ‘leven’.

De vraag is dan gerechtvaardigd: als het minerale alleen over het fysieke beschikt, is er dan een rijk dat alleen over het fysieke en het leven beschikt.

Het verschil tussen mens en dier enerzijds en de plant anderzijds is zo groot, dat het niet moeilijk is de vraag te beantwoorden met: alleen fysiek en leven? Dat is de plant.

het plantenrijk
Wie een tuin heeft en deze netjes heeft verzorgd alvorens met vakantie te gaan, gelooft na een week of  4 zijn ogen niet: wat is alles weer uitbundig gegroeid. En overal weer nieuw groen!
Aan deze plantenwereld valt onmiddellijk op: het groeit en het gaat maar voort met de planten: ja, de eigenschappen van dit plantenrijk zijn toch overduidelijk: groei, voortplanting, herstel, regeneratie.
En hoewel in mindere mate: het dieren- en mensenrijk vertonen dit ook.

‘boven’zintuiglijk
Deze levenskracht, dit levenskrachtencomplex, dit levenskrachtenveld is alleen waarneembaar in zijn uitingen, niet als kracht of complex of veld of wat voor woord we nog vinden. Het onttrekt zich aan de zintuiglijke waarneming.

Het is ‘buiten de zintuigen’ als realiteit wel aanwezig en valt daarmee onder het buiten- of  bovenzintuiglijke.

Het is logisch dat voor een wetenschap die alleen wil of kan of mag werken met maat, gewicht en getal, deze bovenzinnelijke werkelijkheid geen werkelijkheid kan zijn.

Maar al te gemakkelijk wordt daarmee tegelijkertijd beweerd dat deze werkelijkheid dus, of dan niet bestaat.

Nu is het niet zo gemakkelijk om ‘iets’ wat een bovenzintuiglijke werkelijkheid is, te beschrijven met woorden die ontleend zijn aan de zintuiglijke wereld.

lijf
Naast wat ik hierboven al opsomde: kracht, veld, complex introduceerde Steiner het begrip ‘Leib’.

De vertaling daarvan is ‘lijf’. In onze taal niet zo’n gebruikelijk woord meer. In antroposofische geschriften waar het om dit vormkrachtengebied gaat, wordt vaak het woord ‘lichaam’gebruikt.

Körper
Ik doe dat bewust niet. Ik gebruik lichaam slechts voor het fysieke; Steiner gebruikt daar heel vaak het woord ‘Körper’ (wat weer verwant is aan het Latijnse corpus, wat het Engelse corpse, lijk, is).

Zowel het Duitse ‘Leib’ als het Nederlandse ‘lijf’ hangen samen met het woord ‘leven’.
Wij kennen dit nog in ‘lijfrente’, een rente voor het leven; lijftocht: middelen voor het levensonderhoud, geworden tot proviand; lijfsbehoud- het in leven blijven; het vege lijf redden; het Engelse woord ‘life’, leven, hangt er mee samen.
‘Lijf’ krijgt ook de betekenis van ‘het levende lichaam’ en in ‘niets om het lijf hebben’ betekent het, het lichaam.

Steiner gebruikt in zijn uiteenzettingen over de 4-ledige mens het woord ‘Leib’ wanneer hij een krachtencomplex bedoelt. Vandaar dat er dan eens sprake is van ‘Lebensleib’, ‘Lebenskräfteleib’ ‘Formkräfteleib’.
Een Nederlandse vertaling is dan levenslichaam of levenskrachtenlichaam, vormkrachtenlichaam enz. Zoals gezegd: ik geeft de voorkeur aan ‘lijf’, ook al is dit in sommige opzichten een wat ouderwets woord.

Wanneer in antroposofische literatuur het woord lichaam wordt gebruikt in combinatie met leven, of ziel of  ik, betekent dit:  ‘het krachtencomplex van’.

Levenslichaam: het levenskrachtencomplex; zielenlichaam: het complex van de zielenkrachten; ik-lichaam: het krachtenveld van het Ik.

In wezen maakt het niet veel uit welk woord je hier gebruikt, wanneer maar duidelijk is wat je ermee bedoelt.

plant is kosmos
Wie ‘plant’ zegt, zegt ook ‘zon, licht, warmte, water’.

Wat de plant aan levenskracht vertoont, is niet los te zien van processen die zich wijd om de plant afspelen. Hij is een zichtbare reactie op wat er om hem heen aan invloeden is. Schijnt de zon, dan opent zich de bloem; schijnt deze niet, of is het vochtig, dan blijft die dicht. Planten op donkere plaatsen zoeken zich een weg omhoog naar het licht. Ze zijn een antwoord op wat in de ruimte om ons heen gebeurt.

etherlijf
Vanuit dit perspectief is een woord dat Steiner ook aan dit levenskrachtencomplex geeft, begrijpelijk: etherlijf.
Dat ruimtelijke aspect kennen wij bv. in de uitdrukking: ‘hij is in de ether’ , wanneer er iemand op de radio is: in de ruimte.

Het Griekse aithèr betekent ‘fijne lucht, maar ook hemelgeest; tot het hogere en fijnere behorend, in tegenstelling tot het zware stoffelijke hier op aarde.

Vooral die laatste tegenstelling is belangrijk: hierin wordt weer uitgedrukt de tegenstelling leven-dood, die we al hadden gevonden.

Vandaar: levenslijf, etherlijf

vervolg: deel 3

DE VIERLEDIGE MENS (1)

Het fysieke lichaam

‘Waar in de wereld vinden we ijzer?’ vroeg ik mijn toehoorders vaak, wanneer ik een cursus of een lezing gaf over het vierledige mensbeeld.
Men dacht koortsachtig na, probeerde zich te herinneren wat men op school had geleerd. Wat waren de landen waar ijzererts vandaan kwam.

Of, om het even, welke ander materie: kalk, magnesium, fosfor, enz.

Maar wanneer ik aangaf dat ik de gevonden landen niet bedoelde, was er enige verwarring, todat uiteindelijk iemand op het idee kwam het eigen lichaam te noemen.

De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.
Ja, in ons eigen lichaam zijn deze stoffen ook voorhanden. Ik zeg met opzet ‘ook’, om aan te geven dat de stoffen die in of op de aarde gevonden worden en waaruit de aarde bestaat, ook in ons gevonden worden. De stoffelijkheid van de wereld is ook onze stoffelijkheid.

In ‘Wat is antroposofie’ citeert de schrijver, Willem Veltman, een Amerikaan die de hoeveelheid van de voornaamste stoffen in ons lichaam berekende en ze vervolgens uitdrukte in producten of gebruiksvoorwerpen:

Vet                             voldoende voor 7 stukken zeep

IJzer                           voldoende voor 1 spijker

Suiker                        één zoutvaatje vol

Kalk                           genoeg om een kippenhok mee te witten

Fosfor                        genoeg voor 2200 luciferkoppen

Magnesium               genoeg voor één dosis magnesia

Kalium                       genoeg om buskruit te maken voor één schot uit een
kinderkanon

zwavel                       genoeg om een hond te ontvlooien

De idee dat daar in de wereld stoffen aanwezig zijn die ook in mij zijn te vinden, geeft mij een bepaalde manier van me verbonden voelen met de wereld waarop ik leef. Ik ben op deze manier een stukje van de wereld.

Dat die stoffen in mij aanwezig zijn, daarvoor heb ik niets hoeven doen. Ik kreeg ze bij de geboorte mee.

Maar die aanwezigheid blijkt geen constante te zijn. Ik kan bv. aan een van de stoffen een  tekort hebben – het ijzer – en dan uit zich dat in bloedarmoede. Ik kan ook een kalkgebrek hebben.
Je kunt er ook teveel van hebben: suiker of vet bv.

En als ik een tekort aan ijzer heb, heb ik er niets aan dat ik een brokje ijzer inslik. Mijn lichaam heeft er alleen wat aan als het in aangepaste vorm kan worden opgenomen.

Stof als basis
Dat betekent eigenlijk dat de stoffen niet naar hun eigen aard in mij aanwezig (kunnen) zijn, maar dat ze zich moeten voegen naar wat ik lichamelijk als organisme ben. Ze zijn dus in zekere zin ondergeschikt aan dit organisme; ze moeten daaraan dienstbaar zijn. Ze vormen er een basis voor.

Tijdens mijn leven voegen de stoffen zich naar mijn organisme. Dit dicteert wat ik nodig heb, in welke mate en wat ik niet nodig heb.

Mijn organisme heeft daar op de een of andere manier ‘weet’ van. Als het te weinig of teveel krijgt van wat het nodig heeft, reageert het en wij voelen dat in de gewaarwordingsziel als pijn(tje), misselijkheid, duizeligheid, ziekte, honger enz.

Al levend weten wij eigenlijk van ons eigen organisme niet of dit wel de juiste stoffen in de juiste hoeveelheden krijgt.

Dit vind ik wel vreemd: het is je eigen lichaam en toch weet je niet precies wat en hoe het daarin en daarmee gaat. Pas als een bepaalde grens overschreden wordt, word je het gewaar.

Dit ‘dienstbaar zijn aan’ gebeurt dus tijdens mijn leven. In mijn organisme zijn de stoffen er tijdens mijn leven in een bepaald verband; ze zijn dienstbaar aan dat verband. Buiten mijn organisme zijn ze niet dienstbaar, ‘leiden ze hun eigen leven’.
Tijdens mijn leven dienen ze mijn leven en na mijn leven gaan ze weer hun eigen leven leiden.
Immers, wanneer ik dood ben, is de band met mijn leven niet meer nodig: de binding is overbodig en ont-binding is het gevolg. De stoffen komen weer in hun oorspronkelijke gebied: de aarde.
Stof ben je en tot stof zul je weerkeren.

Aarde
Ook in de naamgeving speelt het woord ‘aarde’ mee. Daar waar we met de meest aardse delen te maken hebben, in de botten, spreken we van beenaarde. 2/3 van het menselijke skelet bestaat eruit. Het is samengesteld uit verschillende fosforzure kalkverbindingen.

Het woord ‘fysiek’ komt van het Griekse ‘phusikos’ dat ‘tot de natuur behorend’ betekent.

In het woord ‘lichaam’ zit etymologisch het deel ‘lic’ dat ‘lijk, vlees’ betekent en ‘ham’ dat ‘omhulsel’ betekent. lichaam ‘stoffelijk omhulsel’. Samengesteld uit → lijk 1 ‘(dood) lichaam’ en → haam ‘omhulling’, ‘het vlees zonder leven en ziel’

Rudolf Steiner  over dit fysieke lichaam:
GA 4: Wij vallen niet samen met de voorwerpen buiten ons, maar we maken mét de dingen buiten ons, deel uit van diezelfde wereld.

GA 9 De fysieke wereld: dat is wat er vóór de mens al was; dat treft hij bij zijn verschijnen op de wereld aan. Het is een gegeven.

Met zijn lichamelijke zintuigen neemt de mens de wereld waar, maar ook zijn eigen lichamelijkheid.

Door zijn lichaam behoort de mens tot de wereld die hij met zijn lichaam waarneemt.

Door zijn minerale bestaansvorm is de mens verwant met al het zichtbare.

GA 13 Het lijk is aan dezelfde processen en krachten onderhevig als die in de minerale wereld werkzaam zijn.

GA=Gesamt Ausgabe: de geschreven boeken en de gesproken voordrachten

vervolg: deel 2