Categorie archief: Uncategorized

Orgaantransplantatie (2)

.

In een vorig artikel belichtte Jaap van der Weg enkele aspecten van ‘orgaantransplanttie’, een onderwerp dat dit jaar (2020) extra aandacht kreeg door de wet die bepaalt dat je automatisch donor bent, mits je aangeeft dit niet of onder bepaalde omstandigheden wél te willen zijn.
In 1998 (het jaar van bovengenoemd artikel) was de wet iets anders.
In dat zelfde jaar verschenen er meer artikelen waarin vanuit antroposofische en andere gezichtspunten naar deze vorm van donatie werd gekeken.

.
Erwin Kompanje, Jonas, maart 1998

 

Donor worden doe je niet zomaar …
en begint met een goede oordeelsvorming!

“Hersendood is dood en daarmee definitief en onherroepelijk. ”

(Uit: Donor worden doe je niet zomaar. Dat begint met een goede wet en een glasheldere informatie. Een uitgave van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport)

Orgaandonatie straks: het ‘geval’ Robert

Kun je als je ‘ja’ zegt op de vraag van de overheid of je na je dood je organen beschikbaar wilt stellen nog spreken van (een potentiële) donatie? En levert een centraal donorregister eigenlijk wel meer organen op? Vragen (en antwoorden) van orgaandonatieonderzoeker Erwin Kompanje*, aan de hand van het verhaal van de hersendode Robert, verkeersslachtoffer.

We schrijven 13 december 1998. De negentienjarige Robert slaat met zijn auto over de kop en wordt met ernstig schedel-hersenletsel opgenomen op de neuro-intensive care van een academisch ziekenhuis. Hij is diep comateus en zijn situatie is zorgwekkend. Robert krijgt de optimale behandeling die men gewoon is in dergelijke gevallen te verlenen. Onder andere wordt hij kunstmatig beademd.

Acht uur na opname in het ziekenhuis blijken er geen meetbare hersenfuncties meer te zijn. Alle reflexen van met name de hersenstam zijn afwezig en als Robert wordt losgekoppeld van het beademingsapparaat vertoont hij geen spontane ademhaling meer. Om de elektrische activiteit van de hersenen te meten maakt men vervolgens een EEG (Elektro Encefalo Gram). Uit de EEG blijkt dat van de schors van Roberts hersenen geen activiteit meer uitgaat. De hersendood is conform de richtlijnen van de Gezondheidsraad vastgesteld. De arts raadpleegt het centrale donorregister, waaruit blijkt dat de wil van Robert ten aanzien van uitname van zijn organen na de dood niet geregistreerd staat. De toestemming tot orgaanuitname zullen de artsen aan de ouders van Robert moeten vragen.

Hersendood

Bij Robert werd op een gegeven moment de ‘hersendood’ vastgesteld. Hersendood is kort te definiëren als een toestand van het diepst mogelijke coma na uitgebreid en met name onherstelbaar falen van de hersenen, waarbij het hart door het aanbod van zuurstof via kunstmatige beademing blijft kloppen en ook andere organen blijven functioneren (zie verder ook het artikel van Ger Lodewick op pagina 36 en 37).(wordt op deze blog nog gepubliceerd)  Ongeveer de helft van de hersendoden in Nederland raakt in deze toestand na een hersenbloeding, en dan vooral na een zogenaamde subarachnoïdale bloeding. Dit is een bloeding die ontstaat uit een aangeboren zwakke plek (aneurysma) in één van de hersenslagaders. Daarnaast wordt bij circa 35 procent de hersendood vastgesteld na een ernstig schedel-hersenletsel, meestal opgelopen tijdens een verkeersongeval. De resterende 15 procent wordt hersendood na ernstig zuurstoftekort van de hersenen (bijvoorbeeld na een hartstilstand), door een hersentumor of als gevolg van een hersenvliesontsteking.

Hersendood is een zeldzaam verschijnsel

In een academisch ziekenhuis, waar opvang is voor patiënten met ernstige aandoeningen van de hersenen, wordt circa 2 procent van alle in dat ziekenhuis overleden patiënten doodverklaard na vaststelling van de hersendood. De resterende 98 procent wordt doodverklaard na stilstand van het hart en de ademhaling, zeg naar de ‘traditionele’ dood. Hersendood ziet men alleen maar op optreden op geavanceerde intensive care afdelingen, en dan vooral op neurologische intensive care afdelingen. Deze hersendode patiënten (de 2 procent) zijn de potentiële orgaandonoren. De overige 98 procent zijn geen geschikte orgaandonoren, maar wel geschikte weefseldonoren. Aan weefsels zoals huid en hoornvliezen is geen tekort, wel aan organen zoals harten, nieren en levers (zie kader). Daar komt nog bij dat van die 2 procent hersendode patiënten ongeveer de helft niet geschikt is als orgaandonor. Zij zijn of te oud, hebben ziekten onder de leden die door een orgaantransplantatie zijn over te dragen naar de ontvanger of zijn door andere contra-indicaties niet ‘bruikbaar’ als orgaandonor.

Het waarom van het tekort wordt duidelijk als we de ontwikkeling binnen de twee belangrijkste groepen potentiële donoren nader bekijken.

Eerst de grootste groep, bestaande uit de potentiële donoren die gestorven zijn na een subarachnoidale bloeding. Grootste groep of niet, feit blijft dat deze soort hersenbloeding zeldzaam is. Van elke honderdduizend Nederlanders krijgen jaarlijks slechts vier tot zestien personen een dergelijke bloeding. Veel van hen overlijden doordat zij in de eerste uren tot dagen na de eerste bloeding een tweede bloeding krijgen. De meeste orgaandonoren uit deze groep zijn dan ook hersendood verklaard na de tweede bloeding. In Nederland ondergaan deze patiënten de laatste jaren steeds eerder een operatie, waardoor men een tweede bloeding kan voorkomen. Hierdoor overleven meer patiënten dan vroeger en zijn er dus minder potentiële orgaandonoren.

De tweede grote groep potentiële donoren bestaat uit mensen die hersendood zijn als gevolg van een schedel-hersenletsel. Meestal is een verkeersongeluk daarvan de oorzaak, maar ‘helaas’, ook het verkeer maakt de laatste decennia steeds minder slachtoffers. Overleden in 1972 nog 3264 mensen in het verkeer, in 1995 waren dat er nog maar 1334 ( terwijl er in 1972 toch ‘slechts’ 2.800.000 auto’s in Nederland rondreden tegen 5.884.000 in 1995). Autogordels, hoofdsteunen, APK-keuring, betere wegen, alcoholwetgeving en controle hierop, snelheidsbeperkingen, betere fietspaden, brommerhelmen en vooral de airbag hebben het aantal ernstige schedel-hersenletsels aanzienlijk omlaag gebracht. Ook de opvang in de eerste uren na het ongeval en de sterk verbeterde intensieve zorg in het ziekenhuis dragen bij tot een steeds kleiner aantal potentiële orgaandonoren.

Een vrijwillige keuze?

Orgaandonatie betekent letterlijk ‘organen schenken’. Alleen mensen die bij leven zelf en vrijwillig besluiten na hun dood orgaandonor te willen zijn kunnen met recht ‘orgaandonor’ genoemd worden. Zelf de intentie hebben om orgaandonor te willen zijn, nadat men ‘begrip’ heeft van hetgeen waarover men toestemming geeft, zonder invloed van anderen is een voorwaarde voor een autonome keuze tot ‘orgaandonatie’. Orgaandonatie is te zien als een altruïstische handeling in het licht van menslievendheid. Het valt moeilijk te vergelijken met meer traditionele vormen van ‘schenken’, zoals een formele schenking, een schenking tussen vrienden of een anonieme schenking. Bij deze vormen van schenking kent de schenker de ontvanger en in veel vormen van schenking bestaat een soort van wederkerigheid of ‘beloning’, al was het alleen maar dat de schenker zich prettig voelt bij het schenken. Omdat orgaandonatie na de dood van de donateur plaatsvindt ontbreekt de mogelijkheid tot wederkerigheid of ‘beloning’. Zich bereid verklaren orgaandonor te zijn betekent bovendien niet dat men daadwerkelijk orgaandonor zal worden. De meeste bereidwilligen sterven op latere leeftijd aan hart- en vaatziekten en kanker, en zijn niet meer bruikbaar als orgaandonor. Orgaandonatie is een hypothetische donatie, die in de meeste gevallen nooit realiteit wordt.

Nu vraagt de overheid u om u uit te spreken over uw bereidwilligheid tot orgaandonatie. Mogelijk heeft u daar nog nooit over nagedacht en had u niet de intentie u daar over uit te spreken. Kunnen we dan nog wel spreken van een vrijwillige keuze, en dus van donatie? Om een zelfstandige en vrijwillige keuze te maken zal men vrij moeten zijn van de invloed van anderen. Veel zal afhangen van de begeleidende brief van de overheid. Hoe is de toonzetting? Tracht de overheid u te overtuigen van de noodzaak? Binnenkort weten we het!

De meest ongelukkige vraag

In de huidige situatie beslissen veelal anderen dan de hersendode over orgaanuitname en deze situatie zal door het nieuwe registratiesysteem waarschijnlijk niet veranderen.. Om te beginnen heeft slechts 15 tot 19 procent van de Nederlanders een donorcodicil getekend. Een te verwaarlozen deel daarvan zal ooit orgaandonor worden. Daarbij komt nog dat menslievende, altruïstisch ingestelde mannen een veel kleinere kans lopen betrokken te raken bij een ernstig verkeersongeval dan hun agressievere, meer egoïstisch ingestelde seksegenoten. De ervaring leert echter dat juist de ‘menslievenden’ veel eerder een donorcodicil zullen dragen en/of zich zullen laten registreren dan de ‘agressieven. Tot slot behoort 75 procent van de groep autobestuurders die een auto-ongeluk veroorzaakt en daarbij dodelijk gewond raakt, tot de groep jonge mannen. Daarmee is duidelijk dat bij de groep potentiële donoren waartoe Robert behoort de toestemming voor orgaanuitname nu en straks dus in de meeste gevallen door de familieleden gegeven wordt. Dit nu, is een grote belemmerde factor voor de toestemmingvragers. Om de ‘meest ongelukkige vraag op het meest ongelukkige moment te kunnen stellen’ moet men sterk in de schoenen staan. In de praktijk blijkt dan ook dat men de doodstijding en de vraag om orgaanuitname moet scheiden. ‘Leg eerst uit wat hersendood is en dat hersendood gelijk is aan de dood van het individu en laat vervolgens deze boodschap bezinken’ is de boodschap die aan jonge artsen en intensive care verpleegkundigen gegeven wordt. ‘Ga vervolgens na enige tijd terug naar de familieleden, vraag of alles duidelijk is. Als dit zo blijkt te zijn stel je de vraag om orgaanuitname’. Deze aanpak levert een aanmerkelijk hoger toestemmingspercentage op dan wanneer doodstijding en vraag om orgaanuitname samen vallen.
Weinig verrassend is verder dat empatische en betrokken hulpverleners vaker toestemming krijgen dan zij die kil en zakelijk overkomen.

Ligt het vragen om toestemming voor orgaanuitname duidelijk zeer gevoelig, het overgrote deel van de familieleden die toestemming hebben gegeven tot orgaanuitname heeft hier achteraf een goed gevoel over; zij die weigerden hebben zelden spijt. Je kunt dus concluderen dat mensen zelfs onder dramatische omstandigheden een overwogen keuze kunnen maken. Ik denk echter niet dat we in geval van toestemming door familieleden kunnen spreken over ‘donatie’. Donatie betekent vrijwillig en overtuigd schenken. Als familieleden toestemming verlenen tot orgaanuitname bij een overleden familielid op een door een hulpverlener gestelde vraag kan men hooguit spreken van ‘toestemmen tot orgaanuitname’, dit heeft niets met overwogen schenken te maken.

Blijvend tekort

Tot slot de vraag die aansluit bij het doel van het nieuwe registratiesysteem: levert centrale registratie meer organen op? Niet veel meer dan er nu zijn, denk ik. Ook al verklaart iedere Nederlander zich bereid te doneren, daarmee heb je nog geen orgaan in handen. Zoals we hebben gezien overlijden steeds minder mensen na vaststelling van de hersendood als gevolg van een subarachnoidale bloeding of ernstig schedel-hersenletsel. Daar ligt de werkelijke reden van het tekort aan donoren, niet in het niet-bereid zijn van mensen.

In landen waar men een centraal donorregister heeft ingevoerd, heeft dit niet geleid tot een groter aantal donoren. Een goed voorbeeld is Zweden waar men een zelfde systeem hanteert als wij nu gaan opzetten. Zweden heeft 8,7 miljoen inwoners. Hiervan hebben 1,5 miljoen (15 procent) hun wil laten registreren, waarvan circa 52 procent negatief en circa 42 procent positief. In het jaar na het inrichten van het register kwamen 151 potentiële donoren ter beschikking. Hiervan hadden er 13 (8,6 procent) een positieve wil laten vastleggen, 12 (7,9 procent) een negatieve wil en 126 ( 83,4 procent) kwamen niet in het donorregister voor. Van deze 126 potentiële donoren kon in 67 gevallen toestemming van de nabestaanden tot orgaanuitname worden verkregen. Centraal registreren werkt dus niet om het donoraanbod te vergroten. Het enige zinvolle van het centraal registreren van wilsuitingen is dat er een brede maatschappelijke discussie ontstaat over orgaandonatie en orgaantransplantatie en dat in geval van registratie van toestemming of weigering dit een steun voor de nabestaanden kan zijn.

Robert is als patiënt een uitzondering in de zin dat hersendood zeldzaam is. Waarschijnlijk zal hij dat niet zijn op het moment dat men tevergeefs in het centrale donorregister zoekt naar zijn wil ten aanzien van postmortale orgaanuitname.

Het tekort aan donoren zal ondanks alle inspanningen blijven bestaan. Ook moet men niet vergeten dat elke potentiële donor iemand is die in de meeste gevallen veel te vroeg is overleden. Elke donor is een dode teveel. 

 

* Erwin J.O. Kompanje studeerde verpleegkunde en medische ethiek in Rotterdam en is docent toegepaste zorgethiek aan de Hogeschool Rotterdam e.o. Heeft als verpleegkundige op de neurologische/neuro-chirurgische intensive care afdeling van het Dijkzigtziekenhuis in Rotterdam 17 jaar praktijkervaring opgedaan met orgaantransplantatie. Promoveert in mei aan de Erasmus Universiteit op een proefschrift over de praktijk van postmortale orgaanverwerving bij volwassenen. Hierin wordt deze praktijk aan een kritische ethische analyse onderworpen.

Orsaantransplantatie in Nederland

Hoewel dit getallen zijn die niet meer actueel zijn, geef ik ze hier toch weer om ze eventueel te kunnen vergelijken met de cijfers van nu (2020)

In 1997 werden er van 216 (1996: 226) Nederlandse donoren organen getransplanteerd. Het percentage multi-orgaan donoren (donoren die naast nieren ook andere organen voor transplantatie ter beschikking stellen) was 72% (1996: 64%)

Transplantatie in Nederland in 1996 en 1997

Organen (Postmortaal)                                     1996                      1997
Nier (incl. nier + pancreas)                               425                         419
Hart                                                                          60                           53
Hart +long                                                                  1                            –
Lever                                                                         76                          89
Long                                                                           20                          10
Totaal                                                                        582                       571


Transplantabele Nederlandse patiënten op de wachtlijst in 1996 en 1997


Wachtlijst voor een                                              1996                        1997
Nier                                                                            993                          997
Hart                                                                              26                            28
Lever                                                                            30                            27
Nier/Pancreas                                                             12                              4
Long                                                                              49                           62
Hart/Long                                                                       1                             2
Totaal                                                                        1111                        1120

.

Jaap v.d. Weg over orgaantransplantatie

 

 

 

.

.

 

EEN ANTROPOSOFISCHE ENCYCLOPEDIE?

.

Het is begrijpelijk dat mensen behoefte hebben aan een ‘verklarend woordenboek van antroposofische termen’; een encyclopedie misschien; een lexicon.

Die bestaan ook, o.a: Lexicon Antroposofie; en in het Duits bijv. AnthroWiki

Enerzijds is het natuurlijk goed om exact weer te geven wat je wil zeggen. Als je over astraallijf spreekt of schrijft, moet het voor de toehoorder of lezer wel duidelijk zijn wat je bedoelt. Er mogen geen onduidelijkheden zijn, noch vaagheden.
Dus: alles zo exact mogelijk beschreven. Definities eigenlijk.

Als Steiner bijv. de zevenledige mens beschrijft, is hij zeer exact in de terminologie van die zeven wezensdelen, maar tegelijkertijd beschrijft hij deze vanuit diverse gezichtspunten.

Dat hoort wezenlijk bij zijn van ‘duidelijk maken’ [1]

Waar definities geleerd moeten worden, op school, is zijn methode ook: karakteriseren i,p.v. definiëren [2]

En je zou je kunnen afvragen of  definities en begrippen, van vaststaande betekenissen van woorden en uitdrukkingen, niet op gespannen voet staan met wat antroposofie wil.
In definities leggen we immers betekenissen vast: onder ‘dit of dat’ verstaan we voortaan ‘zus of zo’. Klaar!

Met ‘begrenzing’ leg je vast; met ‘begrip’ ook ‘. Dankzij begrippen krijgen we een ‘mentale grip’ op de werkelijkheid; kunnen we die werkelijkheid be-grijpen en manipuleren.
Maar ‘grijpen’ kun je alleen vaste voorwerpen. Het vloeibare element laat zich net zo min fysiek grijpen met de handen als mentaal be-grijpen met vaste begrippen, om maar te zwijgen van de nog ijlere elementen; maar daar begint nu juist de antroposofie! Daar willen we ons door de ontwikkeling van het levende, plastische, ‘vloeibare ’ denken kennis verwerven over het leven, de ontwikkeling, de biografie en andere zaken die pas goed interessant zijn voor zover we ze als proces kennen. Maar juist om deze reden zijn ze – bijna per definitie, om het ietwat paradoxaal te zeggen – niet vast te leggen in be-grippen. Vandaar dat zelfs het idee al van zo een begrippen- of definitielijst misverstanden oproept over het wezen van de antroposofische kenmethode. Hugo Verbrugh [3]

Telkens wanneer je naar iets inhoudelijks antroposofisch vraagt en je begint met ‘wat is?’ zou je er meteen bij moeten denken: ‘en wat is het nog meer?’ Of, ‘vanuit welk standpunt komt dit ‘is’?
Dan wordt ‘denken over’ levendiger, je zou ook kunnen zeggen, je begeeft je in een proces van ‘ruimer denken’. En wellicht word je daar (meer) ‘ruim denkend’ van.

In al zijn boeken en voordrachten probeert Steiner ons iets uit te leggen door een appèl te doen  op ons creatieve denkvermogen. Hij moet het vooral met woorden doen en gebruikt er daarom vaak die in het gangbare spreken niet bestaan.

Een begrip – eenmaal omschreven – legt vast en ligt daarna vast en kun je letterlijk – na-denken.

Antroposofie leren kennen is vooral een ‘mee’denken en een ‘in’denken. Het gevolg kan zijn dat er in jou levendige begrippen ontstaan.

Zo gauw een begrip ‘is’ heeft het zich aan het ‘denken over’ onttrokken, als we Steiner volgen in zijn opmerking dat ‘denken geen zijnskarakter’ heeft.

En daarom kan een antroposofisch lexicon of woordenboek op gespannen voet komen te staan met wat het feitelijk wil beschrijven.

 

 

[1] Op Ridzerd van Dijks ‘Grote citatensite’ vind je talloze voorbeelden:
beperkte begrippen; boom; eenzijdig beeld; foto; meningen; voor en tegen; werkelijkheid
[
2] Vrijeschoolpedagogie: karakteriseren i.p.v. definiëren
[
3] In Jonas nr.7, 27-11-1981

anderen over WETENSCHAP (3)

WIJ ZIJN ONZE GEEST’

Uit een interview met prof. Herman van Praag*

Van Praag, sinds 1997 met emeritaat, verzet zich onder het motto ‘niet bij biologie alleen’ tegen een nieuwe mode: de materialistische stroming die zich laat samenvatten als ‘Wij zijn ons brein’, naar de bestseller van hersenonder­zoeker Dick Swaab. ( )

In de jaren zeventig werd hij mikpunt van de antipsychiatrie, die alle traditionele psychiatrie afwees en ook argwanend was over de biologi­sche benadering van Van Praag: “Ik ben uitge­maakt voor nazi-arts omdat ik biologisch on­derzoek van de hersenen deed bij patiënten en soms de elektroshockbehandeling toepaste. Terwijl ik best waardering had voor de anti­psychiatrie. Ze vroegen aandacht voor sociale oorzaken van psychiatrische ziektebeelden en stelden de verkalkte toestanden in sommige psychiatrische ziekenhuizen aan de kaak, waar patiënten decennia konden vegeteren. Er was weinig aandacht voor dementerenden. Maar ze rekten hun theorieën te ver op, zoals nu de breinfetisjisten. ( )

“Wij zijn er dankzij ons brein. Maar we zijn niet ons brein. Wij zijn bovenal onze geest.” Een mens is meer dan alleen het genenpatroon en de optelsom van hersenfuncties, vindt Van Praag. ( )

Ik ben in ú geïnteresseerd, niet in uw brein. Uw brein vertelt mij niet wie u bent. Daarvoor heb ik meer informatie nodig. Pas dan rijg ik zicht op het unieke portret dat u bent en dat u zelf heeft opgebouwd, door welbewuste keuzes in uw leven.

Er zijn zeven miljard van die unieke portretten op de wereld. De breinen laten die niet zien. Natuurlijk besta ik dankzij mijn brein. Zonder mijn hersens ben ik er niet. Maar daarom ben ik nog niet mijn brein. Dat is het verschil tussen Swaab en mij.

Vergelijk het met een tulp. Zonder de aarde waarin die is geplant kan hij niet bestaan. Maar je kunt niet alle eigenschappen van die tulp, zijn kleur, zijn geur, zijn schoonheid, verklaren vanuit die teelaarde,”

Van Praag verwijt zijn tegenstanders dat die oude leer van de goddelijke voorzienigheid hebben vervangen door een andere predestinatieleer,  waarin genen en voorgeprogrammeer­de hersencellen Gods rol hebben overgenomen.

‘Neuraal deterministen’ noemt hij hen.

In hun denken is menselijke vrijheid een illu­sie. Van Praag houdt zelf vast aan het begrip geest. “Ik denk dan niet aan een wolkje dat on­afhankelijk van de hersenen zou bestaan. Met ‘geest beschrijf ik onze eigenheid. Dat wat in het Engels selfhood heet, ons tot een individu maakt.”

“Mensen zijn geen speelbal van hun voorgeprogram­meerde hersenen. Ik – mijn zelf, mijn geest -geef mijn leven vorm, al worden mijn doen en laten mede beïnvloed door factoren waarvan ik mij niet goed of niet geheel bewust ben.

Ik spreek uit persoonlijke ervaring. Ik heb drie jaren in nazikampen doorgebracht. Ik heb toen zeer bewust twee beslissingen genomen: ik ga dit overleven en als me dat lukt dan ga ik iets van mijn leven maken. Dat is me gelukt, volgens plan. De hersenen stelden me hiertoe in staat, maar waren niet de bouwheer. Dat was mijn zelf’.”

( )

“Ik heb de psychiatrie altijd breed benaderd. Met oog voor de biologische, psychologische en sociale factoren die ons psychische leven kun­nen verstoren.

Daarnaast heb ik de verbeeldingskracht** hoog, het vermogen je beelden te vormen van dingen die er niet zijn, of beter, die niet
waar­neembaar of meetbaar zijn. Het kan gaan om een wetenschappelijke constructie of een ver­nieuwend idee op kunstzinnig of maatschap­pelijk gebied.

Verbeelding kan een mens tot een visionair maken. Verbeelding komt ook tegemoet aan de menselijke behoefte het leven te voorzien van een verticale dimensie. In die wereld kan een godsbeeld tot ontwikkeling komen, komt de Bijbel – dat magistrale hoogtepunt van mense­lijke verbeelding – tot leven en is er plaats voor al datgene waarmee je je in het gewone leven geen raad weet.

In intellectuele kringen is het tegenwoordig mode om de behoefte aan verticaliteit, religio­siteit, te ontkennen of te onderdrukken. Reli­gie is voor de dommen. Ik vind dat jammer, een tekort.

Vergelijk het met iemand die niets voelt bij muziek of een gedicht, of niet kan genieten van de natuur. Je mist dan zoveel. Bovendien blijken religieuze mensen stressbestendiger te zijn dan niet-religieuze. Zij hebben minder vaak depressies en genezen sneller. Dat is al­leen zo als de patiënt een optimistische kijk op godsdienst heeft. ( )

Er is altijd een weg vooruit, naar een betere toekomst. Je moet niet de fout maken om te veel van mensen te verwachten, maar de hoop moet blijven leven. Daarom is de messiaanse idee zo belangrijk. Ik geloof niet in de Messias als een persoon. Voor mij is de idee van een Messias belichaamd in de mensheid als collectief. Wij, met z’n allen, zul­len op weg moeten naar een betere toekomst. Op weg naar de horizon. Die wijkt; we bereiken die nooit, maar we komen wel steeds verder.

Daarom is het ook zo goed dat Adam en Eva die appel opaten, ook al had God dat verboden. Anders hadden ze voor eeuwig gevegeteerd in het paradijs, waar alles volmaakt is, waar niets meer te wensen valt, waar de mens geen uitda­gingen meer zou kennen. Dan was de schep­ping mislukt.”

*Trouw – 14 -12- 2013
Dit is om reden van copy-rights niet heel het interview.
Desgewenst kan het toegestuurd worden via email.
Via pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

**Rudolf Steiner over verbeeldingskracht en gezondmakend onderwijs

 

WAT OP DEZE BLOG STAAT

ANTROPOSOFIE: WETENSCHAP?
Antroposofie is geen ‘weegschaal’wetenschap; of ze dan per definitie géén of pseudowetenschap is, is de vraag

ANDEREN OVER WETENSCHAP
Alle artikelen

ANTROPOSOFIE EN WETENSCHAP
Over het ontstaan van de maan 

DE DRIELEDIGE MENS (1) lichaam, ziel, geest
Begripsbepaling; mens tussen 2 werelden

DE DRIELEDIGE MENS (2) lichaam, ziel, geest-vervolg
Meer begripsbepaling

DE DRIELEDIGE MENS (3) lichaam, ziel, geest-vervolg
Leven, gewaarwordings-verstand/gemoeds-bewustzijnsziel

DE DRIELEDIGE MENS (4)denken, voelen, willen
Voorstellen/denken; handelen/stofwisseling. Getekend schema

IK
Diepste kern; geweten; persoon

IK EN REÏNCARNATIE
Eigenheid geest/erfelijkheid. Grotere en kleinere levensritmen

HART EEN POMP? 
Is het hart meer dan een pomp? En wat is dat “meer”? De wijsheid in de taal

ANDEREN OVER HET HART 
alle artikelen

DE VIERLEDIGE MENS (1)
het fysiek lichaam

DE VIERLEDIGE MENS (2-1)
het etherlijf

DE VIERLEDIGE MENS (2-2)
het etherlijf vervolg

DE VIERLEDIGE MENS (3-1)
het astraallijf (1)

DE VIERLEDIGE MENS (3-2)
Het astraallijf (2)

DE VIERLEDIGE MENS (3-3)
Het astraallijf (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.