Categorie archief: drieledige mens

anderen over HET HART (1)

Uit een interview met embryoloog Jaap van der Wal

‘Ik gaf jarenlang colleges over het mense­lijk lichaam. Dan vertelde ik hoe men over het lichaam dacht in de tijd van vroeger tot nu. Ik sloot graag af met de befaamde Nederlandse anatoom Louis Bolk. Hij ont­dekte dat de menselijke ontwikkeling traag verloopt ten opzichte van die van dieren. De mens wordt in een veel later stadium volwassen dan de mensapen. En dat terwijl bij de geboorte mens en chimpansee nog grote overeenkomst vertonen. Bolk komt tot bijzondere inzichten in de evolutie. Dat een mensenkind een niet-gespecialiseerde toestand bewaart tegenover de snelle spe­cialisering van de chimpansee. Dat de mens “eigenlijk embryo blijft”. Er was bij de studenten altijd grote belang­stelling voor de observaties van Bolk. Te­genwoordig zijn de eerstejaarsstudenten al sterk gevormd door de populaire me­chanistische opvattingen en kijken ze niet meer zo onbevangen naar de verschijnse­len, de natuur, de mens, het lichaam. Het is een moeilijke periode voor de holistische menskunde. We gaan door een dorre woes­tijn.’

‘Zonder hart kun je niet leven. Zonder brein wel. Hersendood is lariekoek!
Als je hersenen ophouden, ben je niet dood. Je bent dood als het hart ophoudt. In het embryo ontstaat eerst het hart; het brein is een stap later en verder. Met het hart ontstaat de eerste mogelijkheid binnen ons or­ganisme individu te zijn. Het brein, het hoofd is niet de primaire oorzaak van ons bewegen. De neurobiologie zit wat dat betreft in een fuik. Het oorzaak-en-gevolg-denken staart zich dood op het brein. Je brein is het hoofd van het zenuw-zintuigstelsel. Het hart is het “hoofd” van het bloed(orgaan).

In het begin is het embryonale lichaam als het ware leeg. Er is enkel een bui­tenkant en een binnenkant; de ruimte ertussen is niet manifest. Dan ontstaat er een midden via het bloed dat het vanuit het bloedproces (vormt?). “Inter-esse” betekent “er tussen zijn”.’

Het brein
‘Het hersenorgaan begint zich vanaf de derde week te ontwikkelen. Het is in uitgegroeide vorm niet begin- maar eindpunt van het zenuwproces. Het hart vormt zich vanuit het bloedproces en is (dus ook) hoofd en luistert, rea­geert en coördineert. Het hart voegt aan de beweging van het bloed niets toe! Het geeft een nieuwe impuls, zoals het brein reageert op de bewegings­mens en de zintuiglijk waargenomen wereld om ons heen! Het hersenproces levert je het bewust­zijn van de wereld om je heen. Het hart is in die zin ook een bewustzijnsorgaan: het station waar alle processen tot rust gebracht worden, waardoor steeds weer innerlijke vrije ruimte ontstaat. Waar het bloedproces rust… en omkeert. Het is het incarnatieor­gaan. Elke hartslag is een incarnatie-act, brengt ons hier en maakt ons in zekere zin wakker. Hier ben ik! In het hart kun je gewaarworden dat je in je lijf woont. Niemand wijst op zijn hoofd als antwoord op de vraag: bedoel je mij? Ben ik aan de beurt? Dan wijs je op de plaats van je hart. Daar ben je!’
‘Het hart wordt niet begrepen. Waar­om krijgt onze cultuur het zo aan zijn hart? Wat gebeurt er met ons samenlevingshart? Verharding en verkilling verzwakken het. Zoals wij denken over de fysiologie, zo richten wij ook onze samenleving in. Daar komt de terug­slag: in het sociale leven. De hartenklop van onze samenleving wordt ontregeld door stress. Deze komt voort uit hoe wij denken over onze lichamelijkheid. De huidige trant van denken over het brein bijvoorbeeld – als oorzaak van bewegen – is een gevaarlijke misvat­ting. Brein is niet beweging of oorzaak van ons bewegen. Het brein wordt on­derhouden door het ritmische systeem en het spijsverterings-ledematensysteem. Het brein bestuurt niet onze ze­nuwen.

Rudolf Steiner waarschuwde al een eeuw geleden  dat  het begrip ‘motorische’ zenuwen op een denkfout berust, alsof deze ons doen bewegen. Alle zenuwen dienen de waarneming, dus ook de waarnemingen van onze spierbewegingen. Je zult dan ook in de hersenschors geen vrije wil ontdekken. Die wil zetelt daar niet. Hersenonder­zoek wil met een scan aantonen dat er geen vrije wil bestaat. Zo ver is het ge­komen met het mechanische denken! Ik noem dat schaamteloos reductio­nisme. De vrije mens terugbrengen tot een regelbaar en geen verantwoording dragend apparaat! Alsof je de wil die je in het dagelijks leven ervaart, kunt “vangen” in een experiment dat de hersenactiviteit in beeld brengt! Dan krijg je een samenleving van “Kan ik er wat aan doen? Het was mijn hippo­campus die een foutje maakte”.

‘De werkelijkheid waarin wij leven is toch wel even iets meer dan het neurolab met knopjes en draadjes! Ik ben geen brein. Ik ben Jaap van der Wal en ik heb én ik ben mijn lichaam. Kennelijk is het brein een belangrijke voorwaar­de om te leven. Maar ik ben niet mijn brein. De mensen zijn het transparante lichaam vergeten dat weerstandsloos mij dient. Marcel Proust bracht het zo onder woorden: “Wij hebben voor de toekomst geen nieuwe horizon nodig, we hebben nieuwe ogen nodig!” De empathische blik heeft oog voor het kwalitatieve. Met alleen tellen en me­ten verliezen we de mens uit het oog.’

(deel van een interview, verschenen in het blad ‘Stroom’)

alle anderen over hart

HART EEN POMP?

“HET HART EEN POMP”?

Denken, voelen en willen hebben we leren kennen als 3 uitingen van de ziel.

ZIEL:
opgevat als het vermogen de buitenwereld tot binnenwereld te maken en de binnenwereld weer tot buitenwereld.

Ziel is een vermogen-niet waarneembaar met de zintuigen waarmee we de fysieke wereld waarnemen.

Om tijdens het leven een ziel te kunnen hebben, is een lichaam nodig, waarin deze huizen kan.

Dat lichaam is wel waarneembaar en we hebben het leren kennen als hoofd, romp en ledematen; de respectievelijke zetel van denken, voelen, willen.

Ook waarneembaar zijn de organen die weer bij deze 3-ledigheid- hoofd, romp en ledematen horen: het zenuw-zintuigstelsel; hart en longen en het stofwisselingssysteem.

Zoals het denken voornamelijk plaatsvindt met behulp van de hersenen, zo wijst het voelen in de richting van het hart.

HART EN GEVOEL
Als we plotseling schrikken, voelen we dat meestal onmiddellijk aan of in ons hart: het slaat ineens sneller; hartkloppingen kunnen het gevolg zijn; we voelen het bloed kloppen in onze slapen; het bloed kan wegtrekken uit ons gezicht, zodat we lijkwit zien.

De schrik sloeg me om het hart.

 

En wanneer                          het hart je in de keel klopt,

 voel je  je niet op je gemak.

Hier kwamen ter sprake  verschillende zieleniveaus: o.a. werd de verstands-gemoedsziel beschreven.

Wanneer deze in een mens overheerst, wordt vooral geuit wat men er van vindt; hoe men het beleeft.
Deze mens leeft veel sterker in de sympathieën en antipathieën van het ogenblik; deze worden vaak (te) snel geuit: men zegt wat men op het hart heeft-

waar het hart van vol is, loopt de mond van over.

Iemand kan naar je hart spreken:

hij zegt dan dingen die je fijn vindt; waar je je lekker bij voelt .

Met kloppend hart: vol angstige spanning.

“Vol verwachting klopt ons hart”.

De volgende uitdrukkingen zijn ontleend aan het ‘Groot woordenboek der Nederlandse taal’: de ‘grote’ Van Dale:

HART

‘lichaamsdeel waarop aandoeningen van geest en gemoed werken of terugwerken’

zijn hart is geen boontje groot, hij is zeer bang

zijn hart vast­houden, in angst of vrees verkeren voor de afloop van iets

zijn hart kromp ineen van medelijden; sprong op van vreugd

met bloedend hart: op het smartelijkst in zijn gevoel getroffen.

 De lijst kan nog overdadig uitgebreid worden.

 Over het voelen werd gesproken als zich bevindend tussen denken en willen.

De vraag zou dan kunnen worden: hoe staat het hart-als gevoelsorgaan, tussen de zenuw-zintuigorganen en die van de stofwisselings-ledematenorganen.

Het hart is een spier. Het bestaat dus, grofweg gesproken, uit vlees. Het is ook rood en zoals iedere spier, trekt ook de hartspier zich samen, komt onder een bepaalde spanning, wordt harder en weer zachter en ontspant zich weer. In de polsslag kunnen we deze beweging aflezen. Het hart heeft een spierbeweging. En waar beweging is, vindt stofwisseling plaats. De rechter- en linkerkamer hebben het dikste spierweefsel: daar zit de krachtigste beweging: wanneer je op de achtergrond denkt aan : denken, voelen, willen, zit daar  de wil van het hart.

De zenuw-zintuigorganen zijn er om tot bewustzijn te komen. Om “weet” te krijgen van de omgeving. We maken beelden van de omgeving die we door de zintuigen waarnemen. Onstoffelijke spiegelbeelden van de stoffelijke werkelijkheid.

Hoger gelegen-meer richting hoofd!-bevindt zich in de rechterboezem de Aschoff-Tawarse knoop; een concentratie zenuwen.

In deze boezem komt het bloed het eerst het hart binnen. Het lijkt alsof het hart wil zeggen: hier, waar ik voor het eerst kennismaak met dit bloed, heb ik een orgaan nodig om tot kennis te kunnen komen. Er lopen van hier nog veel meer zenuwbanen; waar zenuwbanen zijn, eindigen ze ook en die uiteinden zijn zeer gevoelig. Daarmee is het hart ook zintuigorgaan. Uit heel het lichaam komt het bloed daar aan en het hart krijgt zo de gelegenheid om te weten wat de kwaliteit van dit bloed is, maar ook van de snelheid waarmee het binnenstroomt.

Een ervaring van het “snel de trap op lopen” kennen we wel: met 3, 4 treden tegelijk omhoog en we merken: we moeten dieper ademen en ons hart slaat sneller.

De bloedsomloop moet sneller. De benen zijn in beweging en de beenspieren hebben zuurstof nodig; het bloed moet dat aanvoeren; maar dan moet er ook meer zuurstof voorhanden zijn; dan moet het hart dus sneller werken. We zouden erge pijn in de benen krijgen, als het hart dit niet voorkwam door zijn aktiviteit.

Zitten we daarentegen achter ons bureau, dan hoeft het niet zo snel te gaan en het kloppen gaat langzamer.
Het hart is zintuigorgaan voor de bloedsomloop.

Even hierboven vermeldde ik de uitdrukking dat het hart kan opspringen van vreugde. Plezier, er zin in hebben; kortom: graag willen, verlevendigt de bloedstroom.

Maar omgekeerd, wanneer we terneergeslagen zijn, kunnen we dat beleven als een “zwaar hart”. Dat kan zo zwaar zijn, dat het ons in de schoenen zakt; en daarmee de moed.

Zo naar het hart gekeken, is het niet vreemd om te zeggen dat het werkzaam is tussen “denken” en “willen”, als gevoelsorgaan.

Louter naar de stoffelijkheid gekeken is het hart een orgaan dat een pompende beweging maakt; maar we doen het hart te kort, door het “slechts” een pomp te noemen. Het is meer: het is een “bezield” orgaan.

De voelende ziel vindt in het fysieke hart het orgaan dat meevibreert met de stemmingen waarin de ziel zich bevindt;

zoals in de muziek de boventonen meevibreren met de grondtoon.

Het hart als orgaan van het “midden”.

Niet te veel of te weinig van het een; of niet te veel of te weinig van het ander.

Toen ik zelf eens met hartklachten naar mijn huisarts ging- hij wordt hier met respect genoemd-dokter Albert Soesman, en ik de symptomen beschreef, en nadat hij mij had onderzocht, sprak hij de zeer verhelderende woorden: “jij hebt geen last van je hart; je hart heeft last van jou”.

(Een andere leefwijze, zonder medicijn of wat ook, was genoeg om de klachten te laten verdwijnen).

Die leefwijze was beslist niet “evenwichtig” te noemen. Dit zou kunnen betekenen: niet in overeenstemming met wat het hart als orgaan doet:

 evenwichtig werken tussen de 2 tegengestelde polen.

Ook dat zien we in de taal terug: ben je ruimhartig, of enghartig (een woord dat niet veel meer wordt gebruikt, het synoniem wel: kleinzielig!)

Het Duits kent kaltherzig tegenover warmherzig; het Nederlands kent wel lauwhartig: zonder warme belangstelling: onverschillig.

Lucht/lichthartig-we kennen wel zwaarhoofdig: pessimistisch-zwaarmoedig.

In het Duits kan men iemands hart schwermachen.

Je kunt hartelijk zijn, maar ook harteloos.

Je kunt een hart van goud, maar ook van steen hebben.

In de taal leeft nog een schat aan voorbeelden die hier natuurlijk niet allemaal genoemd kunnen worden.

  het hart een pomp?

In ieder geval een orgaan dat een pompende beweging maakt; of het daarom slechts een pomp genoemd kan worden? Uit bovenstaande beschouwing blijkt  dat het een orgaan is dat een ruimere omschrijving verdient dan uitsluitend ‘pomp’.

 

 

 

 

IK EN REÏNCARNATIE

‘.
Doordat ik mijzelf bewust ben van mijn IK, mijn zelf en ik ook weet dat ik geen andere persoon ben, sta ik als zelfstandig wezen apart van alle andere verschijningsvormen.
Met zijn IK staat de mens helemaal alleen.
U of jij kun je tegen iedereen zeggen; ‘IK’ is alleen op mijzelf van toepassing.

BEZIT NEMEN VAN HET LICHAAM
Zonder een lichaam kan het Ik zich hier op aarde niet manifesteren. Het leeft in het lichaam.

Wie kleine kinderen ziet opgroeien, kan het aan ieder kind waarnemen: het Ik is in het fysieke lichaam niet meteen heer en meester: het moet worden veroverd. De vele pogingen om te gaan staan – dat is: je onttrekken aan de horizontale houding die de dieren innemen – dus in de vertikaal komen – dat is: tot het mensenrijk gaan behoren: dat gaat niet zo maar.

Wat een plezier kunnen de kleintjes hebben als ze dan eenmaal kunnen stappen, aan het bewaren van het evenwicht. Alle muurtjes, stenen en noem maar op, MOETEN worden belopen.

In de klas was het vaak aandoenlijk om te zien hoe sommige kinderen moeite hadden om over een evenwichtsbalk te lopen; of om het touwtjespringen te gaan beheersen. Maar als het dan ging lukken: dan steeg het “zelf’vertrouwen enorm.

Trouwens, als wij ’s morgens – niet al te wakker! – opstaan, hebben we ook nog wel eens moeite meteen, met onze voet, op de juiste manier in de pantoffel te stappen.
Nog niet helemaal wakker, wil hier zeggen: nog niet helemaal in het lichaam aangekomen. (wakker-dromen-slapen)

De onderliggende vraag is natuurlijk: als we dan vanuit de nacht nog niet goed zijn aangekomen, zijn wij dan weggeweest in die nacht?

En als je als ‘zelf” weer in je lichaam moet komen als kind, ben je dan ook terug van weggeweest?

EIGENHEID VAN DE GEEST
Tot nog toe is er geen overduidelijk bewijs dat het leven uit de stoffelijkheid stamt. Eerder omgekeerd, lijkt het leven de stof vorm te geven.

Ook wat de geest betreft, is er een duidelijke polariteit t.o.v. de stof: het lichaam. Dus het lijkt er niet op dat de geest uit het lichaam voortkomt.

Dan moet de geest iets zijn dat iets eigens is.

Mijn lichaam komt door de erfelijkheidsstroom van mijn ouders; maar als mijn Ik niet uit de stoffelijkheid, dus uit de erfelijkheid kan stammen, kan ik dit dus ook niet van mijn ouders erven.

Ik kan de ogen hebben van mijn moeder; de neus van mijn vader of andere familieleden; ik lijk als baby ook wel op opa van vaders kant enz., maar als wezen, als IK? Later blijkt wellicht dat ik een ‘aardje naar mijn vaartje’ heb.

Maar ‘dit aardje’ kan naar zijn aard alleen maar inhoud zijn van wat in de gewaarwordings/verstandsgemoedsziel nog van erfelijkheid (of nabootsing!) aanwezig is.

De werkelijke kern: wie ben ik – is niet zo maar terug te vinden in de ouders.

Nu ik zo over deze dingen filosofeer, moet ik denken aan een uitspraak van mijn moeder die ze eens deed, toen ik een jaar of 18 was. Mijn gedachten en standpunten weken toen wel erg af van die, die in ons gezin gewoongoed waren. Ze zei op zeker ogenblik: “Je bent er wel een van ons, maar toch is het net of je er niet bij hoort; je bent zo anders.”

Ik geloof dat ze hier doelde op mijn eigenlijke wezen: mijn IK.

Ik interpreteer het nu zo: je eigenlijke wezen hoort niet bij je erfelijkheid.

Maar als het niet tot de stoffelijke erfelijkheid behoort, niet tot de stoffelijke wereld, dan kan het alleen maar, naar zijn aard, bij de geestelijke wereld horen.

Het stoffelijke zou ik t.o.v het geestelijke het kort – tijdelijke willen noemen. Het geestelijke heeft veel meer het karakter  van lang-durig: vergankelijk tegenover eeuwig.

Dan kan ik ook makkelijker de uitspraak begrijpen, wanneer iemand is gestorven: ‘hij heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld’.
En daarmee bedoelen we niet het stoffelijke: dat is ‘stof dat tot stof wederkeert’.

Als mijn IK aan het eind van mijn leven niet verloren gaat met de stoffelijke ontbinding, maar ‘ergens’ nog  ‘is’, dan sta ik ook open voor de gedachte, dat aan de beginkant van mijn stoffelijk – erfelijke leven, mijn IK weer tevoorschijn komt uit de geestelijke wereld.

IN – UIT
De dood wordt  weleens de ‘grote broeder’ van de slaap genoemd.

De slaap, die natuurlijkerwijs, aan het eind van de dag – de lichttijd – bezit van ons neemt, brengt ons in een tijdelijke bewustzijnsafwezigheid; de andere dag worden we weer wakker – al dan niet meteen of moeizaam en we pakken ons dagelijks leven weer op. We gaan door met de werkzaamheden van gisteren.

Dat kan alleen maar, omdat we het vermogen hebben, om het ‘gisteren’ door de nacht heen, te bewaren en mee te nemen naar ‘morgen’.

Het leven zou volstrekt zinloos zijn, als we iedere nieuwe morgen, alles wat we al geleerd hadden, weer opnieuw zouden moeten leren om verder te kunnen: we kwamen niet verder!

In de nacht bewaar ik de resultaten van gisteren voor de daden van morgen.

Nu is dag – nacht een klein ritme; niet het kleinste: we hebben ook bv. in onze ademhaling een ‘in’ – ‘uit’.
Dag – nacht is een wat groter ‘in’ –’uit’.
Wanneer ik dit nog verder uitbreid en ik blaas bij mijn dood de laatste adem ‘uit’; en we wachten bij de geboorte van een kind op de eerste levensschreeuw – het ‘in’, dan sta ik bij het begin en het eind van het leven, voor het grootste ritme van ‘in – uit’.
Is het dan geen voor de hand liggende gedachte, dat ik bij de intrede in het leven, ‘weer verder ga, met waar ik gebleven ben’, zoals ik dat vandaag ook weer deed, na de afgelopen nacht.
En aangezien de vaardigheden, die ik vandaag heb opgedaan, mij morgen verder helpen, kan ik ook zeggen – indachtig het grotere ritme: wat ik in het ene leven aan vaardigheden heb opgedaan, helpt mij, na mijn langere afwezigheid als gestorvene, weer verder, wanneer ik de draad weer oppak in een nieuwe incarnatie.

AANLEG
Dat werpt ook meteen een ander licht op het woord “aanleg”.
Want aanleg moet ergens zijn aangelegd. En als ik met aanleg voor het een of ander – een talent – op aarde kom, dan wijst dat makkelijk in de richting van: vergaarde vermogens, toen; die nu weer verschijnen.

En zoals je gisteren bv. iets kwijt kon zijn, waar je vandaag verder naar op zoek gaat, zo zoek je wellicht in je nieuwe incarnatie naar wat je ‘toen’  bent kwijtgeraakt.

Je kunt dit thema met allerlei mogelijke gedachten uitbreiden: naar personen, gebeurtenissen – het heeft allemaal met jou te maken: jouw karma.

Mensen die verzuchten: ‘Waarom moet mij dit overkomen’, zouden wellicht niet zo diep in de put hoeven te zitten, als ze als eerste gedachte zouden kunnen denken, dat dit ‘waarom’ op de een of andere manier bij ze hoort. Dat een gebeurtenis die tot zo’n verzuchting leidt, een plaats moet krijgen in het leven: je moet er iets mee.

Dit alles is geen bewijs; ik kan slechts wijzen op.

Zoals deze droom, die ik eens had, toen ik voor het eerst met de gedachte reïncarnatie/karma in mijn leven werd geconfronteerd.

Ik werkte toen in Den Haag op de vrijeschool. Ik volgde o.a. een cursus bij Frits Julius. Hoewel het een cursus met veel natuurkundige en scheikundige experimenten was, afgewisseld met wandelingen door de natuur, om te leren waarnemen, kwam er zo af en toe wel eens een meer filosofisch onderwerp ter sprake, waaronder reïncarnatie en karma.

Toen Julius was overleden, droomde ik, dat ik bij zijn kist stond en tegen hem zei: “Nu hebben we wel over reïncarnatie gesproken, maar nu weet ik het nog niet: U hebt nog niet verteld, hoe het echt zit.”

Hij keek mij vanuit zijn kist enigszins verstoord aan en zei: “Laat me nu met rust, als ik teruggekomen ben, zal ik het je vertellen.” …………..

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

IK

IK BEN HET, MAAR WIE BEN IK EIGENLIJK?
Spreken over denken, voelen en willen, of lichaam, ziel en geest,
is spreken over ons zelf. Het is mijn lichaam, mijn ziel, mijn geest, mijn denken,  mijn voelen, en mijn willen.
En, om bij de laatste 3 te blijven:IK denk, IK voel enIK wil.
Het zou dus niet moeilijk moeten zijn alles over het Ik te kunnen zeggen: we zijn het immers zelf. Maar daar begint al een moeilijkheid: Wie ben ik eigenlijk?

En tegelijkertijd is het ook wonderlijk dat we aan ons zelf kunnen vragen wie we zijn. Dat we dat aan een ander kunnen vragen, is duidelijk, maar aan ons zelf/mij zelf?
En wat te denken van het feit dat ik ook een tweegesprek met mezelf kan houden.Iedereen houdt volgens mij wel eens een tweegesprek met zichzelf. “In zichzelf praten”, met evenveel  recht van spreken kun je zeggen: “met jezelf spreken”.

Dat veronderstelt toch een soort 2-deling.Veel mensen hebben deze ervaring.

GEWETEN
Het blijkt ook veel voor te komen dat het ene deel a.h.w. “geraadpleegd” wordt, als het andere deel iets wil, of gedaan heeft. Alsof de “raadgever” ook weet heeft van hoe het hoort of niet. Je kunt bij jezelf te rade gaan. Zou dat het ge-weten zijn? Je blijkt ook je geweten te kunnen onderzoeken.

PERSOON
Wanneer iemand zich  aan een ander voorstelt, zegt deze: “Ik ben …” en dan volgt de eigennaam.

Maar er zijn talen, waarin in dit niet gebeurt.
Wij kennen het “ik heet….”, maar het Frans en het Italiaans b.v. hebben: “Ik noem mij”. 
“Hoe heet U”? wordt dan:   “Hoe noemt u zich?”
In het Hongaars vraagt men: “Hoe noemen ze u? “

Ik heet wel Jan, maar ik had ook anders kunnen heten.
Kennelijk valt ons IK niet helemaal samen met onze naam. Je kunt hem tenslotte ook veranderen; iets wat met ons zelf niet zo gemakkelijk is.

Ik zou mij als Jan, willen kwalificeren, als “persoon”. 
Als ik dit in de taaluitdrukking serieus neem, zeg ik dus eigenlijk dat ik, als ikzelf, mij manifesteer als persoon, die Jan wordt genoemd.

Ik ben er “als Jan”. Dat is mijn persoontje. Is mijn persoontje ook een persoonlijkheid?  En zo nee, zou hij dat dan kunnen worden; en zo ja, waarom is die dat dan?

En wat te denken van het woord “persoon” in zijn oorspronkelijke betekenis, als masker.

En opnieuw de vraag, wie verbergt zich achter dat masker. En dan kan ik me nog anders voordoen, dan ik ben. Alsof ik een ander ben.

Steeds duikt die tweedeling op.

DENKEN, VOELEN, WILLEN
Het denken, voelen en willen: het is mijn denken, voelen en willen.
Als ik mooie ( of minder fraaie) gedachten heb, ben ik degene die ze denkt en ik weet ook dat ik ze denk. Ik ben me bewust van mijn eigen denken; bewust van wat ik zelf denk, maar ook: dat ik zelf denk: ik ben mij bewust van mij zelf: zelfbewust.
Of zoals Toon Hermans eens zei: “Goh, ik denk wel eens, wat denk ik nou weer”.

WAKKER, DROMEN, SLAPEN
Ik kan me ook bewust zijn van mijn gevoelens en van wat ik wil. Toch is er verschil met het denken: ik weet altijd wat ik denk; maar ik weet lang niet altijd wat ik wil.

Om te denken moet je wakker zijn.  Er moet zenuw-zintuigactiviteit zijn. Als we bij de wil,  die in het ledematen-stofwisselingsgebied zijn intensiefste aangrijpingspunt heeft, naar de stofwisseling kijken, dan zijn we daar, in tegenstelling tot het denken, helemaal niet wakker bij aanwezig. Van onze eigen verteringsprocessen hebben wij geen weet. Het tegenovergestelde van weten/wakker is het geval: tegenover het bewustzijn staat hier de onbewuste activiteit. T.o.v. het wakkere, kan hier zeker gesproken worden van een gebied waarvoor wij met ons kennende vermogen, slapen.

Ons gevoelsleven, staand tussen denken en willen-hier nu even genoemd wakkerheid en slaap, zou dus een soort middenpositie moeten innemen tussen wakkerheid en slaap: en dat doet het ook. Voor veel van onze gevoelens geldt dat we ze niet echt wakker beleven; maar toch wel ervaren: niet bewust, ook niet onbewust, vager: hier is de term onderbewust op zijn plaats.

Je zou het een wat dromerig beleven kunnen noemen. Soms weet je niet eens waar ze vandaan komen: je bent onderhevig aan bepaalde stemmingen; soms worden ze ineens “wakker”, vooral als je je aan iets irriteert (antipathie) of wanneer je wordt overspoeld door een golf van sympathie voor iets of iemand, zo maar vanuit het niets.

SCHEMA’S
Wie ‘iets’ bestudeert, ontkomt niet aan indelingen, schema’s, onderscheid enz.
Dat is bij antroposofie niet anders.

Steiner geeft een aantal aanwijzingen voor het bestuderen van….vul maar in:

Werkelijk begrip krijgen we, wanneer we de feiten op elkaar betrekken.[1]Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. we begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet naar de tegenstellingen in de wereld kijken.[2]
Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

Weest U zich ervan bewust, dat U de mens alleen daardoor kan kennen, wanneer U hem vanuit 3 gezichtspunten bekijkt, wanneer U zich met de geest bezighoudt. Het is niet genoeg, dat men alleen maar ‘geest, geest, geest!’ zegt.
[3]
Seien Sie sich also klar darüber, daß Sie den Menschen nur dadurch erkennen können, daß Sie ihn immer von drei Gesichtspunkten aus betrachten, indem Sie seinen Geist betrachten. Aber es genügt nicht, wenn man immer nur sagt: Geist! Geist! Geist!

Men zou steeds het ene met het andere moeten verbinden, want daaruit bestaat dat wat leeft.[4]
Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Zo heb ik tot nog toe verschillende schema’s gehanteerd:
Vanuit het  lichaam gekeken: hoofd, romp en ledematen.
Daar kwam bij: zenuw/zintuigsysteem; hart/longensysteem; stofwisseling-ledematensyteem.
Hieraan werd gekoppeld: rust, ritme en beweging.

Vanuit de ziel: denken, voelen, willen

Daar is nu aan toegevoegd: vanuit de geest: wakker, dromen, slapen.

De kern in dit alles: het IK

[1]Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
GA 293/113   ISBN 3-7274-2930-5  (1992)
[2] idem/124
[3] idem/132
[4] idem/148

DE DRIELEDIGE MENS (4)

wat voorafging: deel 1; deel 2; deel 3

DE DRIELDIGE MENS

DENKEN, VOELEN, HANDELEN (1)

Ook deze ervaring zullen velen met mij delen-vooral als je doe-het-zelver bent.

PLANNEN=IDEEËN HEBBEN/KRIJGEN
Je wilt je keuken verbouwen. Daar sta je dan, te kijken, alles in ogenschouw te nemen. In gedachten breek je dit weg, plaatst dat, doet zus en zo. En aan je werktafel gaat dat nog even door. Planning, noemen we dat. We maken een plan en dat neemt steeds meer vorm aan. En hoewel er nog geen tegeltje losgekapt is, zien we al helemaal voor ons, hoe het gaat worden.

De dichter Marsman zag het ook voor zich, toen hij aan Holland dacht:

Denkend aan Holland,

Zie ik brede rivieren enz.

En dit is nu zo karakteristiek voor het denken. Wij zien „het“ voor ons. Ik stel de nieuwe keuken al helemaal voor me op. De voorstelling van de keuken is daar.

Maar met de „stoffelijke“ keuken is nog niets gebeurd! Ik hoefde in de bestaande keuken de („aardse werkelijkheid“) nog helemaal niets te doen, dan daar te staan of aan mijn tafel te zitten. In mijn hoofd gebeurde echter van alles: wikken en wegen: zal ik zus of zo? Het ene beeld door het andere vervangen, veranderen,  kortom: ik dacht.

VOORSTELLEN
Denken is in hoge mate een beweeglijke activiteit, die onstoffelijk (wel een realiteit, maar geen aardse) is. Preciezer: deze vorm van denken is het zich voorstellen, met een toekomstkarakter: min of meer zal het zus of zo gaan: voorstellen wordt zo „fantaseren“. Voorstellen heeft ook een verledenkarakter: wanneer ik me iets voorstel: voor de geest haal, wat ik eerder met fysieke zintuigen waarnam: de herinnering. Bij beide gaat het om beelden. Voorstellen heeft beeldkarakter.

HANDELEN
Wanneer ik aan het werk ga, moet ik de handen uit de mouwen steken en mijn beste beentje voorzetten. Hakken, breken, puin afvoeren, nieuw materiaal aandragen. Beweeglijkheid, maar nu met de materie. Uiteraard moet ik er goed mijn hoofd bijhouden en mijn hersenen gebruiken; maar in veel mindere mate dan bij het plannen; nu gaat het vooral om de handen. Transpiratie. ´s avonds: honger en moe, lichamelijk moe, als een blok in slaap. De andere dag misschien wel spierpijn. Daar was bij het plannen geen sprake van. Erna geen overmatige eetlust; moe? Een beetje slaperig wel.

POLAIRE PROCESSEN
Ik ben mij ervan bewust, dat deze processen nooit zo gescheiden verlopen als ik hierboven schets. De mens is immers een individualiteit-dat betekent zoiets als niet te scheiden; maar we kunnen wel onderscheiden en dat gebeurt hier.

En omdat het zoeken van tegenstellingen meer informatie oplevert dan wanneer je overeenkomsten probeert te vinden, is voor deze polariteit gekozen.

HOOFD
Het hoofd erbij houden; je hersenen gebruiken, behoort heel duidelijk bij de denkprocessen: het combineren en deduceren van Sherlock Holmes; Poirot die zo trots was op zijn grijze hersencellen! Als je iets niet voor mogelijk houdt, heb je er een zwaar hoofd in. Wat is de taal toch geweldig! In de afgeslotenheid van de hersenschedel ligt ons brein. Daar de hersencellen, verbonden met de zenuwen, op hun beurt weer deel uitmakend van onze zintuigen,  mogen we spreken over een zenuw-zintuigstelsel.

Het denken, met behulp van ons brein, moet kennelijk in de afgeslotenheid gebeuren. Je moet niet te veel aan je hoofd hebben; horen en zien moeten je zeker niet vergaan. Rust is een voorwaarde. Probeer maar eens een moeilijke som op te lossen en je hoofd tegelijk zo te bewegen als bv een houtduif doet. Nee, in de bovenkamer moet rust heersen. De hersenen zelf moeten als massa ook niet te veel bewegen: een hersenschudding is al veel te veel; maar een kleinere uitzetting betekent ook meteen hoofdpijn.

LEDEMATEN
Hoe anders bij de armen en benen. Vooral bij de kinderen waar te nemen: hoe meer beweging, des te meer pret. En als ze nog moeten wachten: het trappelen van ongeduld. „Gaan we nou?“

En zo gesloten en vast de schedel is, zo beweeglijk armen en benen; tot aan het spreiden van de vingers, is het hier een en al openheid. Van holte is geen sprake; de schedel rond; de ledematen langgerekt; de zachte massa binnen de schedel; de zachte massa buiten de beenderen van de ledematen.

En als je deze polariteit op je laat inwerken, zie je ineens een soort gebaar:zie de schets verderop.

ROMP
Naast hoofd en ledematen kennen we het derde deel van de bekende indeling: de romp. Het middendeel. Als we naar de lichamelijke kant kijken, zien we enerzijds, in de ribbenkast, botten, die niet meer zo stralend zijn als de ledematen, maar ook niet zo rond als de schedel.

Niet zo open, maar, in hun korfvorm, ook niet zo gesloten. Naar het hoofd toe, sluiten ze zich wel meer: in de atlas en de draaier zijn ze veel dichter en vaster van vorm geworden; terwijl de zwevende ribben juist weer meer bij de ledematen lijken te horen.

Prachtig, zoals het middendeel letterlijk het midden houdt tussen hoofd en ledematen.

Is het hoofd er om het denken mogelijk te  maken, de ledematen om te kunnen handelen; zou het middendeel dan met het voelen samenhangen?

ZIEL
De ziel in ruimere zin werd eerder het vermogen genoemd om de buitenwereld tot binnenwereld te maken; en omgekeerd. Wanneer er bv een harde knal achter me klinkt, dringt die in me via mijn gehoorszintuig; maar vrijwel onmiddellijk begint mijn hart te bonzen; ik trek wit weg en de adem wordt me bijna benomen. Het is niet moeilijk om allerlei eigen ervaringen aan te geven, waarbij adem en bloed sterk mede betrokken zijn bij het voelen. Ook hier is de taal weer rijk: „het hart klopte hem in de keel; het hart zonk hem in de schoenen.“ We kennen uit eigen ervaring  de verstikte stem bij sterke emoties; de zwaarder wordende ademhaling bij opwinding enz.

Hart en longen: dat is ook: ritme; deze idee lijken de ritmisch zich vertonende ribben nog te versterken.

Buitenwereld wordt binnenwereld en omgekeerd. Zo noemde ik de ziel.

Maar ik kan ook onmiddellijk neerschrijven: dat is de ademhaling.

HOOFD                                             ROMP                                    LEDEMATEN

denken                                              voelen                                   willen

rond                                tussen rond en gestrekt                     gestrekt

voorstellen        bew.z.z/verstandsz\gewaarwordingsz\  handelen

onstoffelijk                                                                                       stoffelijk

geest                                                                                                  materie

in/binnen                              binnen/buiten                                 buiten

HANDELEN/WILLEN
Naast handelen gebruik ik hier ook het woord willen. Nu is de wil als zodanig geen gemakkelijk onderwerp.  Als ik zo het woordje „wil “gebruik, is dit voor iedereen duidelijk, zo gebruiken U en ik het dagelijks. Simpel in te zien is, dat als je wat wilt, je in actie moet komen. Willen is vaak de impuls die aan het handelen voorafgaat. Vanuit deze optiek gebruik ik willen en handelen nu door elkaar.

STOFWISSELING
Bij het handelen beschreef ik al die verbouwing van mijn keuken. Het hakken en breken, het wegruimen van het puin; het aanvoeren van nieuw materiaal. Het is een aan-en wegbrengen, verplaatsen, veranderen van materie. Een intensief ploeteren met de stof. En dat kan alleen als ik me beweeg. Ik heb de beweeglijkheid van de ledematen, met de gewrichten nodig. De andere dag is het goed merkbaar aan de spierpijn, dat het niet alleen de ledematen zijn, maar ook de daarbij behorende musculatuur, die nodig is voor het handelen.

Nu hebben wij ook spieren, die zich aan onze direct beïnvloedbare handelingen, wilsimpulsen, onttrekken. We spreken niet voor niets over willekeurige en onwillekeurige spierbewegingen. Bij het eten van iets, zie je een mooie overgang van de willekeurigheid naar de onwillekeurige bewegingen.

Ik laat het telen van het voedsel en het klaarmaken daarvan buiten beschouwing, het is duidelijk dat het hier om een werking van, in en met de stoffelijkheid gaat. Terzijde merk ik hier op, dat in het ruiken en proeven onmiddellijk de aard van het zenuw-zintuigstelsel zichtbaar wordt: het „ontstoffelijken“ van de materie. De materie wordt a.h.w. geabstraheerd tot geur en smaak. De functie van het zenuw-zintuigstelsel is bewustzijn geven van.  Hier: bewustzijn van het betreffende voedsel: niet de kwantiteit, maar de kwaliteit.

In het kauwen en doorslikken hebben we de laatste mogelijkheid ons „willend“ met het voedsel bezig te houden; na het inslikken is het onttrokken aan onze wil(lekeur).

Echter, een zo mogelijk nog grotere activiteit vindt nu plaats, samengevat in het hele verteringsproces. Een mooi woord: stofwisseling: om- en uitwisseling van alle mogelijke voedingsstoffen, met de daarvoor bedoelde organen. En er is heel wat spierweefsel bij betrokken.

Bij de grote beweeglijkheid waartoe de ledematen in staat zijn, maar dan meer uiterlijk, hoort de beweeglijkheid-naar binnen toe, van de stofwisseling.

Daarom wordt in het drieledig mensbeeld ook vaak gesproken van het stofwisselings-ledematensysteem, naast het ritmische en het zenuw-zintuigsysteem.

MENS ALLEEN BREIN?
Met hulp van het drieledig mensbeeld is er veel meer over de mens te zeggen, dan bv het monisme, dat de mens reduceert tot zijn brein.

Wanneer ik alles wat tot nog toe gezegd is in een “schema” samen zou willen vatten, kom ik tot onderstaande tekening, die ik als een “gebaar” zou willen opvatten.

DE DRIELEDIGE MENS(3)

voorafgaan deel 1; deel 2

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (3)

Een eenvoudige waarneming kan ons leren dat we op een drievoudige manier in de wereld staan.
Even simpel is het in te zien dat we de mens als zielewezen, ook kunnen beschrijven als een denkend, voelend en willend wezen.

Ziel blijkt nader te omschrijven te zijn.

Ook lichaam en geest kunnen nader beschreven worden.

LICHAAM
Als ik hier zou vragen waar we ijzer, kalk, mangaan enz. vinden, dan zal menigeen denken aan landstreken waar deze stoffen worden gevonden.

Pas in tweede instantie denk je aan je eigen lichaam. Tot in grote details zijn deze stoffen bekend.

Al deze stoffen zijn te isoleren en naast elkaar te leggen.
Op zeker ogenblik worden deze stoffen van mijn lichaam los gemaakt: ont-bonden”. Wanneer mijn lichaam aan de natuur wordt overgelaten, isoleert deze mijn stoffelijkheid.

Maar dat gebeurt pas, wanneer ik ben gestorven. Wanneer ik niet meer leef. Dan wordt het woord uit de Prediker waar: „Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.“

LEVEN
We weten niet wat het is en hoe het er is gekomen.
We weten alleen dat het er is zo lang we leven.
Daar we niet in stof  uiteenvallen als we leven, moet dit leven iets te maken hebben met het bijeenhouden van mijn lichamelijkheid. Dit geldt ook voor de andere rijken in de natuur die leven: de planten en de dieren.

HÈT VRAAGSTUK:
Is leven een eigenschap van de materie; of is het „iets“ zelfstandigs, dat de materie vormt en gestalte geeft.

Tot nu toe hebben we met het leven wel de stof; met de stof niet het leven.

Als ik Steiners visie volg, moet ik hier spreken over een vormkrachtencomplex. Zekere krachten die de stoffelijkheid bijeen houden.

LEIB/LIJF
In het Duits wordt het woord Leib gebruikt, i.t.t. Körper; in het Nederlands „lijf“ i.t.t. lichaam, waarbij dit laatste etymologisch verwant is aan „lijk“-“lic”de stoffelijkheid zonder leven (likdoorn); het eerste: het leven, zoals we dat nog kennen in woorden als lijfrente; lijftocht enz.

We kunnen „leven“ niet zien; we ervaren het; voor ieder van ons is het een werkelijkheid: we leven immers!
Dat zou m.i. aanleiding moeten zijn tot het accepteren van het feit dat er een realiteit is die het waarnemen met de gewone zintuigen te bovengaat.

Het leven hebben wij gemeen met de planten en de dieren.
Het kenmerkt zich vooral door groei en voortplanting.
De uitwerking van de levensactiviteit in de materie is zichtbaar.

GEWAARWORDINGEN
Niet zichtbaar zijn de gewaarwordingen die hiermee samenhangen, ze worden wel door iedereen ervaren: wij hebben onze hongergewaarwordingen; er is een drang tot voortplanten. We kunnen het lijstje aanvullen met allerlei woorden die behoren bij al datgene wat ligt in de sfeer van instinct, drift en begeerte. Deze zijn beleefbaar als gevoelens, nog sterk verbonden met het leven; het vegetatieve. Er gaat een grote dwang vanuit. Het handelen dat ermee gepaard gaat, is in hoge mate een „moeten“, dus onvrij.

ZIEL
Wij kunnen ons als mens alleen op basis van onze lichamelijkheid manifesteren. Als de gewaarwordingen afhankelijk zijn van het levend-stoffelijke in ons, betekent dit, dat dit levend-stoffelijke onze gewaarwordingen begrenst. Als ik blind ben zijn mijn kleurgewaarwordingen minder intens, of zelfs geheel afwezig, dan wanneer ik over goed ziende ogen beschik.

Om de ziel te karakteriseren werd er gesproken over een vermogen om de buitenwereld tot eigen wereld, binnenwereld te maken en de binnenwereld weer naar de buitenwereld te uiten; kortom: te handelen.

Toen ik bij de bakker even in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en besluiten: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.

Als we over “ziel” spreken, hebben we het over “iets” dat met de gewone zintuigen niet waarneembaar is. We kunnen niet anders dan ons bedienen van woorden die betrekking hebben op wat wel met de gewone zintuigen waarneembaar is.

Als we zeggen “de ziel is” spreken we onszelf al meteen tegen, want de ziel IS niet, zoals een arm of been is. De ziel pendelt voortdurend , als een stroom, tussen denken en handelen.

Om iets van de ziel te begrijpen, is het nodig om veel te karakteriseren. Maar dat moet wel uitmonden in vastere definities. Anders liggen de misverstanden op de loer.

GEWAARWORDINGSZIEL
Omdat we bij onze gewaarwordingen iets beleven, onze binnenwereld ervaren, is er, de omschrijving van ziel volgend, van “ziel” sprake: gewaarwordingsziel.

VERSTANDS-GEMOEDSZIEL
Toen ik bij de bakker even in dubio stond of ik de gevulde speculaas wel zou kopen, was daar in mij de controverse tussen „begeren“ en „beheersen“.

Uit eigen ervaring kan ieder hierover meepraten: wij kunnen, met name in het sociale leven, niet blindelings onze driften, begeerten, neigingen volgen. Wij wikken en wegen, motiveren en besluiten: dit kunnen we onder een vorm van denken rangschikken. Een denken dat nog sterk verbonden is met ons voelen, maar toch een ander voelen is dan de gevoelens die rondom de gewaarwording voelbaar zijn.

Het is niet moeilijk bij je zelf na te gaan waar bepaalde gevoelens vandaan komen.
Honger, dorst, slaap enz.: gewaarwordingen: gewaarwordingsziel

We onderscheiden deze als vanzelfsprekend van vrolijk of verdrietig zijn; boos of blij zijn enz.
Met deze gevoelens raken we verder weg van die gevoelens die meer met het vitale verbonden zijn.
We komen meer bij ons “gevoel”; bij ons gemoed-onze  gemoedsgesteldheid.

Vandaar: gemoedsziel.
Dit is meer de ziel van het “dagelijkse leven”. We worden met iets geconfronteerd: een bericht in de krant, of via een tv.programma. Het grijpt ons aan: we worden er vrolijk(er) of verdrietig(er) van.
Maar, we vinden er ook iets van. We stemmen in of spreken onze afkeer erover uit. We begeleiden deze gevoelens ook met onze mening: wat we ervan vinden.

Vandaar: verstandsziel.
Het is het Engelse to think, dat zowel denken als voelen betekent. Dit is het gebied waaruit wij spreken, wanneer we ergens iets van vinden. Hier bewegen we ons tussen alle vormen van sympathie en antipathie.

Het is nog sterk aan onze eigen beleving gebonden; het is het subjective denken; hiermee spreken we ons gemoed uit.

Dat is het gevoel op het weiland; de vreugde over de paardenbloemen; of de afkeer.

BEWUSTZIJNSZIEL
Zo gauw ik echter op zoek ga naar wat een paardenbloem is, moet ik los zien te komen van mijn „wat ik er van vind“. Als de essentie van iets in mij tot klaarheid komt, heb ik daarmee iets in mij opgenomen dat buiten mij om als essentie bestaat. Dat heb ik eerder geest genoemd.

Om deze kwaliteit van het denken onder woorden te brengen, noemde Steiner dit de bewustzijnsziel. Hoe meer we in staat zijn de wereld met al zijn essenties zich in ons te laten uitspreken, des te meer nemen we de wereld van de geest, die we ook de wereld van de waarheid, of –heden kunnen noemen, in ons op.

En zoals onze lichamelijkheid de begrenzing vormt voor de ene kant van de ziel: de gewaarwordingsziel; zo zijn er aan de andere kant, door de bewustzijnsziel onbegrensde mogelijkheden om de geest te leren kennen.

Zoals de gewaarwordingsziel ziel is, maar nauw verbonden aan het stoffelijk-levende, zo is de bewustzijnsziel nauw verbonden met wat ik als geest in me kan opnemen.

Wanneer de bewustzijnsziel in mij tot volle ontwikkeling komt, wanneer ik zoveel geest in mij heb opgenomen, wordt er gesproken over „geestzelf“, een volgend stadium heet „levensgeest“ en het derde stadium „geestmens“. Deze drie blijven hier voorlopig onbesproken; ik noem ze alleen om te laten zien, dat ook de geest drievoudig kan worden opgevat.

Zo kan men de mens zien, niet alleen als een drieledig wezen, maar tevens als een negenledig wezen; wanneer de gewaarwordingsziel meer bij het lichamelijke wordt gezien en de bewustzijnsziel meer bij het geestelijke kan men ook spreken over een zevenledige mens.

Rudolf Steiner:
„Kommen Sie über die Illusion hinweg, dass Sie ein begrenzter Mensch sind.“

“Laat de illusie dat U als mens beperkt bent, achter U” [1]

[1]GA 294
Vertaald in het Nederlands:
Opvoedkunst, methodisch-didactische aanwijzingen
Uitgeverij Christofoor
ISBN: 9060381866

vervolg

DE DRIELEDIGE MENS (2)

wat voorafging

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (2)

Of je de antroposofie nu wel of geen wetenschap noemt of een pseudowetenschap, wie zich bezig houdt met Steiners boeken en/of voordrachten zal daaruit niet anders kunnen opmaken dan dat Steiner zich veel moeite getroostte, de begrippen die hij wilde gebruiken, zo precies mogelijk te omschrijven.

Dat hoort bij wetenschap.

Bij zijn methode van beschrijven hoort het karakteriseren van tegenstellingen.

TEGENSTELLINGEN
Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.'[1]

‘De werkelijkheid bestaat uit tegenstrijdigheden. We begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we de tegenstrijdigheden in de wereld niet zijn.’

 Dat onderscheiden is belangrijk: je leert meer van de tegenstellingen dan van de overeenkomsten.

ERVARINGEN
We hebben ze allemaal, soortgelijke ervaringen: ik ben dol op gevulde speculaas. Bij de bakker ruik ik het, ik zie het liggen.

Geef ik toe aan die directe trek, of niet? Even zet ik het proces stil: ik denk na. Toch maar niet, gisteren eigenlijk al te veel gesnoept.

De (bakkers)wereld komt via mijn zintuigen bij me binnen. Allerlei gevoelens komen op: hmm…lekker. Dat is de werking van mijn ziel:  zij maakt de buitenwereld tot mijn binnenwereld, mijn belevingswereld. Geef ik toe aan wat ik nu beleef, ervaar: de trek in dat lekkers of geef ik er niet aan toe, m.a.w.: beheers ik me en loop ik verder. Ik denk na en besluit niet toe te geven aan mijn eerste impuls.

KINDEREN
Ik heb lang in het onderwijs gewerkt. Als je, vooral tegen jongere kinderen, enthousiast zegt dat we –zo dadelijk- buiten gaan spelen, loop je het risico dat de helft spontaan opstaat en naar de gang gaat. Je kondigde dit eigenlijk aan om eerst wat afspraken te maken. Maar de kinderen, met hun zielenvermogen om de buitenwereld tot binnenwereld te maken, zetten hun wereld niet stil door na te denken: in tegendeel: ze komen meteen in beweging: ze hebben er zin in; ze willen graag.

Uit deze voorbeelden blijkt dat de ziel niet zomaar ziel is: ze beweegt zich naar de inkeer van het denken; en naar het uitbundige van het doen.

PROBLEEM
Voor het preciezere beschrijven van de ziel doet zich nu een moeilijkheid voor: als deze stoffelijk zou zijn, kon ik exact aangeven hoe deze eruit ziet: die vorm, zo zwaar, die kleur enz. De ziel heeft geen „zijns“ karakter; toch moet ik mij bedienen van woorden die ook op begrippen van toepassing zijn die „zijns“karakter hebben .

ZIEL
De ‘inhoud’ van de ziel zijn de gevoelens die grofweg zijn in te delen in sympathie en antipathie, met veel denkbare variaties. Naar buiten toe wordt ze handelend; doend, willend. Naar binnen gericht: denkend, overpeinzend.

GEVOEL
Zo zou men kunnen spreken van: gevoel als teruggehouden wil; nog niet uitgevoerde handeling enerzijds; en nog niet geworden gedachte anderzijds.(GA293)

ZIEL: EEN VERMOGEN WAARMEE DE MENS ZICH DENKEND, VOELEND EN WILLEND UIT

IK
Maar de mens: dat zijn wij: U en ik en als we over ons zelf spreken, kunnen we alleen maar het woordje Ik gebruiken.

Ik heb dus een vermogen waarmee ik mij voelend, denkend en willend uit: MIJN ZIEL

vervolg

 

[1]GA 293/129

DE DRIELEDIGE MENS (1)

DE DRIELEDIGE MENS

Lichaam, ziel en geest (1)

In ‘Theosofie’ [1] geeft Steiner een voorbeeld van iemand die over een weiland loopt.
Die iemand had ik kunnen zijn. Ik wandel veel en loop dan vaak over begroeide weilanden, zoals laatst nog, over een met veel paardenbloemen.

Met mijn ogen neem ik de plant: de groene blaadjes, de gele bloemen en/of grijze pluizenbollen waar. Ze staan daar , buiten mijn toedoen. Ik vind ze mooi; ik geniet van zo’n geel veld. Door dit gevoel is er een band ontstaan tussen mij en die bloemen.

De boer, die diezelfde bloemen daar liever niet had zien groeien, heeft, door ze te zien, ook een gevoelsband gekregen, die heel anders is dan de mijne.

Een jaar later loop ik weer over dat zelfde weiland. Er groeien weer paardenbloemen, al zijn het niet de bloemen van vorig jaar. Opnieuw word ik er blij van.Ik herinner mij dat ik er vorig jaar ook al zo vrolijk van werd. Die herinnering is er, zonder dat de bloemen van het vorige jaar er zijn.

Maar de paardenbloemen van het vorige jaar, zijn toch precies hetzelfde als de paardenbloemen van dit jaar. En als ik ze verleden jaar grondig bestudeerd heb en van alles gevonden over hun groei en bloei, dan vind ik, bij bestudering nu, al dat, wat ik al gevonden had, weer opnieuw.

De boer zal er nog steeds de p over in hebben, dat ze daar staan, maar als hij ze bestudeerd zou hebben, dan waren we tot dezelfde kennis over de paardenbloem gekomen en we zouden kunnen voorspellen dat onze kennis het jaar daarop waarschijnlijk niet zou zijn veranderd, omdat de paardenbloem zo is gebleven als ze is.

Deze ervaring leert ons:

 WE STAAN OP DRIEËRLEI MANIER IN DE WERELD

DE WERELD OM ONS HEEN
We vinden een ons gegeven wereld. Deze wordt in de antroposofie vaak beschreven als de fysiek/lijfelijke wereld.

ONZE BINNENWERELD
We hebben onze eigen binnenwereld-onze gevoelens: onze emoties; onze ziel.

DE INHOUD VAN DE WERELD OM ONS HEEN
In mijn voorbeeld: de “wereld” van de paardenbloem: hoe die groeit enz.-het wezen van. Dat wordt de wereld van de geest genoemd.

Uit dit soort ervaringen kan ik niet anders dan de conclusie trekken dat ik:

met mijn fysiek/lijfelijke zintuigen: ogen, oren, neus enz. de wereld om me heen waarneem-me er via mijn zintuigen mee verbindt;

dat ik een binnenwereld heb, waarmee ik gevoelsbelevingen heb die verschillen van iemand anders zijn beleving, dus puur mijn belevingen zijn;

en dat ik een wereld kan leren kennen die ook gegeven is, die echter niet gelijktijdig met het waarnemen door mijn fysiek/lijfelijke zintuigen wordt weergegeven; een wereld die ik kan zoeken of niet; een wereld die er is, onafhankelijk van mijn gevoelsbelevingen, of ik deze nu mooi of lelijk vind.

BEGRIPSBEPALING

Om te weten wat de begrippen lichaam, ziel en geest inhouden, dienen ze duidelijk omschreven te worden.

LICHAAM
Alles wat we in de wereld aan stoffelijkheid vinden dat buiten ons toedoen daar is gekomen. De “gegeven”wereld. De wereld die we aantreffen.

ZIEL
Een innerlijke kracht die het ons mogelijk maakt de buitenwereld tot onze eigen wereld te maken; tot onze eigen aangelegenheid.

GEEST
De wereld van de wetmatigheden, de waarheden. Hoe de ons gegeven wereld in elkaar zit; de ideële inhoud van de stoffelijke wereld

TUSSEN TWEE WERELDEN

Als het ervarende wezen mens sta ik enerzijds in verbinding met de stoffelijke wereld; anderzijds kan ik mij openstellen voor die wereld van wetmatigheden, waarheden enz. die hier geestelijke wereld wordt genoemd.

Ook mijn vader, die niet meer leeft, hield van paardenbloemen; na zijn dood was de paardenbloem zoals deze is, er nog steeds en ook na mijn dood zal deze er nog wel op dezelfde manier zijn. Zo sta ik als ervarend wezen dus tussen het kort-tijdelijke: de paardenbloem van dit voorjaar-al weer afgestorven; en die van het veel langer durende: de inhoud van de paardenbloem. Een beetje poëtisch zou ik willen zeggen: zo sta ik als mens tussen het vergankelijke en het eeuwige: tussen de stof en de geest.

[1]GA 9
Vertaald in het Nederlands:
Theosofie
Uitgeverij Christofoor
ISBN: 9789060385159

vervolg