DE VIERLEDIGE MENS (3-2)

HET ASTRAALLIJF (2)

In Steiners vierledig mensbeeld is sprake van fysiek lichaam; etherlijf; astraallijf en Ik.

Met grote regelmaat zegt hij dat de naamgeving niet zo belangrijk is; wel, wat je karakteriserend omschrijft.

Hij benadrukt dat ‘de dingen in tegenstellingen zien’* een grotere kennis geeft over wat je bestudeert.

Hier heb ik uitgelegd waarom ik liever het woord etherlijf dan etherlichaam gebruik; ditzelfde geldt voor astraallijf/lichaam.

LICHAAM-LIJF
Lichaam veronderstelt iets concreets: iets wat je kunt beetpakken, het is stoffelijk. Lijf daarentegen duidt op ‘leven’ op een veel minder concreet iets – zeker niet vast te pakken, op te tillen of neer te zetten, om maar wat te noemen. ‘Leven’ is toch veel meer het complex aan krachten; aan (uit)werkingen; aan vermogens om te…..(Hier staat dus eigenlijk een kleine tegenstelling tussen fysiek lichaam en etherlijf.)

TEGENSTELLINGEN ETHER-ASTRAALLIJF
Ga je vanuit het etherlijf verder met zoeken naar nieuwe tegenstellingen, dan kom je – zeker als je bij de tegenstelling fysiek-ether het mineraal en de plant hebt gevonden; nu via de tegenstelling plant – dier bij de tegenstelling ‘leven-beleven’.

Het ‘be’ heeft iets in zich van ‘meer’ en tegelijkertijd ‘op een ander niveau’. Vaak wordt ‘grijpen’ en ‘begrijpen’ genomen om dit te verduidelijken. ‘Grijpen’ is nog fysiek: je hebt er armen en handen voor nodig. ‘Be-grijpen’ is het mentaal grijpen; zo als je iets concreets vast kunt houden, zo hou je hier iets mentaal vast; als idee, als gedachte. Een gaan van ‘vatten’ naar ‘be-vatten’.

Dat ‘meer’ is niet een stapeling van hetzelfde. Het is tegelijkertijd anders; van een andere kwaliteit. Be-leven is niet voortdurend méér leven. Méér leven bij een plant zou woekering betekenen; nog méér materie! Nog meer uiterlijke vergroting. Bij be-leving is er juist de omgekeerde (tegengestelde) beweging. Niet uiterlijk, maar innerlijk!

UITERLIJK-INNERLIJK
Be-leving is dus vooral ver-innerlijking. In de artikelen over ‘ziel’ heb ik daar uitgebreid aandacht aan besteed. Ziel als een vermogen de buitenwereld tot binnenwereld te maken en ook om de (beleefde) binnenwereld weer te uiten, naar buiten te brengen.

Het is te begrijpen dat ‘de’ wetenschap met ‘ether- en astraallijf’ niet veel kan. De criteria die zij zichzelf stelt, zijn in wezen terug te voeren op: maat, gewicht en getal. Op wat concreet is: te pakken, te zien, enz. Daardoor blijft ze bij het onderzoeken en beschrijven van de fysieke component. Daarin heeft de wetenschap grootse resultaten behaald.

Als het om ‘leven’ en ‘beleven’ gaat, biedt de (natuur)wetenschap veel minder. Gevoelens bv. laten zich niet wegen, meten of tellen – zoals de zak aardappelen van Prof.Dr.Willem Luijpen.

Hoewel vioolmuziek niet vanzelfsprekend uit de viool opklinkt, is de muziek niet mogelijk zonder het instrument. Het instrument is dus de absolute voorwaarde voor wat er klinken kan – zonder vioollichaam geen vioolklank.

Dr.Walther Bühler noemde zijn boek over de drieledige mens: Het lichaam als instrument van de ziel.

Het lichaam dat onvoorwaardelijk nodig is om de ziel te laten klinken – zich te laten uiten en te verinnerlijken.

Leven en be-leven is alleen mogeliljk op basis van lichamelijkheid.

Maar dat is niet hetzelfde als ‘de lichamelijkheid brengt leven en be-leven voort.

Zie fysiek lichaam.

Het be-leven is het 2e complex aan krachten dat met de gewone zintuigen niet waarneembaar is; alleen de uitingen in of met het fysieke zijn dat.

Wanneer we blijven zoeken in de tegenstellingen, kan ons opvallen dat een bloem onder invloed van het zonlicht of de zonnewarmte haar bloemknop opent. Wanneer een be-levend wezen – dier of mens – de ogen opent, is dit niet hetzelfde. Als het koud is of donker blijft, gaan sommige bloemen helemaal niet open.

Als het koud of donker is, gaan de ogen van dier en mens tòch open of door een oorzaak van buiten (lawaai) of door een werking van binnenuit: we worden ‘gewoon’ wakker.
In die zin is een plant noch wakker, noch slaapt ze. Omdat ‘wakker – droom – slaap’ bewustzijnstoestanden kunnen worden genoemd, kunnen we hieruit concluderen dat een plant geen bewustzijn heeft (wat betreft zoals wij haar zien in de aardse omstandigheden).

Wanneer dier of mens wakker zijn, hebben ze ook ‘weet’. Er is bewustzijn. Planten hebben op deze manier geen ‘weet’.

Maar om bewustzijn te kunnen manifesteren, is er materie nodig – lichamelijkheid – en in dier en mens is de materiële basis voor dit bewustzijn het zenuwstelsel: de hersenen – het brein – en de zenuwen. Bij de plant ontbreken ze.

Direct verbonden met dit zenuwstelsel zijn de zintuigen. M.n. de klassieke 5: gezicht, gehoor, reuk, smaak en tast. D.m.v. deze worden wij gewaar.
Vandaar dat hier een deel van de ziel beschreven is als ‘gewaarwordingsziel’.

Wanneer het lente wordt, zien we veel planten te voorschijn komen; ze bloeien; rijpen tot zaad en sterven weer af. De lente is zomer geworden; het najaar komt waarin veel vruchten rijp zijn; de winter waarin het vegetatieve leven tot rust lijkt gekomen. De velden zijn kaal.

De plant, reagerend op wat er kosmisch – of in de ‘ethersferen’ gebeurt.

Wanneer buiten ‘het licht opgaat’, reageert de plant. Zou de plant in zichzelf ‘het licht kunnen laten opgaan’ en daar naar reageren, dan zouden we moeten concluderen – wanneer we de zon als de lichtbrenger beschouwen – dat in de plant een ‘stukje zon’ geïncorporeerd zou zijn.

Bij mens en dier – in ieder geval weten we uit onze eigen ervaringen dat het bij ons zo is – , kan er van binnenuit wel ‘een licht opgaan’: dit gebeurt wanneer we plotseling iets – be-grijpen!

Mensen denken al ettelijke duizenden jaren over zichzelf na en geven verklaringen voor de verschijnselen. In de Assyrisch-Babylonische tijd sprak men wanneer men het over de mensenziel had, over de astrale wereld en men doelde met dit astrale op de planeten en de sterrenbeelden van de dierenriem. Dat er ‘iets’ van de planeten en zodiactekens die men bepaalde krachten toedichtte, in de mens belichaamd zou zijn, zoals net beschreven voor het ‘stukje zon’ in de plant.

Om te kunnen begrijpen hebben we een orgaan nodig; het bewustzijnsorgaan: hersenen/zenuw-zintuigstelsel.

De vraag kan nu ontstaan of er uit de ‘astrale’ wereld krachten in ons stromen of al gestroomd zijn en fysiek geworden, bv. in de organen.

De planten reageren op de kosmos. Hun (groei)beweging is, zoals we al eerder zagen, geen bewegen van binnenuit. Ze ‘moeten’ bewegen op o.a. licht en duisternis.

Dier en mens k u n n e n  bewegen; ze kunnen zich ook stil houden. Ze moeten niet per se.
Wanneer we een ‘ding’ zien liggen waarvan we niet weten of het bv. een insect is, dan raken we het aan. Blijft het liggen, dan was het een stukje materie; beweegt het, loopt of vliegt het weg, dan was het een dier(tje). Het is soms niet eenvoudig om het zo maar van buitenaf te zien – de gekko lijkt wel heel veel op het blad:

gekko

 

 

De beweging van binnenuit hoort dus bij het astraallijf.

Nu is de ene beweging de andere niet: die kan een agressief karakter hebben, bv. bij het slaan of schoppen; of een totaal tegenovergestelde intentie hebben in de liefkozing.

In de manier waarop bewogen wordt, komt dus mede iets van de soort astraliteit tot uiting!

Rudolf Steiner heeft veel mededelingen gedaan over de wereld van planeten en dierenriem en de invloed op de mens en dus ook op de menselijke ziel. Dat maakt het begrijpelijk dat ook hij de woorden ‘astraal, astraliteit, astrale wereld’ gebruikt.

Steiner:
Ik zou willen zeggen: laten we eens aannemen dat ons astraallijf op zeker ogenblik van het leven en zulke ogenblikken zijn er steeds, omdat we ook steeds met de wereld in verbinding staan – in verbinding staat met de krachten die vanuit het sterrenbeeld  ram naar ons toestromen. Doordat ons astraallijf in verbinding met of onder bepaalde invloeden van datgene staat wat uitstraalt vanuit het sterrenbeeld ram, ontstaat in het astraallijf de mogelijkheid zich te kunnen afsluiten in zijn bijzondere vorm; zich te begrenzen; terwijl er in het astraallijf, wanneer het onder invloed staat van de weegschaal zich beweging ontwikkelt die het meer open laat staan tegenover de wereld. Zo ontstaat er een bepaalde tendens tot beweging onder invloed van ieder sterrenbeeld. Onder invloed van dit of dat sterrenbeeld wordt het astraallijf in zijn bovengedeelte langer, gestrekt; onder invloed van een van de andere sterrenbeelden wordt juist het ondergedeelte langer. Er zijn 12 specifieke soorten van beweging en ook zeven specifieke gewoonten onder invloed van de planeten. Dat zijn meer innerlijke bewegingen van de planeten –waarbij  de inwendige delen meer bewegen  of in een andere verhouding tot elkaar komen te staan. Op deze manier heeft ons astraallijf door de kosmos ingeplant gekregen 12 + 7 gewoontes.

 Ich will also sagen: Nehmen wir an, unser Astralleib steht in irgend­einem Momente seines Lebens – und solche Momente gibt es ja immer, weil wir mit der Welt immer in Verbindung stehen – in Ver­bindung mit den Kräften, die aus dem Sternbilde des Widders uns zuströmen. Dadurch, daß unser astralischer Leib in Verbindung oder unter dem besonderen Einflusse steht desjenigen, was aus dem Stern-bilde des Widders herausstrahit, entwickelt sich in diesem Astralleibe die Möglichkeit, sich in seiner besonderen Gestalt abzuschließen, sich eine schöne Grenze zu geben; während, wenn der Astralleib mehr unter dem Einiluß der Waage steht, sich in ihm eine Bewegung ent­wickelt, die ihn mehr offen sein läßt gegen die ganze übrige Welt.So entwickelt sich eine bestimmte Bewegungstendenz unter dem Einflusse eines jeden Sternbildes. Unter dem Einflusse dieses oder jenes Sternbildes streckt der Astralleib seinen oberen Teil besonders in die Höhe, unter dem Einflusse eines der andern Sternbilder streckt er besonders seinen unteren Teil. Aber zwölf besondere Bewegungs­arten gibt es, und wieder sieben besondere Gewohnheiten unter dem Einflusse der Planeten. Das sind mehr innere Bewegungen unter dem Einflusse der Planeten, wo die inneren Teile sich mehr bewegen odersich in ein Verhältnis zueinander bringen. So hat im Grunde genom­men unser astralischer Leib eingepflanzt durch den Kosmos 12 + 7= 19 Gewohnheiten.
GA 156

 

Rudolf Steiner wegwijzers (20)

astraallijf  (1)  (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

Advertenties

7 reacties

    Trackbacks

    1. VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 311 – voordracht 6 | VRIJESCHOOL
    2. VRIJESCHOOL – ‘antroposofisch’ onderwijs (3) | VRIJESCHOOL
    3. De vierledige mens (3-3) | antroposofie: een inspiratie
    4. DE VIERLEDIGE MENS (3-1) | antroposofie: een inspiratie
    5. WAT STAAT OP DEZE BLOG | antroposofie: een inspiratie
    6. WAT OP DEZE BLOG STAAT | antroposofie: een inspiratie
    7. VRIJESCHOOL – Rudolf Steiner over pedagogie(k) – GA 301 voordracht 9 | VRIJESCHOOL

    Geef een reactie

    Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

    WordPress.com logo

    Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

    Google photo

    Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

    Twitter-afbeelding

    Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

    Facebook foto

    Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

    Verbinden met %s

    %d bloggers liken dit: