Maandelijks archief: augustus 2012

IK

IK BEN HET, MAAR WIE BEN IK EIGENLIJK?
Spreken over denken, voelen en willen, of lichaam, ziel en geest,
is spreken over ons zelf. Het is mijn lichaam, mijn ziel, mijn geest, mijn denken,  mijn voelen, en mijn willen.
En, om bij de laatste 3 te blijven:IK denk, IK voel enIK wil.
Het zou dus niet moeilijk moeten zijn alles over het Ik te kunnen zeggen: we zijn het immers zelf. Maar daar begint al een moeilijkheid: Wie ben ik eigenlijk?

En tegelijkertijd is het ook wonderlijk dat we aan ons zelf kunnen vragen wie we zijn. Dat we dat aan een ander kunnen vragen, is duidelijk, maar aan ons zelf/mij zelf?
En wat te denken van het feit dat ik ook een tweegesprek met mezelf kan houden.Iedereen houdt volgens mij wel eens een tweegesprek met zichzelf. “In zichzelf praten”, met evenveel  recht van spreken kun je zeggen: “met jezelf spreken”.

Dat veronderstelt toch een soort 2-deling.Veel mensen hebben deze ervaring.

GEWETEN
Het blijkt ook veel voor te komen dat het ene deel a.h.w. “geraadpleegd” wordt, als het andere deel iets wil, of gedaan heeft. Alsof de “raadgever” ook weet heeft van hoe het hoort of niet. Je kunt bij jezelf te rade gaan. Zou dat het ge-weten zijn? Je blijkt ook je geweten te kunnen onderzoeken.

PERSOON
Wanneer iemand zich  aan een ander voorstelt, zegt deze: “Ik ben …” en dan volgt de eigennaam.

Maar er zijn talen, waarin in dit niet gebeurt.
Wij kennen het “ik heet….”, maar het Frans en het Italiaans b.v. hebben: “Ik noem mij”. 
“Hoe heet U”? wordt dan:   “Hoe noemt u zich?”
In het Hongaars vraagt men: “Hoe noemen ze u? “

Ik heet wel Jan, maar ik had ook anders kunnen heten.
Kennelijk valt ons IK niet helemaal samen met onze naam. Je kunt hem tenslotte ook veranderen; iets wat met ons zelf niet zo gemakkelijk is.

Ik zou mij als Jan, willen kwalificeren, als “persoon”. 
Als ik dit in de taaluitdrukking serieus neem, zeg ik dus eigenlijk dat ik, als ikzelf, mij manifesteer als persoon, die Jan wordt genoemd.

Ik ben er “als Jan”. Dat is mijn persoontje. Is mijn persoontje ook een persoonlijkheid?  En zo nee, zou hij dat dan kunnen worden; en zo ja, waarom is die dat dan?

En wat te denken van het woord “persoon” in zijn oorspronkelijke betekenis, als masker.

En opnieuw de vraag, wie verbergt zich achter dat masker. En dan kan ik me nog anders voordoen, dan ik ben. Alsof ik een ander ben.

Steeds duikt die tweedeling op.

DENKEN, VOELEN, WILLEN
Het denken, voelen en willen: het is mijn denken, voelen en willen.
Als ik mooie ( of minder fraaie) gedachten heb, ben ik degene die ze denkt en ik weet ook dat ik ze denk. Ik ben me bewust van mijn eigen denken; bewust van wat ik zelf denk, maar ook: dat ik zelf denk: ik ben mij bewust van mij zelf: zelfbewust.
Of zoals Toon Hermans eens zei: “Goh, ik denk wel eens, wat denk ik nou weer”.

WAKKER, DROMEN, SLAPEN
Ik kan me ook bewust zijn van mijn gevoelens en van wat ik wil. Toch is er verschil met het denken: ik weet altijd wat ik denk; maar ik weet lang niet altijd wat ik wil.

Om te denken moet je wakker zijn.  Er moet zenuw-zintuigactiviteit zijn. Als we bij de wil,  die in het ledematen-stofwisselingsgebied zijn intensiefste aangrijpingspunt heeft, naar de stofwisseling kijken, dan zijn we daar, in tegenstelling tot het denken, helemaal niet wakker bij aanwezig. Van onze eigen verteringsprocessen hebben wij geen weet. Het tegenovergestelde van weten/wakker is het geval: tegenover het bewustzijn staat hier de onbewuste activiteit. T.o.v. het wakkere, kan hier zeker gesproken worden van een gebied waarvoor wij met ons kennende vermogen, slapen.

Ons gevoelsleven, staand tussen denken en willen-hier nu even genoemd wakkerheid en slaap, zou dus een soort middenpositie moeten innemen tussen wakkerheid en slaap: en dat doet het ook. Voor veel van onze gevoelens geldt dat we ze niet echt wakker beleven; maar toch wel ervaren: niet bewust, ook niet onbewust, vager: hier is de term onderbewust op zijn plaats.

Je zou het een wat dromerig beleven kunnen noemen. Soms weet je niet eens waar ze vandaan komen: je bent onderhevig aan bepaalde stemmingen; soms worden ze ineens “wakker”, vooral als je je aan iets irriteert (antipathie) of wanneer je wordt overspoeld door een golf van sympathie voor iets of iemand, zo maar vanuit het niets.

SCHEMA’S
Wie ‘iets’ bestudeert, ontkomt niet aan indelingen, schema’s, onderscheid enz.
Dat is bij antroposofie niet anders.

Steiner geeft een aantal aanwijzingen voor het bestuderen van….vul maar in:

Werkelijk begrip krijgen we, wanneer we de feiten op elkaar betrekken.[1]Durch dieses Tatsachen-aufeinander-Beziehen bekommen wir reale Begriffe.

De werkelijkheid bestaat uit tegenstellingen. we begrijpen de werkelijkheid niet, wanneer we niet naar de tegenstellingen in de wereld kijken.[2]
Aus Widersprüchen besteht die Wirklichkeit. Wir begreifen die Wirklichkeit nicht, wenn wir nicht die Widersprüche in der Welt schauen.

Weest U zich ervan bewust, dat U de mens alleen daardoor kan kennen, wanneer U hem vanuit 3 gezichtspunten bekijkt, wanneer U zich met de geest bezighoudt. Het is niet genoeg, dat men alleen maar ‘geest, geest, geest!’ zegt.
[3]
Seien Sie sich also klar darüber, daß Sie den Menschen nur dadurch erkennen können, daß Sie ihn immer von drei Gesichtspunkten aus betrachten, indem Sie seinen Geist betrachten. Aber es genügt nicht, wenn man immer nur sagt: Geist! Geist! Geist!

Men zou steeds het ene met het andere moeten verbinden, want daaruit bestaat dat wat leeft.[4]
Man muß immer das eine mit dem anderen verweben, denn darin besteht das Lebendige.

Zo heb ik tot nog toe verschillende schema’s gehanteerd:
Vanuit het  lichaam gekeken: hoofd, romp en ledematen.
Daar kwam bij: zenuw/zintuigsysteem; hart/longensysteem; stofwisseling-ledematensyteem.
Hieraan werd gekoppeld: rust, ritme en beweging.

Vanuit de ziel: denken, voelen, willen

Daar is nu aan toegevoegd: vanuit de geest: wakker, dromen, slapen.

De kern in dit alles: het IK

[1]Allgemeine Menschenkunde als Grundlage der Pädagogik
GA 293/113   ISBN 3-7274-2930-5  (1992)
[2] idem/124
[3] idem/132
[4] idem/148

DE DRIELEDIGE MENS (4)

wat voorafging: deel 1; deel 2; deel 3

DE DRIELDIGE MENS

DENKEN, VOELEN, HANDELEN (1)

Ook deze ervaring zullen velen met mij delen-vooral als je doe-het-zelver bent.

PLANNEN=IDEEËN HEBBEN/KRIJGEN
Je wilt je keuken verbouwen. Daar sta je dan, te kijken, alles in ogenschouw te nemen. In gedachten breek je dit weg, plaatst dat, doet zus en zo. En aan je werktafel gaat dat nog even door. Planning, noemen we dat. We maken een plan en dat neemt steeds meer vorm aan. En hoewel er nog geen tegeltje losgekapt is, zien we al helemaal voor ons, hoe het gaat worden.

De dichter Marsman zag het ook voor zich, toen hij aan Holland dacht:

Denkend aan Holland,

Zie ik brede rivieren enz.

En dit is nu zo karakteristiek voor het denken. Wij zien „het“ voor ons. Ik stel de nieuwe keuken al helemaal voor me op. De voorstelling van de keuken is daar.

Maar met de „stoffelijke“ keuken is nog niets gebeurd! Ik hoefde in de bestaande keuken de („aardse werkelijkheid“) nog helemaal niets te doen, dan daar te staan of aan mijn tafel te zitten. In mijn hoofd gebeurde echter van alles: wikken en wegen: zal ik zus of zo? Het ene beeld door het andere vervangen, veranderen,  kortom: ik dacht.

VOORSTELLEN
Denken is in hoge mate een beweeglijke activiteit, die onstoffelijk (wel een realiteit, maar geen aardse) is. Preciezer: deze vorm van denken is het zich voorstellen, met een toekomstkarakter: min of meer zal het zus of zo gaan: voorstellen wordt zo „fantaseren“. Voorstellen heeft ook een verledenkarakter: wanneer ik me iets voorstel: voor de geest haal, wat ik eerder met fysieke zintuigen waarnam: de herinnering. Bij beide gaat het om beelden. Voorstellen heeft beeldkarakter.

HANDELEN
Wanneer ik aan het werk ga, moet ik de handen uit de mouwen steken en mijn beste beentje voorzetten. Hakken, breken, puin afvoeren, nieuw materiaal aandragen. Beweeglijkheid, maar nu met de materie. Uiteraard moet ik er goed mijn hoofd bijhouden en mijn hersenen gebruiken; maar in veel mindere mate dan bij het plannen; nu gaat het vooral om de handen. Transpiratie. ´s avonds: honger en moe, lichamelijk moe, als een blok in slaap. De andere dag misschien wel spierpijn. Daar was bij het plannen geen sprake van. Erna geen overmatige eetlust; moe? Een beetje slaperig wel.

POLAIRE PROCESSEN
Ik ben mij ervan bewust, dat deze processen nooit zo gescheiden verlopen als ik hierboven schets. De mens is immers een individualiteit-dat betekent zoiets als niet te scheiden; maar we kunnen wel onderscheiden en dat gebeurt hier.

En omdat het zoeken van tegenstellingen meer informatie oplevert dan wanneer je overeenkomsten probeert te vinden, is voor deze polariteit gekozen.

HOOFD
Het hoofd erbij houden; je hersenen gebruiken, behoort heel duidelijk bij de denkprocessen: het combineren en deduceren van Sherlock Holmes; Poirot die zo trots was op zijn grijze hersencellen! Als je iets niet voor mogelijk houdt, heb je er een zwaar hoofd in. Wat is de taal toch geweldig! In de afgeslotenheid van de hersenschedel ligt ons brein. Daar de hersencellen, verbonden met de zenuwen, op hun beurt weer deel uitmakend van onze zintuigen,  mogen we spreken over een zenuw-zintuigstelsel.

Het denken, met behulp van ons brein, moet kennelijk in de afgeslotenheid gebeuren. Je moet niet te veel aan je hoofd hebben; horen en zien moeten je zeker niet vergaan. Rust is een voorwaarde. Probeer maar eens een moeilijke som op te lossen en je hoofd tegelijk zo te bewegen als bv een houtduif doet. Nee, in de bovenkamer moet rust heersen. De hersenen zelf moeten als massa ook niet te veel bewegen: een hersenschudding is al veel te veel; maar een kleinere uitzetting betekent ook meteen hoofdpijn.

LEDEMATEN
Hoe anders bij de armen en benen. Vooral bij de kinderen waar te nemen: hoe meer beweging, des te meer pret. En als ze nog moeten wachten: het trappelen van ongeduld. „Gaan we nou?“

En zo gesloten en vast de schedel is, zo beweeglijk armen en benen; tot aan het spreiden van de vingers, is het hier een en al openheid. Van holte is geen sprake; de schedel rond; de ledematen langgerekt; de zachte massa binnen de schedel; de zachte massa buiten de beenderen van de ledematen.

En als je deze polariteit op je laat inwerken, zie je ineens een soort gebaar:zie de schets verderop.

ROMP
Naast hoofd en ledematen kennen we het derde deel van de bekende indeling: de romp. Het middendeel. Als we naar de lichamelijke kant kijken, zien we enerzijds, in de ribbenkast, botten, die niet meer zo stralend zijn als de ledematen, maar ook niet zo rond als de schedel.

Niet zo open, maar, in hun korfvorm, ook niet zo gesloten. Naar het hoofd toe, sluiten ze zich wel meer: in de atlas en de draaier zijn ze veel dichter en vaster van vorm geworden; terwijl de zwevende ribben juist weer meer bij de ledematen lijken te horen.

Prachtig, zoals het middendeel letterlijk het midden houdt tussen hoofd en ledematen.

Is het hoofd er om het denken mogelijk te  maken, de ledematen om te kunnen handelen; zou het middendeel dan met het voelen samenhangen?

ZIEL
De ziel in ruimere zin werd eerder het vermogen genoemd om de buitenwereld tot binnenwereld te maken; en omgekeerd. Wanneer er bv een harde knal achter me klinkt, dringt die in me via mijn gehoorszintuig; maar vrijwel onmiddellijk begint mijn hart te bonzen; ik trek wit weg en de adem wordt me bijna benomen. Het is niet moeilijk om allerlei eigen ervaringen aan te geven, waarbij adem en bloed sterk mede betrokken zijn bij het voelen. Ook hier is de taal weer rijk: „het hart klopte hem in de keel; het hart zonk hem in de schoenen.“ We kennen uit eigen ervaring  de verstikte stem bij sterke emoties; de zwaarder wordende ademhaling bij opwinding enz.

Hart en longen: dat is ook: ritme; deze idee lijken de ritmisch zich vertonende ribben nog te versterken.

Buitenwereld wordt binnenwereld en omgekeerd. Zo noemde ik de ziel.

Maar ik kan ook onmiddellijk neerschrijven: dat is de ademhaling.

HOOFD                                             ROMP                                    LEDEMATEN

denken                                              voelen                                   willen

rond                                tussen rond en gestrekt                     gestrekt

voorstellen        bew.z.z/verstandsz\gewaarwordingsz\  handelen

onstoffelijk                                                                                       stoffelijk

geest                                                                                                  materie

in/binnen                              binnen/buiten                                 buiten

HANDELEN/WILLEN
Naast handelen gebruik ik hier ook het woord willen. Nu is de wil als zodanig geen gemakkelijk onderwerp.  Als ik zo het woordje „wil “gebruik, is dit voor iedereen duidelijk, zo gebruiken U en ik het dagelijks. Simpel in te zien is, dat als je wat wilt, je in actie moet komen. Willen is vaak de impuls die aan het handelen voorafgaat. Vanuit deze optiek gebruik ik willen en handelen nu door elkaar.

STOFWISSELING
Bij het handelen beschreef ik al die verbouwing van mijn keuken. Het hakken en breken, het wegruimen van het puin; het aanvoeren van nieuw materiaal. Het is een aan-en wegbrengen, verplaatsen, veranderen van materie. Een intensief ploeteren met de stof. En dat kan alleen als ik me beweeg. Ik heb de beweeglijkheid van de ledematen, met de gewrichten nodig. De andere dag is het goed merkbaar aan de spierpijn, dat het niet alleen de ledematen zijn, maar ook de daarbij behorende musculatuur, die nodig is voor het handelen.

Nu hebben wij ook spieren, die zich aan onze direct beïnvloedbare handelingen, wilsimpulsen, onttrekken. We spreken niet voor niets over willekeurige en onwillekeurige spierbewegingen. Bij het eten van iets, zie je een mooie overgang van de willekeurigheid naar de onwillekeurige bewegingen.

Ik laat het telen van het voedsel en het klaarmaken daarvan buiten beschouwing, het is duidelijk dat het hier om een werking van, in en met de stoffelijkheid gaat. Terzijde merk ik hier op, dat in het ruiken en proeven onmiddellijk de aard van het zenuw-zintuigstelsel zichtbaar wordt: het „ontstoffelijken“ van de materie. De materie wordt a.h.w. geabstraheerd tot geur en smaak. De functie van het zenuw-zintuigstelsel is bewustzijn geven van.  Hier: bewustzijn van het betreffende voedsel: niet de kwantiteit, maar de kwaliteit.

In het kauwen en doorslikken hebben we de laatste mogelijkheid ons „willend“ met het voedsel bezig te houden; na het inslikken is het onttrokken aan onze wil(lekeur).

Echter, een zo mogelijk nog grotere activiteit vindt nu plaats, samengevat in het hele verteringsproces. Een mooi woord: stofwisseling: om- en uitwisseling van alle mogelijke voedingsstoffen, met de daarvoor bedoelde organen. En er is heel wat spierweefsel bij betrokken.

Bij de grote beweeglijkheid waartoe de ledematen in staat zijn, maar dan meer uiterlijk, hoort de beweeglijkheid-naar binnen toe, van de stofwisseling.

Daarom wordt in het drieledig mensbeeld ook vaak gesproken van het stofwisselings-ledematensysteem, naast het ritmische en het zenuw-zintuigsysteem.

MENS ALLEEN BREIN?
Met hulp van het drieledig mensbeeld is er veel meer over de mens te zeggen, dan bv het monisme, dat de mens reduceert tot zijn brein.

Wanneer ik alles wat tot nog toe gezegd is in een “schema” samen zou willen vatten, kom ik tot onderstaande tekening, die ik als een “gebaar” zou willen opvatten.