Als de mens er niet zou zijn…….

.

In zijn boek: “Labyrint Europa” haalt de schrijver Cees Nooteboom Maarten ’t Hart aan uit diens essay ‘De kritische afstand” waarin ’t Hart zegt dat het verschil tussen mens en dier berust op het feit dat de mens de enige diersoort is waarvoor geldt dat het voor alle andere diersoorten een geweldige zegen zou zijn als hij zou afsterven.

Met Maarten ’t Hart zijn er velen die de mening zijn toegedaan dat als er op onze aarde geen mensen zouden leven, de natuur in een perfecte staat zou zijn.

Geen vervuiling, geen ontbossing, geen bedreigde dier-en plantensoorten enz.

Vanuit een bepaalde optiek is voor zo’n mening veel te zeggen.

Steiner:
Stelt u zich eens voor dat u een echte moderne natuurwetenschapper de vraag stelt hoe zou het met de natuur gesteld zijn wanneer de mens er niet was? (Dus die vraag stellen we aan Maarten ’t Hart, gedragsbioloog):
Hij zou natuurlijk eerst wat gechoqueerd zijn, omdat de vraag hem vreemd zou voorkomen. Inmiddels dus niet meer. Maar dan zou hij zich erover bezinnen welke gegevens de wetenschap hem voor de beantwoording van deze vraag verschaft en hij zou het volgende zeggen: ‘Dan zouden er op aarde mineralen, planten en dieren zijn, alleen de mens zou er niet zijn; vanaf het begin, toen de aarde zich volgens de theorie van Kant en Laplace nog in de oernevel bevond, tot op heden zou de ontwikkeling van de aarde precies zo zijn verlopen als zij gegaan is – alleen de mens zou niet in die ontwikkeling voorkomen.’ Een ander antwoord zou er eigenlijk niet uit kunnen komen. Hij zou misschien nog kunnen toevoegen dat de mens het land bebouwt en omploegt en zo het aardoppervlak verandert, of dat de mens machines construeert en daardoor veranderingen teweegbrengt, maar dat is slechts gering in vergelijking met de andere veranderingen die door de natuur zelf worden teweeggebracht. De natuurwetenschapper zou in ieder geval zeggen dat zich mineralen, planten en dieren zouden ontwikkelen, zonder dat de mens daarbij aanwezig was.

Dat is niet juist. Zou de mens namelijk niet in de evolutie van de aarde bestaan, dan zou ook een groot deel van de dieren niet bestaan; want een groot deel van de dieren – met name de hogere dieren — is alleen in de loop van de aardeontwikkeling ontstaan doordat de mens genoodzaakt was zijn ellebogen te gebruiken, figuurlijk gesproken natuurlijk. De mens moest in een bepaalde fase van zijn ontwikkeling op aarde uit zijn eigen wezen, waarin zich toen nog geheel andere elementen bevonden dan nu, de hogere dieren afzonderen, de mens moest ze van zich afscheiden om zelf verder te kunnen komen. Ik zou dit met het volgende willen vergelijken. Stelt u zich een mengsel voor waarin iets opgelost is en stelt u zich dan voor dat deze opgeloste substantie neerslaat en zich op de bodem afzet. Zo was de mens in zijn vroegere ontwikkelingsstadia met de dierenwereld verbonden en heeft hij later de dierenwereld als een neerslag afgescheiden. De dieren zouden in de aardeontwikkeling niet de dieren zijn geworden die ze nu zijn wanneer de mens niet zo had moeten worden als hij nu is. Zonder de mens in de aardeontwikkeling zouden de dieren en de aarde heel andere vormen vertonen dan nu het geval is.

Maar laten we nu een blik werpen op de wereld van mineralen en planten. We dienen goed te beseffen dat niet alleen de lagere diersoorten, maar ook de wereld van mineralen en planten al lang verstard zouden zijn, zich niet meer verder zouden ontwikkelen, wanneer de mens niet op aarde was. Wederom moet men vanuit het huidige wereldbeeld, dat gestoeld is op een eenzijdige opvatting van de natuur, zeggen: goed, de mensen sterven en hun lichamen worden verbrand of begraven en daarmee aan de aarde overgegeven, maar dat heeft voor de ontwikkeling van de aarde niets te betekenen. Want wanneer de aardeontwikkeling geen stoffelijke overschotten van mensen zou opnemen, dan zou de ontwikkeling dezelfde lijn volgen als nu, nu ze dat wel doet.

Maar dat betekent dat men zich er volstrekt niet bewust van is dat het voortdurende overgaan van stoffelijke overschotten van mensen in de aarde, onverschillig of dat gebeurt door cremeren of begraven, een reëel proces is dat doorwerkt.

De boerinnen op het land weten nog beter dan de vrouwen in de stad dat voor het bakken van een brood gist nodig is, hoe weinig ook; ze weten dat het brood niet zou rijzen wanneer er geen gist in het deeg zou zitten. Evenzo zou de aardeontwikkeling allang in de eindtoestand zijn terechtgekomen, wanneer niet voortdurend de krachten van de menselijke lijken, die door de dood gescheiden worden van de geestziel, zouden overgaan in de aarde. Door deze krachten, die de aarde voortdurend ontvangt doordat stoffelijke resten van mensen aan haar worden overgegeven, dat wil zeggen door de krachten die in de lijken huizen, wordt de evolutie van de aarde in stand gehouden. Dit bewerkstelligt dat mineralen hun kristallisatievermo­gen nu nog ontplooien – wat ze zonder die krachten allang niet meer zouden doen; ze zouden allang zijn verbrokkeld, zijn op­gelost. Dit bewerkstelligt ook dat planten die anders allang niet meer zouden groeien nu nog floreren. En dit geldt ook voor de lagere diersoorten. De mens schenkt zijn lichaam aan de aarde als ferment, als gist als het ware, voor de verdere ontwikkeling.

Daarom is het niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. Het is gewoon niet waar dat de aardeontwikkeling van mineralen, planten en dieren ook voortgang zou vinden wan­neer de mens er niet bij was! Het proces van de natuur is een eenheid, een gesloten proces waar de mens bijhoort. Men heeft alleen een juiste voorstelling van de mens, wanneer men be­denkt dat de mens, zelfs wanneer hij dood is, deel uitmaakt van het kosmische proces.
Dit bewerkstelligt dat mineralen hun kristallisatievermo-gen nu nog ontplooien – wat ze zonder die krachten allang niet meer zouden doen; ze zouden allang zijn verbrokkeld, zijn opgelost. Dit bewerkstelligt ook dat planten die anders allang niet meer zouden groeien nu nog floreren. En dit geldt ook voor de lagere diersoorten. De mens schenkt zijn lichaam aan de aarde als ferment, als gist als het ware, voor de verdere ontwikkeling.

Daarom is het niet zonder betekenis of de mens op aarde leeft of niet. Het is gewoon niet waar dat de aardeontwikkeling van mineralen, planten en dieren ook voortgang zou vinden wanneer de mens er niet bij was! Het proces van de natuur is een eenheid, een gesloten proces waar de mens bijhoort. Men heeft alleen een juiste voorstelling van de mens, wanneer men bedenkt dat de mens, zelfs wanneer hij dood is, deel uitmaakt van het kosmische proces.

Na deze gedachten zal het u niet verwonderen, wanneer ik ook nog het volgende zeg. Wanneer de mens uit de geestelijke wereld afdaalt in de fysieke wereld, wordt hij omhuld met zijn fysieke lichaam. Maar natuurlijk is het fysieke lichaam anders wanneer men het als kind ontvangt dan wanneer men het op zekere leeftijd door de dood weer aflegt. Dan is er iets gebeurd met het fysieke lichaam. Dat kan slechts plaatsvinden doordat dit lichaam doordrongen is van de krachten van geest en ziel. We eten tenslotte allemaal wat de dieren ook eten, niet waar? Dat wil zeggen: we veranderen de stoffen uit de buitenwereld zoals de dieren dat doen, maar bij ons werkt er iets mee wat de dieren niet hebben, iets wat uit de geestelijke wereld afdaalt om zich met het menselijk lichaam te verbinden. Wij doen daarom iets anders met de stoften dan dieren of planten. En de stoffen die in de stoffelijke overschotten van mensen in de aarde overgaan zijn gemetamorfoseerd, ze zijn anders dan wat de mens ontving toen hij geboren werd. Daarom kan men zeggen dat de mens de stoffen en ook de krachten die hij bij de geboorte ontvangt, tijdens zijn leven vernieuwt en ze gemetamorfoseerd weer afstaat aan het aardeproces. De stoffen en krachten die de mens bij zijn dood aan het aardeproces afstaat zijn niet dezelfde als welke hij bij zijn geboorte ontvangen heeft. Daardoor draagt de mens aan het aardeproces dus iets over wat via hem voortdu­rend uit de bovenzinnelijke wereld het fysiek-zintuiglijke aar­deproces binnenvloeit. De mens brengt bij zijn geboorte iets uit de geestelijke wereld mee naar de aarde; dat wordt opgenomen in de stoffen en krachten die zijn lichaam tijdens zijn leven formeren en dat wordt na zijn dood door de aarde opgenomen. Daardoor is de mens het medium waardoor voortdurend bo­venzinnelijke krachten kunnen doordruppelen naar de zin­tuiglijke, fysieke wereld. U kunt zich dat zo voorstellen, dat er uit de bovenzinnelijke wereld voortdurend iets als het ware naar beneden regent op de zintuiglijke wereld, maar dat deze druppels volstrekt onvruchtbaar zouden blijven voor de aarde wanneer de mens ze niet in zichzelf zou opnemen en ze via zichzelf aan de aarde zou doorgeven. Met deze druppels die de mens bij zijn geboorte in zich opneemt en bij zijn dood weer afstaat, bevruchten bovenzinnelijke krachten de aarde voortdu­rend en daardoor wordt het evolutieproces van de aarde in stand gehouden. Zonder de stoffelijke overschotten van de mensen was de aarde dus allang dood.

ga-293-blz-55

Hoewel de gezichtspunten van Van’t Hart niet per se tot een negatieve, uitzochtloze stemming hoeven te leiden – hoewel: de mens moest er eigenlijk niet zijn – als ik de gezichtspunten van Steiner op me in laat werken en naar zo’n schets kijk waaruit spreekt dat er een ‘eeuwig’ komen en gaan is, dat het ertoe doet dat je er bent, dan roept dat wel meer de stemming op om het op aarde ‘zo goed mogelijk’ te doen.
GA 293/52ev
vertaald/53ev

 

De wereld stelt ons voor vele vragen. Wat is het antwoord op al die vragen? Het antwoord is: de mens. De wereld stelt ons voor raadsels en dan staat daar: de mens. Hij is een synthese, een samenvatting en vanuit de mens treedt ons de oplossing van het wereldraadsel tegemoet.

Steiner: wegwijzer 137

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

..

EEN ANTROPOSOFISCHE ENCYCLOPEDIE?

.

Het is begrijpelijk dat mensen behoefte hebben aan een ‘verklarend woordenboek van antroposofische termen’; een encyclopedie misschien; een lexicon.

Die bestaan ook, o.a: Lexicon Antroposofie; en in het Duits bijv. AnthroWiki

Enerzijds is het natuurlijk goed om exact weer te geven wat je wil zeggen. Als je over astraallijf spreekt of schrijft, moet het voor de toehoorder of lezer wel duidelijk zijn wat je bedoelt. Er mogen geen onduidelijkheden zijn, noch vaagheden.
Dus: alles zo exact mogelijk beschreven. Definities eigenlijk.

Als Steiner bijv. de zevenledige mens beschrijft, is hij zeer exact in de terminologie van die zeven wezensdelen, maar tegelijkertijd beschrijft hij deze vanuit diverse gezichtspunten.

Dat hoort wezenlijk bij zijn van ‘duidelijk maken’ [1]

Waar definities geleerd moeten worden, op school, is zijn methode ook: karakteriseren i,p.v. definiëren [2]

En je zou je kunnen afvragen of  definities en begrippen, van vaststaande betekenissen van woorden en uitdrukkingen, niet op gespannen voet staan met wat antroposofie wil.
In definities leggen we immers betekenissen vast: onder ‘dit of dat’ verstaan we voortaan ‘zus of zo’. Klaar!

Met ‘begrenzing’ leg je vast; met ‘begrip’ ook ‘. Dankzij begrippen krijgen we een ‘mentale grip’ op de werkelijkheid; kunnen we die werkelijkheid be-grijpen en manipuleren.
Maar ‘grijpen’ kun je alleen vaste voorwerpen. Het vloeibare element laat zich net zo min fysiek grijpen met de handen als mentaal be-grijpen met vaste begrippen, om maar te zwijgen van de nog ijlere elementen; maar daar begint nu juist de antroposofie! Daar willen we ons door de ontwikkeling van het levende, plastische, ‘vloeibare ’ denken kennis verwerven over het leven, de ontwikkeling, de biografie en andere zaken die pas goed interessant zijn voor zover we ze als proces kennen. Maar juist om deze reden zijn ze – bijna per definitie, om het ietwat paradoxaal te zeggen – niet vast te leggen in be-grippen. Vandaar dat zelfs het idee al van zo een begrippen- of definitielijst misverstanden oproept over het wezen van de antroposofische kenmethode. Hugo Verbrugh [3]

Telkens wanneer je naar iets inhoudelijks antroposofisch vraagt en je begint met ‘wat is?’ zou je er meteen bij moeten denken: ‘en wat is het nog meer?’ Of, ‘vanuit welk standpunt komt dit ‘is’?
Dan wordt ‘denken over’ levendiger, je zou ook kunnen zeggen, je begeeft je in een proces van ‘ruimer denken’. En wellicht word je daar (meer) ‘ruim denkend’ van.

In al zijn boeken en voordrachten probeert Steiner ons iets uit te leggen door een appèl te doen  op ons creatieve denkvermogen. Hij moet het vooral met woorden doen en gebruikt er daarom vaak die in het gangbare spreken niet bestaan.

Een begrip – eenmaal omschreven – legt vast en ligt daarna vast en kun je letterlijk – na-denken.

Antroposofie leren kennen is vooral een ‘mee’denken en een ‘in’denken. Het gevolg kan zijn dat er in jou levendige begrippen ontstaan.

Zo gauw een begrip ‘is’ heeft het zich aan het ‘denken over’ onttrokken, als we Steiner volgen in zijn opmerking dat ‘denken geen zijnskarakter’ heeft.

En daarom kan een antroposofisch lexicon of woordenboek op gespannen voet komen te staan met wat het feitelijk wil beschrijven.

 

 

[1] Op Ridzerd van Dijks ‘Grote citatensite’ vind je talloze voorbeelden:
beperkte begrippen; boom; eenzijdig beeld; foto; meningen; voor en tegen; werkelijkheid
[
2] Vrijeschoolpedagogie: karakteriseren i.p.v. definiëren
[
3] In Jonas nr.7, 27-11-1981

DE VIERLEDIGE MENS (3-3)

.

Het astraallijf (3)

In de voordrachten ‘Allgemeine Menschenkunde’ [1] spreekt Steiner over de mens vanuit 3 verschillende standpunten, blikrichtingen: vanuit de meer fysieke kant, vanuit de ziel en vanuit de geest.
Telkens benadrukt hij het belang van ‘karakteriseren’*, van omschrijven en niet zo zeer van definiëren. Een vaste omschrijving geeft minder weer, sluit bepaalde aspecten uit, begrenst, waardoor er bijv. sneller een bepaalde scheiding optreedt, terwijl het eigenlijk meer om een onderscheiden gaat.
De drie wezensdelen zijn in werkelijkheid ook niet van elkaar gescheiden.

Datzelfde geldt ook voor het 4-ledig mensbeeld, waarbij Steiner weer een ander standpunt inneemt, de mens vanuit een andere optiek bekijkt.

Steiner noemt de indeling in ‘denken, voelen, willen’ een abstractie, t.o.v de veel levendigere uitingen van sympathie en antipathie. Met deze kun je het zielenleven beter leren kennen, want de ziel schommelt steeds tussen sympathie en antipathie. Extreem gesproken: tussen liefde en haat. [2]

Als het dan om de belevingen van de mens gaat, zijn gevoelens, zijn gevoelsleven, zijn zielenleven, zijn astraliteit, zijn dit allemaal woorden die behoren bij zijn vermogen om innerlijk te beleven.

Dat wil niet zeggen dat de woorden synoniem zijn: alle duiden ze weer op net een ander aspect.

Wanneer ‘ziel’ omschreven wordt als ‘vermogen om de buitenwereld tot innerijke aangelegenheid te maken’ en ‘het vermogen om de binnenwereld naar de buitenwereld of in de buitenwereld te uiten’, is dat natuurlijk nauw verwant aan wat we met ons astraallijf doen, nl. ‘beleven’.
Wanneer we in ons iets beleven van wat uit onze lichamelijkheid komt: honger, dorst, waarbij er een begeerte, een verlangen volgt deze honger en dorst te bevredigen, is dat iets van onze ‘aardsere’ astraliteit, maar kan ook gekarakteriseerd worden vanuit de wil, wanneer we die onderscheiden in zijn instinctieve, driftmatige aspecten.

In al deze uitingen zal je makkelijk de sympathie en antipathie herkennen.
In de eerste plaats bij jezelf. Naar jezelf kijken tegen de achtergeond van sympathie en antipathie doet je zelfkennis groeien.

Iemand zegt iets tegen je wat je fijn vindt. Daar word je blij van, het vrolijkt je op – je zou diegene wel willen omhelzen. Sympathie alom.

Iemand zegt iets tegen je waarmee hij je zwaar beledigt. Woede welt in je op. Je kunt hem wel schieten……Antipathie alom.
We zitten in wezen steeds in de pendelslag van sympathie en antipathie.

Het ‘levend’ omgaan met deze begrippen verschaft je zeker meer wijsheid over de mens.

Wanneer de mens iets beleeft, meemaakt, ondergaat enz. zal hij dat onder woorden willen brengen.

Interessant is nu welke woorden we daarvoor gebruiken. Het blijken in de meeste gevallen vergelijkingen te zijn.
Wat je mee- en doormaakt, voelt en ervaart, wordt vergeleken met voorvallen in de wereld buiten je.
Prachtige metaforen, zeggen we nu. Maar wie heeft die gemaakt, bedacht? Hoe zijn die in de taal terecht gekomen? En waarom?

Het is niet aannemelijk dat iemand daar eens even voor is gaan zitten!

Steiner wijst erop dat de taal veel oude wijsheid bevat – voor ons nu ‘gekristalliseerd’.

‘De dingen die in de woorden gekristalliseerd zijn, zijn oud geestesleven. We gebruiken de woorden gedachtenloos, maar de dingen rusten in de diepte van ons wezen.’ [3]

‘Je kunt hem wel schieten’, merkte ik hierboven op. Het gevoel is er, maar wordt in de wil teruggehouden: je doet het niet.
In je innerlijk vindt de moord a.h.w. plaats; wat in de buitenwereld kan voorkomen wordt in het beeld – zoals dat met beelden gewoonlijk is – ontstoffelijkt: het wordt van een andere realiteit.

Wie in de taal op zoek gaat naar juist deze beelden van sympathie en antipathie vindt een grote rijkdom waarmee de ziel zich – vergelijkenderwijs -uit.

met woorden

kun je
iemand de oren wassen  (de waarheid zeggen)
met iemand bekvechten            
iemand onderuit halen                
iemand monddood maken          
iemand het zwijgen opleggen
iemand onderschoffelen
iemand raken
iemand iets voor de voeten werpen
iemand ’t vuur aan de schenen leggen
iemand verstikken
Iemand ’t bloed onder nagels vandaan halen
iemands blazoen bezoedelen
iemand met modder gooien
iemand iets in de schoenen schuiven
iemand voor schut zetten
iemand doet je de gal overlopen
iemand kotst van je
iemand komt je de neus uit
iemand zit me tot hier
iemand een snotneus noemen
iemand afdrogen
iemand in z’n hemd zetten
iemand als pispaal gebruiken
iemand als kop van jut gebruiken
iemand aan de schandpaal nagelen
iemand bij de neus nemen
iemand op z’n tenen trappen

die is misschien lichtgeraakt; sarcasme of spot kan bijtend  zijn.

Er zijn nog heel veel meer uitdrukkingen: de (astrale) sympathie en antipathie in beeld gebracht.

Tegen deze achtergrond kan ik een opmerking van Steiner: ‘astrale oorvijg’, wel een plaats geven.

*vrijeschoolpedagogie

[1] GA 293
vertaald
[2] GA 301/37
niet vertaald
[3] GA 203/237
niet vertaald

Het astraallijf (1)   (2)

Antroposofie en wetenschap: de maan

.

In

Antroposofie en wetenschap: de maan

Er is een nieuw krantenartikel toegevoegd, met daarin de opmerkingen dat aarde- en maanstenen dezelfde samenstelling blijken te hebben.

 

 

Over de ‘Nebenübungen’

 

Nebenübungen: het is de poging die telt (gelukkig maar!)

In dit volhouden zit al een geweldige kracht op zich: dat is scholing van de wil in een wel haast elementaire vorm.

Mensen, zo blijkt, gaan er heel verschillend mee om en dat feit onderstreept wellicht Steiners opmerkingen dat de mens niet meer vrij kan zijn dan wanneer hij besluit te ‘mediteren’.

Het hoeft van niemand; je kunt ook leven zonder. Je bent volledig vrij om het te doen of het na te laten.

De mensen die eraan beginnen, ervaren van alles waarover ze verder meestal niet praten. Met wie zou je dan moeten doen en hoe dan.  Bezigzijn met deze oefeningen is zó persoonlijk!

Maar toch, uitwisseling is interessant.

Dat gebeurde bv. in het tijdschrift Jonas – ik weet niet in welk jaar.

Er werkte een aantal mensen aan mee, die verslag deden van hun ervaringen.

Het verslag daarvan volgt hier:

Van Steiners ‘Nebenübungen’ wordt wel gezegd dat je er niet over moet praten, maar dat je ze vooral moet doen. Aan de slag dus, vond de redactie van Jonas toen het onderwerp weer eens ter sprake kwam. Behalve een beschouwing over de oefeningen zelf, hieronder daarom veel aandacht voor de praktijk: passages uit de dagboeken die redactieleden bijhielden van hun dagelijkse portie geploeter.
De oefeningen zijn “soms pijnlijke dan weer humorvolle confrontaties”, een andere keer een “fascinerend avontuur”, zo blijkt uit de dagboeken.

Er komt een leerling naar Rudolf Steiner toe, want hij zit met een probleem. Elke dag doet hij trouw de ‘terugblik’-oefening, waarbij je ’s avonds terugkijkt op de gebeurtenissen van de dag in omgekeerde volgorde, en nu blijkt dat hij na twee uur mediteren nauwelijks verder is gekomen dan de genoten avondmaaltijd… Wat te doen?

Rudolf Steiner acht het zeer ongezond om zolang met een oefening bezig te zijn en raadt hem aan één klein gedeelte van de dag heel nauwkeurig voor ogen te halen en de rest globaal te bekijken. Het kleine stuk zal dan in de loop der tijd vanzelf wel uitgebreider worden.

Het is een sprekend voorbeeld uit de praktijk. Veel mensen die werken vanuit de antroposofie maken op een gegeven moment kennis met het belang van de meditatie, gaan trouw aan de slag met een eenvoudige ‘terugblik’-oefening en kennen de vervreemdende ervaring dat ze ’s avonds laat tien minuten rechtop in bed zitten en hun meditatieve leven een aanvang zien nemen met een intense beschouwing over het flossen en poetsen van de tanden…
Het gevoel zinvol bezig te zijn ontbreekt al snel en de poging wordt in de kiem gesmoord. Er is nu niemand meer die je als leraar op weg helpt en je instrueert: in de antroposofie begint serieuze meditatie vaak met zelfstudie.
Het blijkt dat Steiner vaak heel nauwgezet duidelijke aanwijzingen heeft uitgesproken.
Dat geldt met name ook voor de oefeningen die voorgeschreven zijn om naast de hoofdmeditaties uit te voeren: de ‘Nebenübungen’.
.

Er zijn vijf  ‘Nebenübungen’:

[1] Gedachtecontrole
Richt elke dag gedurende tenminste vijf minuten je gedachten op een willekeurig voorwerp en probeer in die korte tijdspanne alleen daaraan te denken en alle andere associaties buiten te sluiten:

“Je begint bijvoorbeeld bij het lemmet van een zakmes: waar is het van gemaakt, waar komt het materiaal vandaan, hoe wordt het geproduceerd? enzovoort. Welke richting je ook inslaat, het belangrijkste is dat je blijft bij wat je je hebt voorgenomen te denken. Als je bijvoorbeeld aan het materiaal van het lemmet denkt, ga je in op het ijzer, je stelt je voor hoe het als erts uit de mijn wordt gehaald, hoe het in ertsaders onder de grond ligt enzovoort, en vandaar beland je misschien bij de geologische ontwikkeling van de aarde. Je bent dan afgedwaald, terwijl je toch een thematische lijn hebt gevolgd: de gedachtecontrole is weg. Alles draait erom dat je strikt bij de zaak blijft en precies in het oog houdt wat erbij hoort en wat niet, wat je van het thema wegvoert en wat niet.” (Jorgen Smit, Meditatie, 1990). Deze oefening vergt vooral rust en concentratie. Dat blijkt al direct als je je voorneemt ’s avonds vijf minuten te gaan zitten: soms vergeet je het gewoon, zo ben je in beslag genomen door het drukke dagelijkse leven, soms wekt het grote wrevel. Maar het veel gebruikte argument ‘geen tijd’ betekent niets anders dan: ik heb er de rust niet voor. Zit je eenmaal -een vast tijdstip en een vaste plaats helpen daarbij – dan blijkt hoe razend moeilijk het is om maar aan één ding tegelijk te denken. Het is een voortdurende oproep tot concentratie.

De intentie van deze oefening is dan ook om te leren heer en meester te worden van je eigen gedachten. Want de hele dag reageer je op prikkels van buitenaf, maar nu neem je zelf het heft in handen en jij bepaalt waaraan je denkt. Al is het maar vijf minuten: het gaat om de intensiteit en om de regelmaat. Elke dag opnieuw. Het is opvallend dat in de standaardwerken van Steiner ook een concreet voorwerp wordt genoemd als onderwerp van deze oefening (een speld, een potlood), maar in voordrachten uit eerdere jaren doet hij een ander voorstel: daar suggereert hij een begrip of een gedachte tot middelpunt van je denken te maken of zelfs: sla een boek open, lees een willekeurige alinea en denk daarover na. Uit het bovenstaande citaat van Jorgen Smit blijkt dat het concrete voorwerp als onderwerp is ingeburgerd. Het geeft ook meer houvast. Je mag elke dag een ander voorwerp nemen of niet: daarin ben je vrij. Het is een oefening in het denken.
.
Denkoefening: ervaring van M.S.
.
Een bromvlieg onder glas
.
Neem een voorwerp. Ik voel een lichte weerzin opkomen. In het verleden talloze malen geworsteld met mijn horloge. Ik grijp naar wat mij dierbaar is: mijn vulpen. Ik kijk gespannen, de minuten verstrijken. Tot in de details beschrijf ik iedere avond elke lijn, elke vorm. Ik formuleer de zinnen hardop in mezelf. Zoals iemand die net met rijles begonnen is de verschillende handelingen hardop pratend begeleidt. Ik voel me een bromvlieg gevangen onder glas.
Ik neem deze avond de inktpot. Telkens schieten mijn gedachten alle kanten op. Hoe kan dat: aan één ding tegelijk denken. Op het etiket staat een pelikaan, die de eigen borst met de snavel verwondt en ik denk aan een kerk in Florence, denk dan aan een reis die ik ga maken, denk aan zaken die ik voor die tijd nog moet afhandelen, stop. Opnieuw. En nog eens. Etcetera.
Vanavond word ik er slaperig van. Ik voel hoe mijn ademhaling heel regelmatig wordt. Een gevoel van weldadige rust.
Na twee weken verandert er overdag iets. Terwijl de oefening uiterst gebrekkig blijft verlopen, merk ik dat daarbuiten de invloed merkbaar wordt. Waarom heb je niet de rust om voor een rood stoplicht te wachten, of in een lange rij voor het loket? Ik heb altijd gedacht dat ik ongeduldig werd in een rij en vond dat normaal. Nu merk ik dat ik te gehaast (negatief) of te gedreven (positief) mijn dag beleef, als je in die vaart wordt gestuwd, door gedwongen een pas op de plaats te maken in een rij, ervaar je pas je levensritme. De oefening houdt zo een vinger aan de pols van het jachtige leven.
.

[2] Controle der handelingen.
Neem je elke dag voor eenzelfde handeling te verrichten die uit eigen initiatief is geboren. Een onbeduidende, zelfs zinloze handeling: dat is de bedoeling. Het mag van geen enkel nut zijn. En als je handelen maar niet veroorzaakt wordt door een vraag van buitenaf. Je eigen voornemen telt. Bijvoorbeeld: elke ochtend om half elf doe je je horloge van de pols en weer om. Zinloos, maar ook zinvol. Het is een scholing om dat wat in jezelf als verlangen en begeerte leeft -‘ik zou graag’- ook te leren verwezenlijken, of na te laten maar het dan ook niet meer als onbevredigend lustgevoel onder de oppervlakte te voelen broeien. Voeg de daad bij het woord, of zwijg erover. Het is duidelijk een wilsoefening. Dat wat je jezelf voorneemt te doen, beschouw je als een plicht om het ook daadwerkelijk uit te voeren. Dan sorteert het effect. Het eigen initiatief is daarbij van belang, omdat we in het dagelijkse leven eigenlijk maar pijnlijk weinig uit onszelf doen. Veel komt toch voort uit hoge plichtsbetrachting, in de opvoeding aangeleerd, of uit sociale verplichtingen, waaraan we menen te moeten voldoen. Kortom: bezin je op de besluitvaardigheid die tot handelen leidt. Ook voor deze oefening geldt: je hoeft je geen belangwekkende handelingen voor te nemen. Met eenvoudige dingen bereik je hetzelfde doel.
.
Controle der handelingen: ervaring van F.O.
.
Een fascinerend avontuur
.
Na veel wikken en wegen kies ik voor de volgende invulling: dagelijks om 11.54 precies met mijn linkerhand mijn rechterschoen aanraken. Direct al de eerste dag gaat het mis. Doordat ik, gezeten in de trein, een artikel lees over dit soort oefeningen, schiet de afspraak met mijzelf te binnen. Terwijl het schaamrood naar mijn kaken schiet, kijk ik op mijn horloge: 15.34! Dat een voornemen zo snel al de mist in kan gaan!

Ik plant de oefening steviger in mijn bewustzijn, met gedeeltelijk succes. Tegen het einde van de voorgenomen periode volgt een reeks goede dagen: steeds binnen een aantal minuten lukt het. Er lijkt gewoontevorming op te treden.

Maar dan de laatste dag die ik me had voorgenomen. Een stralende dag in de regenachtige septembermaand. Een wandeling door de natuur. Overal bramen, herfstkleuren die zich beginnen af te tekenen. Dan ineens de gebeurtenis die, achteraf gezien, fataal zal blijken te zijn. Vlakbij dwarrelt een regenboog van kleuren geschrokken weg. Een ijsvogeltje! Voor het eerst in mijn leven zie ik een levend exemplaar! Wat later kijk ik in een schok op mijn horloge… Het is 12.29, en dat op de laatste dag, wat een belabberde finale! Ik zoek een excuus, ja natuurlijk dat ijsvogeltje. En overdenk al die andere excuses die ik verzon toen de oefening niet goed ging: het chaotische stadsverkeer, drukke werkzaamheden. Haarscherp word ik me bewust hoe moeilijk het is om in de stroom van dagelijkse gebeurtenissen, strikt de eigen bevelen te gehoorzamen. Een confrontatie met de stevigheid van het eigen wilsleven. Soms gebeurt dat op pijnlijke en dan weer op humorvolle wijze. Deze oefening is een fascinerend avontuur in de eigen binnenwereld.
.
[3] Gelatenheid

Tracht zo te worden, dat je vreugde en verdriet stoïcijns ondergaat: niet onverschillig, maar onverstoorbaar gelijkmoedig. Het gaat hier om het verwerven van innerlijk rust. Het is niet de bedoeling om emoties te onderdrukken of te ontkennen. Maar leer ze te hanteren, leer ermee om te gaan, laat je er niet door van je stuk brengen. Emoties wellen op en ebben weg, maar, zegt Steiner, leer er greep op te krijgen: “Niet de gerechtvaardigde smart moet men onderdrukken, maar het onwillekeurig schreien; niet de afschuw voor een slechte daad, maar het blinde woeden van de toorn; niet het letten op een gevaar, maar het vruchteloze ‘bang zijn’ enz.” (In: De wetenschap van de geheimen der ziel).

Het is duidelijk een oefening van het gevoel. Je ondergaat de gevoelens, maar je uit ze niet direct in alle heftigheid. Veel mensen dobberen op de golven van hun eigen emoties en zijn, in wisselende golfslag, ‘himmelhoch jauchzend’ en ‘zu Tode betrübt’. Deze oefening wil afstand scheppen tussen het ervaren en het uiten van die gevoelens.
In een beeld: de dobber op de golven wordt het uiteinde van een hengel, die men zelf vasthoudt, terwijl men met beide benen stevig op de wal staat: je ziet de golfslag, innerlijk beleef je het dobberen mee, maar je bent zelf geen speelbal meer van de golfslag der eigen emoties.
Het onderwerp van deze oefening is het dagelijkse leven zelf. Het vereist, dat zal duidelijk zijn, een lange oefentijd voor dat men zo’n onverstoorbare gelijkmoedigheid bereiken zal. Maar het gaat erom, dat je het probeert. Dan verwerf je een kwaliteit die kostbaar is. Het gaat er niet om wat je al kan, van belang is wat je leert. Het proces is dan ook belangwekkender dan het resultaat. En, voegt Steiner daar vaak aan toe: de druppel holt de steen uit. Blijven proberen dus.
.
Gelatenheid: ervaring van P.We
.
Gelatenheid
.
Hoe kun je beheerst zijn als je beheerst wordt?
.
Ik heb hem een vraag gesteld en een antwoord zonder argumenten gekregen. Ik weerleg zijn antwoord door hem de voordelen van een tegengesteld besluit voor te leggen en probeer hem zo de rede van zijn standpunt te ontlokken. Maar hij snijdt een ander onderwerp aan en loopt daarna weg. Daar blijf ik, in verwarring die ik zelf heb gezaaid, omdat ik nooit iets klakkeloos kan aannemen. Ik weet niet of zijn zwijgen instemming of negeren betekent. Plotseling overvalt mij een machteloze woede. ‘Wat een onbeschofte man!’ raast het in mijn hoofd. ‘Hij loopt zomaar weg en brengt niet eens de beleefdheid op om even van gedachten te wisselen!’ Ik neem plaats achter mijn bureau en voel me een blok, dicht geslagen als mijn bureaulades. Krijg de neiging de desbetreffende persoon voortaan te negeren zoals hij ook mij heeft genegeerd. Slaan zou beter zijn; het bonkt van binnen.

Nebenübung: ‘gelatenheid’. Denken daaraan helpt niet, want agressieve woede dringt zich op en is veel dominanter dan de oefening die ik juist op deze onmogelijke momenten moet uitvoeren. Want als je beheerst wordt, hoe kun je dan beheerser zijn? Nu pas dringt tot me door dat de oefening helemaal geen concrete handvatten biedt voor in de praktijk. Poëtische beelden, ja, die op een helder moment zeer sprekend zijn. Maar wat moet ik doen om deze onbestemde woede onder controle te krijgen? Maakt het gebrek aan controle over de situatie mij niet juist zo kwaad? Waarom heb ik de man niet terug geroepen, zoals ik bij ieder ander zou doen? Waaraan ontleent hij mijn ontzag?

Hoewel ik het niet zeker weet, lijkt hij mij zo iemand die onverwacht in een donderbui kan uitbarsten, die je overbluft door zijn stem te verheffen en ook zonder argumenten vindt dat zijn wil wet is. Zo iemand die, zonder het te beseffen, je vernederd achter laat, die met zijn dominantie manipuleert, wiens ogen scherp en veroordelend kunnen priemen, maar die goud waard is als hij gunstig is gestemd. Zo iemand als… mijn vader. En daar ga ik niet meer in mee! Dat is de storm op zee, veroorzaker van alle deining. Daar heb ik beet. Heb ik nu de hengel in mijn hand en kan ik toe kijken hoe de dobber langzaam rustig wordt? Dan was de analytische truc op korte termijn werkzamer dan de nebenübung. Dan heeft de ratio het van de emotie gewonnen en heb ik een andere strijd gestreden. Volgende keer wil ik een aangename luwte creëren die de storm uitnodigt er eens lekker bij te gaan liggen.
.
[4] Positiviteit
Er bestaat een Perzische legende over het leven van Jezus, die in de vertaling van de dichter Leopold als volgt luidt:
Jezus, die door de wereld ging,
was in een landstad aangekomen
en had zijn ongemerkten weg
over het marktplein heen genomen.
.

En zag een hond stroef als een wolf,
plat op de stenen, onbewogen,
wiens leven heengeweken was,
wiens Jozef uit de put getogen.
.
En om het kreng verrot en vocht
stonden de mensen stil en keken
en waren bits: een gierenzwerm,
die op een aas is neergestreken.
.
Jezus zag naar het liggend dier
en sprak en zeide enkel dit
en was beschamende rondom:
de tanden zijn als paarlen wit.
.
Elke keer als Steiner over de positiviteitsoefening spreekt, vertelt hij deze legende. Het is waar: het is een aangrijpend mooi voorbeeld van een houding die men kan oefenen. Het karkas van de hond roept weerzin op, verleidt tot negativiteit en de een na de ander sluit zich daarbij aan, het groepsoordeel is eensluidend. Dan de enkeling, over de tanden, dat ze paarlen wit zijn. Steiner zegt hierover: “Men mag deze positiviteit niet verwarren met kritiekloosheid, met het willekeurige voorbijzien van het slechte, verkeerde en minderwaardige. Wie de ‘fraaie tanden’ van een dood dier bewondert, constateert ook het ontbindende lijk. Maar dit lijk weerhoudt hem er niet van, de fraaie tanden te zien.”
Het gaat om de houding: als een fles half vol is, dan is hij ook half leeg. Waar het om gaat is: waar kijk je naar. Zoek in elke dagelijkse ervaring het goede op.
Een voorbeeld moge dit verduidelijken.

Stel, je hebt als leraar een lastige leerling in de klas. Zijn gedrag en ook de onvoldoende resultaten rechtvaardigen een scherpe, afwijzende kritiek. Maar je kunt ook trachten je houding te wijzigen. Je kunt jezelf afvragen: ‘Waarom doet die leerling zo?’ Neem je voor zonder vooroordelen de les te betreden. Benadruk wat goed gaat en stimuleer sluimerende kwaliteiten. De praktijk leert dat het werkt. Inhakken op iemands onvermogen en hem cynisch bejegenen ligt voor de hand en is geen kunst. Bewust een positieve houding oefenen in zo’n

situatie kan voor beide partijen erg leerzaam zijn.
Hieruit blijkt ook dat de positiviteitsoefening, die het denken en voelen ontwikkelt, meer is dan een geforceerd blije levenshouding die herinnert aan het therapeutendom uit de jaren ’70 (hé joh, kom op, zie het positief, weet je wel), van de welzijnswerkers met hun zelfrijzend probleemmeel.
.
Positivisme: ervaring van AvdN
.
On the bright side of the road..
.
Donderdag 23 september. Vanavond is K. op bezoek. K., mijn grote liefde, die nu een ander heeft. Driejaar zijn we uit elkaar en sinds een jaar zien we elkaar weer regelmatig. Wat was ik opgelucht toen het oude gevoel verdwenen was en we ‘gewoon’ vrienden konden zijn. Maar vanavond? Ik weet het niet. We nemen een bandje op voor het afscheidsfeest van haar broer die naar Spanje emigreert. Muziek was altijd heel belangrijk voor ons en misschien wel het enige waarin we elkaar écht begrepen.
Het bandje is klaar. We draaien nog wat nummers, oude favorieten van mij en haar. K. danst door de kamer en ik voel me ontroerd.

Even later vertel ik haar over mijn ontroering. Ook zij heeft het gevoel dat wij iets hebben dat we met niemand anders delen, iets unieks. Wanneer ze weg is probeer ik mezelf dat voor te houden: Iets unieks met iemand hebben, dat is toch geweldig? Misschien is dat wel zo, maar vanavond? Vanavond voel ik dat niet.

Zaterdag 25 september. Hè shit, regen, regen en nog eens regen! Juist nu ik vorige week, na een pauze van vier maanden, weer begonnen ben met hardlopen. Wat een kloteweer! Gaan, niet gaan? Hardlopen doe je voor je lol, toch? Ja, maar om nu na twee keer lopen al te verzaken.
Ik zet een cd op en met fikse tegenzin kleed ik mij om. Met de klanken van Van Morrisons Bright side of the road nog in mijn oren, loop ik een kwartier later in het Vondelpark. Bright side of the road, ja, ja. Een blubberpad, dat is het!
En mijn regenjack kon ik natuurlijk ook niet vinden. Is dit nu leuk?
Wacht eens even. Het lopen gaat vandaag wel soepel, ondanks dat halve pakje Marlboro van gisteravond. Natuurlijk! Dat is het: de regen zorgt voor lekker veel zuurstof in de lucht!
En wat ruikt dat park fris! Bijna thuis heb ik zelfs nog wat over voor een eindsprintje. Dat was de laatste keer wel anders.
Kletsnat stap ik even later onder de douche.
Op de achtergrond zingt Van Morrison: “From the dark end of the Street, to the bright side of the road…”
.
[5] Onbevangenheid
Wees vrij om nieuwe ervaringen onbevangen op te doen. Bij deze oefening is het van belang dat je een houding ontwikkelt die het mogelijk maakt dat je van elke situatie iets leren kan. Je zult dan open moeten staan voor nieuwe gezichtspunten, voor een andere invalshoek: flexibiliteit is noodzakelijk. Hierbij benadrukt Steiner voortdurend het volgende: “Geloof aan de mogelijkheid, dat nieuwe belevingen in tegenspraak kunnen zijn met het oude.” Kortom: verwerp niets bij voorbaat, hoe ongeloofwaardig het klinkt. “Don’t say no, just say oh” zoals Mees het eens bondig samenvatte. Door deze oefening school je in het dagelijkse leven het denken en willen.
.
Onbevangenheid: ervaring van E.J.
.
Vooroordelen? Kansen voor verandering!
.
Amsterdam 17/9. In gedachten verzonken legt mijn vriendin koesterend de handen op haar dikke buik. Zelfs door haar jurk heen is nu te zien hoe de baby beweegt en haar buik aan alle kanten doet uitstulpen. Hoe voelt zo’n baby zich daarbinnen? Ik probeer het me voor te stellen. Gewoon te ‘zijn’, vrij van eerder opgedane ervaringen, vrij van eerder geformuleerde oordelen. Dus per definitie vrij van vooroordelen? Hoe kan ik dat ooit bereiken? Hoe kan ik als het ware opnieuw geboren worden met achterlating van alle ballast die conditionering heet?
Blob, daar is weer een bobbel. De baby beweegt weer. En ik kan alleen maar alle spinnewebben in mijn hoofd achterlaten en sprakeloos van verwondering toekijken.
Het heeft geen zin mezelf kwalijk te nemen dat ik bol sta van de ingeslepen vooroordelen bedenk ik: ik kan ze beter opvatten als evenzovele uitdagingen of kansen voor verandering.
.

Vijf Nebenübungen tegelijkertijd
Tenslotte voert men deze vijf ‘Nebenübungen’ tegelijkertijd uit en dan treedt er een zekere innerlijke harmonie op. Steiner stelt voor om de oefeningen telkens twee aan twee, drie en één samen te beoefenen. Later zegt hij erover: doe elke oefening één maand lang, blijf dan de voorgaande oefeningen ernaast doen, wellicht niet elke dag, maar regelmatig. In de zesde maand probeer je dan systematisch alle vijf de oefeningen te doen.
In de vijfde maand, in de zesde maand, alsof het om een zwangerschap gaat… Zeker, in zekere zin is dat ook zo: door meditatie wordt een nieuw vermogen geboren. De opening van de geestelijke wereld is echter niet zonder gevaar. Meditatie kan ervoor zorgen dat bovenzinnelijke gebieden zich ontsluiten, maar het kan ook verkeerd uitpakken. Daarom, zegt Steiner, zijn de ‘Nebenübungen’ van vitaal belang. Ze voorkomen scheefgroei in de geestelijke ontwikkeling. De ‘Nebenübungen’ zijn dan ook zeker geen “nebensachliche (ondergeschikte) Übungen”: ze zijn bestemd om de hoofdmeditaties te flankeren.
Maar het lijkt erop dat het in de praktijk nu anders is. Veel mensen oefenen in eerste instantie alleen deze ‘Nebenübungen’.

Zo lijken deze oefeningen steeds meer een voorbereiding op de eigenlijke meditatie zelf te worden. De eerste oefening leent zich daar ook uitstekend voor. Als je weet hoeveel innerlijke rust mediteren vereist, dan blijkt de gedachtecontrole een uiterst functionele hulp om tot concentratie te komen. De oefeningen worden zo het fundament waarop je later verder bouwt. Wie een berg beklimmen wil, zal zijn voorbereidingen moeten treffen. Tijdens de tocht moet hij zich weten te zekeren, om zijn veiligheid te behouden. Van groot belang is in ieder geval ook dat je er enig plezier aan beleeft. Als de aversie te groot wordt, dan is het resultaat nihil en kun je beter een tijdje stoppen. Wie piano wil leren spelen, zal vlijtig zijn vingeroefeningen moeten doen. Maar als daar nooit enig plezier bij komt kijken, dan schuilt er ook geen musicus in je.

In de antroposofie nemen de ‘Nebenübungen’ een cruciale plaats in. Voor velen is het een bron van inspiratie, voor velen is het ook een bron van toenemende ergernis. Het is een verschijnsel dat in de sociale psychologie ook wel beschreven wordt als het Zeigarnik-effect: onafgemaakte taken worden beter onthouden dan opdrachten die wel voltooid zijn. Maar een innerlijke ontwikkeling is nooit af! De poging telt. Wellicht kan men dus ook de positiviteitsoefening richten op de ‘Nebenübungen’ zelf en gedurende de ‘terugblik’-oefening het een en ander evalueren. Daar heeft u geen tijd voor? Het hoeft geen uren te duren…
.
Alle vijf tegelijkertijd: ervaring van A.S.
.
Gelukkig: eindelijk iets dat lukt…
.
Het voetgangerslicht staat op groen. Op de zebra, voor mijn fietswiel, steekt een vrouw over met twee dwaze dribbelhondjes aan lange lijnen. Vlak achter het kontje van het laatste hondje trap ik weg. Begint me die vrouw te schelden en te tieren: of ik niet zie dat het licht op rood staat! Als ik haar hondjes zou hebben geraakt. Ze zou me van m’n fiets gesleurd hebben!
Gek wijf. Je hebt zeker rohypnol op, wil ik roepen, maar ik bedenk het te laat. Trut! Ik heb toch op je gewacht en op dat malle vee van je! Enzovoort, enzovoort. O lieve help! Wat was het ook weer? Gelatenheid!

Ik haat de winter. Ik haat het: de kou, de duisternis, de stormen. Het tegen de wind in trappen, het blauwbekken op de tramhalte, het steken van m’n ogen bij kunstlicht, de benauwde kunstwarmte. Elk jaar overweeg ik te emigreren. Onzin natuurlijk. Kinderachtig. Je moet leren leven met de handicap van een tropenhuid.

Maar wat biedt de winteraan positiefs? Het kost moeite iets te vinden. Dan herinner ik me de winterwaarneming van vorig jaar. Het dagelijks langs de horizonlijn verschuiven van de opkomende en ondergaande zon, de zonneboog die inkrimpt en weer uitzet. Wat een grandioze vondst, die seizoenen. Die regelmatige verdeling van warmte, licht en kracht over het aardoppervlak, waardoor een zo uitgebreid mogelijk leefbaarheid is ontstaan. Fantastisch.
Bij het boodschappen doen kom ik haar vaak tegen. Een lelijke dikke vrouw. Slecht gekleed bovendien: te nauw, te kort, te bont. Hoe kan iemand zo smakeloos zijn. Het ergert me. Ze leeft ook vast niet gezond. Op een keer struikel ik. Ik val met een smak op de trottoirtegels. Enigszins beduusd krabbel ik op. Iemand pakt me onder de arm. Ik zie wazig een vriendelijk, bezorgd gezicht vlak naast me. “Heeft u zich bezeerd? Kom maar mee. Ga maar even zitten. Een glaasje water?” Later, als ik weer bekomen ben, besef ik opeens: dat was die dikke vrouw!
Ik heb haar even gezien zoals ze werkelijk was. Soms krijg je van buitenaf een zetje naar de onbevangenheid.
Dat met dat potlood en die speld, dat lukt me nooit! Ik heb geen idéé hoe die dingen gemaakt worden, hoogstens waarvan. En dan ben je gauw klaar. Ik heb het opgelost door het uit te breiden tot thema’s, met toepassingen.
Dus: veiligheidsspeld, haarspeld, sierspeld, knopjesspeld, enzovoort. Daar kan ik wel wat over fantaseren. Tersluiks kijkend op m’n horloge.
Zijn er al vijf minuten concentratie voorbij?
Nee, nog maar twee. Wat een tijd…
Ha, de wilsoefening! Je mag dat natuurlijk niet in je agenda zetten: 12 uur, voorwerp verplaatsen. Nu kijk ik toch nooit in mijn agenda, dus dat zou me ook niet helpen. Maar ik heb iets anders slims bedacht. Ik laat de zinloze handeling aansluiten aan de reeks zinvolle handelingen die ik ’s morgens bij het dagbegin volvoer: opstaan, wassen, aankleden, ontbijten, tandenpoetsen, enzovoort. En dat gaat prima. Gelukkig, eindelijk iets dat lukt! Nu ga ik het moeilijker maken en neem een andere tijd, maar toch zo één die niet midden in een vergadering valt of zo. Hoe later op de dag, hoe moeilijker, denk ik. Maar zo blijft het ook wel spannencnd!
.
Marcel Seelen, Jonas, data onbekend

 

Ook hier worden de oefeningen beschreven

DE VIERLEDIGE MENS (3-2)

HET ASTRAALLIJF (2)

In Steiners vierledig mensbeeld is sprake van fysiek lichaam; etherlijf; astraallijf en Ik.

Met grote regelmaat zegt hij dat de naamgeving niet zo belangrijk is; wel, wat je karakteriserend omschrijft.

Hij benadrukt dat ‘de dingen in tegenstellingen zien’* een grotere kennis geeft over wat je bestudeert.

Hier heb ik uitgelegd waarom ik liever het woord etherlijf dan etherlichaam gebruik; ditzelfde geldt voor astraallijf/lichaam.

LICHAAM-LIJF
Lichaam veronderstelt iets concreets: iets wat je kunt beetpakken, het is stoffelijk. Lijf daarentegen duidt op ‘leven’ op een veel minder concreet iets – zeker niet vast te pakken, op te tillen of neer te zetten, om maar wat te noemen. ‘Leven’ is toch veel meer het complex aan krachten; aan (uit)werkingen; aan vermogens om te…..(Hier staat dus eigenlijk een kleine tegenstelling tussen fysiek lichaam en etherlijf.)

TEGENSTELLINGEN ETHER-ASTRAALLIJF
Ga je vanuit het etherlijf verder met zoeken naar nieuwe tegenstellingen, dan kom je – zeker als je bij de tegenstelling fysiek-ether het mineraal en de plant hebt gevonden; nu via de tegenstelling plant – dier bij de tegenstelling ‘leven-beleven’.

Het ‘be’ heeft iets in zich van ‘meer’ en tegelijkertijd ‘op een ander niveau’. Vaak wordt ‘grijpen’ en ‘begrijpen’ genomen om dit te verduidelijken. ‘Grijpen’ is nog fysiek: je hebt er armen en handen voor nodig. ‘Be-grijpen’ is het mentaal grijpen; zo als je iets concreets vast kunt houden, zo hou je hier iets mentaal vast; als idee, als gedachte. Een gaan van ‘vatten’ naar ‘be-vatten’.

Dat ‘meer’ is niet een stapeling van hetzelfde. Het is tegelijkertijd anders; van een andere kwaliteit. Be-leven is niet voortdurend méér leven. Méér leven bij een plant zou woekering betekenen; nog méér materie! Nog meer uiterlijke vergroting. Bij be-leving is er juist de omgekeerde (tegengestelde) beweging. Niet uiterlijk, maar innerlijk!

UITERLIJK-INNERLIJK
Be-leving is dus vooral ver-innerlijking. In de artikelen over ‘ziel’ heb ik daar uitgebreid aandacht aan besteed. Ziel als een vermogen de buitenwereld tot binnenwereld te maken en ook om de (beleefde) binnenwereld weer te uiten, naar buiten te brengen.

Het is te begrijpen dat ‘de’ wetenschap met ‘ether- en astraallijf’ niet veel kan. De criteria die zij zichzelf stelt, zijn in wezen terug te voeren op: maat, gewicht en getal. Op wat concreet is: te pakken, te zien, enz. Daardoor blijft ze bij het onderzoeken en beschrijven van de fysieke component. Daarin heeft de wetenschap grootse resultaten behaald.

Als het om ‘leven’ en ‘beleven’ gaat, biedt de (natuur)wetenschap veel minder. Gevoelens bv. laten zich niet wegen, meten of tellen – zoals de zak aardappelen van Prof.Dr.Willem Luijpen.

Hoewel vioolmuziek niet vanzelfsprekend uit de viool opklinkt, is de muziek niet mogelijk zonder het instrument. Het instrument is dus de absolute voorwaarde voor wat er klinken kan – zonder vioollichaam geen vioolklank.

Dr.Walther Bühler noemde zijn boek over de drieledige mens: Het lichaam als instrument van de ziel.

Het lichaam dat onvoorwaardelijk nodig is om de ziel te laten klinken – zich te laten uiten en te verinnerlijken.

Leven en be-leven is alleen mogeliljk op basis van lichamelijkheid.

Maar dat is niet hetzelfde als ‘de lichamelijkheid brengt leven en be-leven voort.

Zie fysiek lichaam.

Het be-leven is het 2e complex aan krachten dat met de gewone zintuigen niet waarneembaar is; alleen de uitingen in of met het fysieke zijn dat.

Wanneer we blijven zoeken in de tegenstellingen, kan ons opvallen dat een bloem onder invloed van het zonlicht of de zonnewarmte haar bloemknop opent. Wanneer een be-levend wezen – dier of mens – de ogen opent, is dit niet hetzelfde. Als het koud is of donker blijft, gaan sommige bloemen helemaal niet open.

Als het koud of donker is, gaan de ogen van dier en mens tòch open of door een oorzaak van buiten (lawaai) of door een werking van binnenuit: we worden ‘gewoon’ wakker.
In die zin is een plant noch wakker, noch slaapt ze. Omdat ‘wakker – droom – slaap’ bewustzijnstoestanden kunnen worden genoemd, kunnen we hieruit concluderen dat een plant geen bewustzijn heeft (wat betreft zoals wij haar zien in de aardse omstandigheden).

Wanneer dier of mens wakker zijn, hebben ze ook ‘weet’. Er is bewustzijn. Planten hebben op deze manier geen ‘weet’.

Maar om bewustzijn te kunnen manifesteren, is er materie nodig – lichamelijkheid – en in dier en mens is de materiële basis voor dit bewustzijn het zenuwstelsel: de hersenen – het brein – en de zenuwen. Bij de plant ontbreken ze.

Direct verbonden met dit zenuwstelsel zijn de zintuigen. M.n. de klassieke 5: gezicht, gehoor, reuk, smaak en tast. D.m.v. deze worden wij gewaar.
Vandaar dat hier een deel van de ziel beschreven is als ‘gewaarwordingsziel’.

Wanneer het lente wordt, zien we veel planten te voorschijn komen; ze bloeien; rijpen tot zaad en sterven weer af. De lente is zomer geworden; het najaar komt waarin veel vruchten rijp zijn; de winter waarin het vegetatieve leven tot rust lijkt gekomen. De velden zijn kaal.

De plant, reagerend op wat er kosmisch – of in de ‘ethersferen’ gebeurt.

Wanneer buiten ‘het licht opgaat’, reageert de plant. Zou de plant in zichzelf ‘het licht kunnen laten opgaan’ en daar naar reageren, dan zouden we moeten concluderen – wanneer we de zon als de lichtbrenger beschouwen – dat in de plant een ‘stukje zon’ geïncorporeerd zou zijn.

Bij mens en dier – in ieder geval weten we uit onze eigen ervaringen dat het bij ons zo is – , kan er van binnenuit wel ‘een licht opgaan’: dit gebeurt wanneer we plotseling iets – be-grijpen!

Mensen denken al ettelijke duizenden jaren over zichzelf na en geven verklaringen voor de verschijnselen. In de Assyrisch-Babylonische tijd sprak men wanneer men het over de mensenziel had, over de astrale wereld en men doelde met dit astrale op de planeten en de sterrenbeelden van de dierenriem. Dat er ‘iets’ van de planeten en zodiactekens die men bepaalde krachten toedichtte, in de mens belichaamd zou zijn, zoals net beschreven voor het ‘stukje zon’ in de plant.

Om te kunnen begrijpen hebben we een orgaan nodig; het bewustzijnsorgaan: hersenen/zenuw-zintuigstelsel.

De vraag kan nu ontstaan of er uit de ‘astrale’ wereld krachten in ons stromen of al gestroomd zijn en fysiek geworden, bv. in de organen.

De planten reageren op de kosmos. Hun (groei)beweging is, zoals we al eerder zagen, geen bewegen van binnenuit. Ze ‘moeten’ bewegen op o.a. licht en duisternis.

Dier en mens k u n n e n  bewegen; ze kunnen zich ook stil houden. Ze moeten niet per se.
Wanneer we een ‘ding’ zien liggen waarvan we niet weten of het bv. een insect is, dan raken we het aan. Blijft het liggen, dan was het een stukje materie; beweegt het, loopt of vliegt het weg, dan was het een dier(tje). Het is soms niet eenvoudig om het zo maar van buitenaf te zien – de gekko lijkt wel heel veel op het blad:

gekko

 

 

De beweging van binnenuit hoort dus bij het astraallijf.

Nu is de ene beweging de andere niet: die kan een agressief karakter hebben, bv. bij het slaan of schoppen; of een totaal tegenovergestelde intentie hebben in de liefkozing.

In de manier waarop bewogen wordt, komt dus mede iets van de soort astraliteit tot uiting!

Rudolf Steiner heeft veel mededelingen gedaan over de wereld van planeten en dierenriem en de invloed op de mens en dus ook op de menselijke ziel. Dat maakt het begrijpelijk dat ook hij de woorden ‘astraal, astraliteit, astrale wereld’ gebruikt.

Steiner:
Ik zou willen zeggen: laten we eens aannemen dat ons astraallijf op zeker ogenblik van het leven en zulke ogenblikken zijn er steeds, omdat we ook steeds met de wereld in verbinding staan – in verbinding staat met de krachten die vanuit het sterrenbeeld  ram naar ons toestromen. Doordat ons astraallijf in verbinding met of onder bepaalde invloeden van datgene staat wat uitstraalt vanuit het sterrenbeeld ram, ontstaat in het astraallijf de mogelijkheid zich te kunnen afsluiten in zijn bijzondere vorm; zich te begrenzen; terwijl er in het astraallijf, wanneer het onder invloed staat van de weegschaal zich beweging ontwikkelt die het meer open laat staan tegenover de wereld. Zo ontstaat er een bepaalde tendens tot beweging onder invloed van ieder sterrenbeeld. Onder invloed van dit of dat sterrenbeeld wordt het astraallijf in zijn bovengedeelte langer, gestrekt; onder invloed van een van de andere sterrenbeelden wordt juist het ondergedeelte langer. Er zijn 12 specifieke soorten van beweging en ook zeven specifieke gewoonten onder invloed van de planeten. Dat zijn meer innerlijke bewegingen van de planeten –waarbij  de inwendige delen meer bewegen  of in een andere verhouding tot elkaar komen te staan. Op deze manier heeft ons astraallijf door de kosmos ingeplant gekregen 12 + 7 gewoontes.

 Ich will also sagen: Nehmen wir an, unser Astralleib steht in irgend­einem Momente seines Lebens – und solche Momente gibt es ja immer, weil wir mit der Welt immer in Verbindung stehen – in Ver­bindung mit den Kräften, die aus dem Sternbilde des Widders uns zuströmen. Dadurch, daß unser astralischer Leib in Verbindung oder unter dem besonderen Einflusse steht desjenigen, was aus dem Stern-bilde des Widders herausstrahit, entwickelt sich in diesem Astralleibe die Möglichkeit, sich in seiner besonderen Gestalt abzuschließen, sich eine schöne Grenze zu geben; während, wenn der Astralleib mehr unter dem Einiluß der Waage steht, sich in ihm eine Bewegung ent­wickelt, die ihn mehr offen sein läßt gegen die ganze übrige Welt.So entwickelt sich eine bestimmte Bewegungstendenz unter dem Einflusse eines jeden Sternbildes. Unter dem Einflusse dieses oder jenes Sternbildes streckt der Astralleib seinen oberen Teil besonders in die Höhe, unter dem Einflusse eines der andern Sternbilder streckt er besonders seinen unteren Teil. Aber zwölf besondere Bewegungs­arten gibt es, und wieder sieben besondere Gewohnheiten unter dem Einflusse der Planeten. Das sind mehr innere Bewegungen unter dem Einflusse der Planeten, wo die inneren Teile sich mehr bewegen odersich in ein Verhältnis zueinander bringen. So hat im Grunde genom­men unser astralischer Leib eingepflanzt durch den Kosmos 12 + 7= 19 Gewohnheiten.
GA 156

 

Rudolf Steiner wegwijzers (20)

astraallijf  (1)  (3)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

.

 

 

 

 

anderen over WETENSCHAP – alle artikelen

[1] Hersenloze betweterij
Wetenschapsjournalist van Maanen over de onzin van ‘materialistisch ‘gedrag

[2Dokter zijn, is meer dan een slecht werkend lichaamsdeel
ver­vangen.”
Jan van Gijn, arts: let op samenhang geest-lichaam

[3] Wij zijn onze geest
Prof. van Praag: wij zijn niet ons brein

 

 

antroposofie en wetenschap?

Antroposofie en wetenschap: de maan

Rudolf Steiner heeft in verschillende voordrachten gesproken over het ontstaan van de maan, zoals wij die nu als planeet waarnemen. In zijn boek ‘Geheimwissenschaft im Umriss’ [1]  heeft hij erover geschreven.

De context waarin dit gebeurde is steeds de ontwikkeling van de mens en de kosmos.

Voor Steiner staat vast dat de ontwikkeling van de kosmos tot doel heeft: de wording van de mens.

Dat ‘hogere machten’ de krachten achter deze ontwikkeling zijn.

Van de fysieke verschijningsvormen in de wereld zegt hij dat deze ‘uitdrukking zijn van een hoger principe’, van geest, zodat ‘materie de zichtbaar geworden geest’ wordt genoemd.

Niet zo eenvoudig allemaal, vind ik.

Nu is ‘ziel’ ook zo’n ‘hoger’ principe. Hoger, in de zin van ‘niet met de gewone zintuigen waarneembaar’. Plezier hebben, kunnen we niet waarnemen; je bedroefd voelen, ook niet. Maar lachen, als gevolg van het plezier, wel: het gezicht vertoont heel andere trekken dan wanneer het huilen je nader staat dan het lachen.

Met deze ervaringen vind ik het niet zo moeilijk om ‘uitdrukking zijn van een hoger principe’, te aanvaarden als een gezichtspunt dat niet a priori verworpen hoeft te worden.

Ook niet dat de stof iets uitdrukt van een hoger principe.

Ook gedachten zijn fysiek niet waarneembaar. Ideeën die we hebben kunnen we echter wel ‘belichamen’, m.a.w. in stoffelijke voorwerpen omzetten. Zo beschouwd zijn deze voorwerpen uitdrukking geworden van de idee – van iets wat behoort bij de geestesgesteldheid, bij ‘geest’.

Zoals prof.Luijpen al zei: ‘Voor de wetenschap zijn meisjes niet ‘lief’, omdat ‘lief’ geen ingrediënt is van de natuurwetenschap, waar alleen ‘maat, gewicht en getal gelden.

Voor de natuurwetenschap bestaan er geen ‘hogere principes’ in de zin van niet met de gewone zintuigen waarneembaar.

We kunnen dus van de natuurwetenschap ook niet verwachten dat deze de ontwikkeling van ons zonnestelsel bestudeert met op de achtergrond de gedachte dat alle stoffelijkheid een uitdrukking is van ‘iets hogers’.

Dat is nog geen bewijs voor het feit dat er niet ‘iets hogers’ zou kunnen zijn.

Zie bijv. de discussie tussen Deepak en Mlodinow [2]

En ook niet dat deze ontwikkeling er is om ‘de mens’ mogelijk te maken.

Het was, volgens Steiner, noodzakelijk dat er uit de wordende aarde een deel zou worden afgezonderd, opdat positievere krachten zouden kunnen werken, nadat de negatieve en de ontwikkeling remmende krachten, met het uitstoten van de ‘maan’substantie dan waren verdwenen.

 

GA 354
Der Mond war einmal in der Erde drinnen! Was da draußen als Mond herumkreist, war in der Erde drinnen und hat sich von ihr ab­getrennt, ist hinausgegangen in den Weltenraum.

Onze huidige maan maakte ooit deel uit van de aarde. Ze heeft zich van de aarde afgescheiden en is in het wereldruim terecht gekomen.

 

Boeiend vind ik nu, om te kijken wat er vanuit de natuurwetenschap wordt gevonden:
AMSTERDAM – Is de maan ontstaan toen de aarde 4,5 miljard jaar geleden even overkookte in een uit de hand gelopen inwendige kernreactie? Twee Nederlandse onderzoekers denken daarvoor aanwijzingen te hebben. In het maandblad Natuurwetenschap & Techniek dat deze week (begin 2007) verschijnt, beweren ze dat dit het ontstaan van de maan beter verklaart dan de gangbare theorie: een botsing van de oeraarde met een onbekende andere planeet. Daarvoor lijken de maangesteenten bijvoorbeeld te veel op die van de aarde. Volgens de Groningse nucleair-fysicus Rob de Meijer en de Amsterdamse petroloog Wim van Westrenen bevinden zich binnenin de aarde op de overgang van de aardmantel naar de aardkern op zo’n 3.000 kilometer diepte zoveel uranium en thorium dat er kernreacties kunnen optreden. Volgens hun berekeningen kan dat miljarden jaren geleden hebben geleid tot een plaatselijke oververhitting. Daardoor werd een deel van de gesteenten gasvormig, en brak los als een bel materiaal, die in de ruimte weer condenseerde. Sindsdien bevindt die zich in een baan om de aarde. Volgens Meijer herbergt de aarde nog steeds zo’n natuurlijke kernreactor in haar binnenste.
Interessant is de opmerking <<bel materiaal>> en Steiners opmerking in GA 354:

Sehen Sie, wenn wir diese lebendige Bildung der Erde da neh­men (siehe Zeichnung), so trat das ein, daß sich eines Tages von die­ser Erde wirklich, man kann schon sagen, ein Junges bildete, das in den Weltenraum herausging. Diese Sache geschah so, daß da ein kleiner Auswuchs entstand; das verkümmerte da und spaltete sich zum Schluß ab. () Und in diesem Körper kann man, wenn man nicht mit Vorurteil, sondern mit richtiger Untersuchung an die Sache herangeht, den heutigen Mond erkennen.

Kijkt u eens, wanneer we deze actieve vorming van de aarde hier zetten (zie tekening links), ging het zo, dat op een dag vanuit deze aarde werkelijk, je kan zeggen, een jonger deel werd gevormd dat in de wereldruimte terechtkwam. Dat voltrok zich zo dat een klein uitgroeisel ontstond; dat verstierf daar en splitste zich uiteindelijk af. ( ) En in dit lichaam kan je, wanneer je niet met vooroordelen, maar door het goed op de zaak in te gaan, de huidige maan zien.
GA 354/36
niet vertaald

Steiner tekende op het bord:

GA 354 36

 

In het Eindhovens Dagblad van 26-04-2006 stond:
Het was feest gisteren bij Koningshof voor de Amsterdamse geoloog Wïm van Westrenen. Hij kreeg tijdens het jaarlijks Nederlands Aardwetenschappelijk congres in Veldhoven de felbegeerde Vening Meineszprijs uitgereikt.

Een beetje oneerbiedig zou je dr Wim van Westrenen een tikkel­tje ‘maanziek’ kunnen noemen. De maan is namelijk op het ogenblik zijn voornaamste werkterrein. In fi­guurlijke zin, natuurlijk, want veldwerk op onze satelliet zit er voor de 32-jarige Amsterdammer uiteraard voorlopig niet in. ‘„Mijn fascinatie voor de maan dateert al van toen ik nog heel jong was”, vertelt de onderzoeker. „Ik vond ruimtevaart altijd heel boeiend – wilde ook dolgraag as­tronaut worden.”

Die droom bleek te hoog gegre­pen, maar Van Westrenen kan intussen wel stukjes maan in het laboratorium bestuderen. Dat komt doordat hij zich sindsdien bekwaamd heeft in de geologie, ‘aardwetenschap’. En niet zo’n beetje ook, want gisteren werd hij in Veldhoven door zijn collega’s geëerd als ‘meest belo­vende jonge aardwetenschapper’ in ons land met de zogenaamde Vening Meineszprijs. De prijs, groot 10.000 euro, is in 1962 ingesteld door geologieprofessor Felix Vening Meinesz om onderzoekskosten te betalen voor jonge geologen in ons land. Het lijkt op het eerste gezicht misschien een beetje vreemd dat eenaardwetenschapper’ de maan bestudeert, maar zo raar is dat feite­lijk helemaal niet, legt Van Westrenen uit.

Botsing
‘Heel lang geleden’, vertelt hij„maakte de maan deel uit van de aarde. Maar een botsing met een passerende planeet van het for­maat van Mars in de begintijd van het zonnestelsel, meer dan vier miljard jaar geleden, heeft hem als het ware uit de aarde wegge­scheurd.”

En dat maakl de maan voor een aardwetenschapper bijzonder inte­ressant, zeker als die, zoals Van Westrenen, in het bijzonder geïnteresserd is in de ontstaansge­schiedenis van planeten in het al­gemeen.

Juiste tijd
Wat dat belieft is hij in de juiste tijd geboren. Tot voor kort kon­den geologen als het ging om het bepalen van algemene wetmatigheden met betrekking tot planeet vorming eigenlijk maar één voor­beeld echt goed bestuderen. Dat was natuurlijk de aarde zelf. Maar zelfs van een afstand kon­den sterrenkundigen intussen waarnemen dat onze ‘zusterplaneten’, Mars en Venus, blijkbaar een heel andere geschiedenis hebben gehad. Dankzij de ruimtevaart kunnen ook die verre buren tegen­woordig nauwkeurig worden be­studeerd.

„De vier ‘binnenplaneten’, Mercurius, Venus, de aarde en Mars, lij­ken inderdaad op min of meer de­zelfde manier gevormd te zijn”, zegt Van
Westrenen. Het zijn alle vier planeten die zijn samengesteld uit gesteente. Maar verder zijn ze totaal verschillend. Mercurius heeft geen dampkring en wordt verzengd door de zon.

Venus daarentegen heeft juist een heel dikke dampkring, met tempe­raturen van meer dan vierhon­derd graden.

Mars is een kale, koude steen­klomp met een ijle atmosfeer. Al­leen de aarde biedt een voor het le­ven aangenaam klimaat. „Hoe die verschillen zijn ont­staan, weten we nog altijd niet precies”, aldus de onderzoeker. „Wat we wel weten, is dat de aar­de als enige planeet geologisch nog altijd zeer actief is. De aarde kent het verschijnsel plaattektoniek, waarbij het aardoppervlak als het ware is opgedeeld in grote platen van gesteente die ronddrij­ven op een vloeibare kern. Het schuren en botsen van die platen zorgt op onze planeet voor ver­schijnselen als aardbevingen en vulkanisme.”

„Vermoedelijk hebben onze ‘zu-terplaneten’, Mars en Venus, in het verre verleden ook plaattektoniek gekend, maar is die daar tot stilstand gekomen toen het vloei­bare water op het oppervlak ver­dween. Verondersteld wordt na­melijk dat het schuiven van de aardse platen wordt vergemakke­lijkt door water dat als ‘smeermid­del’ dient.”

Onprettig
Hoewel plaattektoniek een boeiend verschijnsel is, heeft zij een voor geologen onprettige bijkomstigheid, legt van Westrenen uit: „Door al dat geschuif wordt het aardoppervlak eigenlijk voort­durend gerecycled. Daardoor vind je op aarde geen rotsen meer die echt uit het begin van de geschie­denis van onze planeet dateren. Als je, zoals ik, uitgerekend die vroege geschiedenis wilt bestude­ren, heb je dus een probleem.” Maar geen nadeel zonder voor­deel, want nu komt de rampzalige botsing waarbij de maan miljar­den jaren geleden uit de aarde werd losgescheurd, goed van pas. „De maan was gelogisch vrij snel uitgewoed”, zegt de onderzoeker. „Daardoor is het gesteente wat je er aantreft min of meer hetzelfde als de rotsen waaruit de jonge aar­de was samengesteld. Als je naar de geologische samenstelling van de maan kijkt, kijk je dus eigen­lijk naar een stukje heel jonge aar­de.”

Van Westrenen was dan ook opge­togen toen de Amerikaanse presi­dent Bush drie jaar geleden een ‘terugkeer naar de maan’ aankon­digde. Want de Apollo-astronauten mogen dan wel een paar hon­derd kilo maangesteente mee naar de aarde hebben genomen, de geologen zijn daar na meer dan dertig jaar wel op uitgekeken. „Al die stenen komen maar van een paar plekken”, aldus de geo­loog. „En we willen natuurlijkook wel het een en ander weten van andere plekken op de maan.”

 door MARTIjN HOVER

Ik schreef de heer van Westrenen en noemde de uitspraak van Steiner.

Zijn antwoord:

Dank voor uw uitgebreide bericht. Het ontstaan van de Maan houdt mensen
al bijzonder lang bezig, zowel binnen als buiten de wetenschap. Zoals u
zult begrijpen doe ik dat op een andere manier dan die van de heer Steiner
– ik vind mijn werk dan ook zeker geen rechtstreekse verwijzing naar zijn
uitspraken. Ook merk ik op dat Steiner zeker niet de eerste was die dacht
dat de Maan een stukje aarde was. Ook George (zoon van Charles) Darwin had hier midden jaren 1850 al (wetenschappelijke) artikelen over geschreven.
Ik houd me nog steeds bezig met het ontstaan en de evolutie van de Maan,
het blijft uitermate fascinerend dat we nog steeds niet weten hoe dit
precies in zijn werk is gegaan. Niet onverwacht is onze alternatieve
hypothese nog zeer verre van geaccepteerd door collega’s. Dat hoeft ook
niet – het gaat er vooral om dat er nieuwe ideeën nodig zijn, dit soort
zaken verandert niet van de ene op de andere dag.

Met vriendelijke groet,

Wim van Westrenen

Intussen gaan de discussies en onderzoeken door. In ‘Nature’ werd de laatste stand van zaken als volgt weergegeven:

maan ontstaan 1

 

(uit Nature)

Op 30-01-2016 verscheen dit bericht in Trouw:

Aarde moet frontaal op andere planeet zijn geknald
De aarde is, toen zij nog piepjong was, frontaal op een andere planeet geknald. Die planeet, Theia, spatte daardoor uit elkaar. Uit de brok­stukken ontstond de maan, maar de resten zijn ook opgezogen door de aarde. Met andere woorden: de aarde bestaat eigenlijk uit twee pla­neten.

Een groep wetenschappers con­cludeert dat in wetenschapsblad Science. Zij geven daarmee steun aan een van de theorieën over het ont­staan van de aarde.

Het was al langer bekend dat er een botsing tussen de aarde en Theia moet zijn geweest. Dat zou ongeveer 4,5 miljard jaar geleden zijn gebeurd, toen de aarde 100 mil­joen jaar was. Maar het was niet duidelijk hoe de botsing ging en wat daarvan terug te vinden is.

Om het verleden te achterhalen, keken de onderzoekers naar de chemische ‘vingerafdruk’ van ze­ven stenen die astronauten hadden meegenomen van de maan. Die ver­geleken ze met zes vulkanische ste­nen uit het binnenste van de aarde. De stenen waren helemaal gelijk aan elkaar, wat betekent dat ze de­zelfde afkomst moeten hebben.

Om dat mogelijk te maken, moet er bij de botsing een enorme kracht zijn vrijgekomen. Daaruit leiden de onderzoekers af dat de knal tussen de aarde en Theia frontaal moet zijn geweest.,

Een andere theorie is dat Theia destijds langs de aarde is gescheerd. Daarbij zou de planeet in stukken zijn gescheurd. De resten zouden in een baan rond de aarde zijn geko­men, wat wij nu zien als de maan. Maar in dat geval zouden de stenen op de maan moeten verschillen van de stenen op aarde, omdat ze een andere afkomst hadden, (anp)’

Interessant aan zo’n artikel is enerzijds dat de wetenschappers speculeren: een aantal keren is te lezen ‘moet frontaal zijn geknald’,’moet zijn geweest’, ‘moet zijn vrijgekomen’. En een feit dat vaststaat: Om het verleden te achterhalen, keken de onderzoekers naar de chemische ‘vingerafdruk’ van ze­ven stenen die astronauten hadden meegenomen van de maan. Die ver­geleken ze met zes vulkanische ste­nen uit het binnenste van de aarde. De stenen waren helemaal gelijk aan elkaar, wat betekent dat ze de­zelfde afkomst moeten hebben.

 

zie ook;   en hier; en hier

[1] vertaald
[
2] Botsende wereldbeelden

anderen over WETENSCHAP (3)

WIJ ZIJN ONZE GEEST’

Uit een interview met prof. Herman van Praag*

Van Praag, sinds 1997 met emeritaat, verzet zich onder het motto ‘niet bij biologie alleen’ tegen een nieuwe mode: de materialistische stroming die zich laat samenvatten als ‘Wij zijn ons brein’, naar de bestseller van hersenonder­zoeker Dick Swaab. ( )

In de jaren zeventig werd hij mikpunt van de antipsychiatrie, die alle traditionele psychiatrie afwees en ook argwanend was over de biologi­sche benadering van Van Praag: “Ik ben uitge­maakt voor nazi-arts omdat ik biologisch on­derzoek van de hersenen deed bij patiënten en soms de elektroshockbehandeling toepaste. Terwijl ik best waardering had voor de anti­psychiatrie. Ze vroegen aandacht voor sociale oorzaken van psychiatrische ziektebeelden en stelden de verkalkte toestanden in sommige psychiatrische ziekenhuizen aan de kaak, waar patiënten decennia konden vegeteren. Er was weinig aandacht voor dementerenden. Maar ze rekten hun theorieën te ver op, zoals nu de breinfetisjisten. ( )

“Wij zijn er dankzij ons brein. Maar we zijn niet ons brein. Wij zijn bovenal onze geest.” Een mens is meer dan alleen het genenpatroon en de optelsom van hersenfuncties, vindt Van Praag. ( )

Ik ben in ú geïnteresseerd, niet in uw brein. Uw brein vertelt mij niet wie u bent. Daarvoor heb ik meer informatie nodig. Pas dan rijg ik zicht op het unieke portret dat u bent en dat u zelf heeft opgebouwd, door welbewuste keuzes in uw leven.

Er zijn zeven miljard van die unieke portretten op de wereld. De breinen laten die niet zien. Natuurlijk besta ik dankzij mijn brein. Zonder mijn hersens ben ik er niet. Maar daarom ben ik nog niet mijn brein. Dat is het verschil tussen Swaab en mij.

Vergelijk het met een tulp. Zonder de aarde waarin die is geplant kan hij niet bestaan. Maar je kunt niet alle eigenschappen van die tulp, zijn kleur, zijn geur, zijn schoonheid, verklaren vanuit die teelaarde,”

Van Praag verwijt zijn tegenstanders dat die oude leer van de goddelijke voorzienigheid hebben vervangen door een andere predestinatieleer,  waarin genen en voorgeprogrammeer­de hersencellen Gods rol hebben overgenomen.

‘Neuraal deterministen’ noemt hij hen.

In hun denken is menselijke vrijheid een illu­sie. Van Praag houdt zelf vast aan het begrip geest. “Ik denk dan niet aan een wolkje dat on­afhankelijk van de hersenen zou bestaan. Met ‘geest beschrijf ik onze eigenheid. Dat wat in het Engels selfhood heet, ons tot een individu maakt.”

“Mensen zijn geen speelbal van hun voorgeprogram­meerde hersenen. Ik – mijn zelf, mijn geest -geef mijn leven vorm, al worden mijn doen en laten mede beïnvloed door factoren waarvan ik mij niet goed of niet geheel bewust ben.

Ik spreek uit persoonlijke ervaring. Ik heb drie jaren in nazikampen doorgebracht. Ik heb toen zeer bewust twee beslissingen genomen: ik ga dit overleven en als me dat lukt dan ga ik iets van mijn leven maken. Dat is me gelukt, volgens plan. De hersenen stelden me hiertoe in staat, maar waren niet de bouwheer. Dat was mijn zelf’.”

( )

“Ik heb de psychiatrie altijd breed benaderd. Met oog voor de biologische, psychologische en sociale factoren die ons psychische leven kun­nen verstoren.

Daarnaast heb ik de verbeeldingskracht** hoog, het vermogen je beelden te vormen van dingen die er niet zijn, of beter, die niet
waar­neembaar of meetbaar zijn. Het kan gaan om een wetenschappelijke constructie of een ver­nieuwend idee op kunstzinnig of maatschap­pelijk gebied.

Verbeelding kan een mens tot een visionair maken. Verbeelding komt ook tegemoet aan de menselijke behoefte het leven te voorzien van een verticale dimensie. In die wereld kan een godsbeeld tot ontwikkeling komen, komt de Bijbel – dat magistrale hoogtepunt van mense­lijke verbeelding – tot leven en is er plaats voor al datgene waarmee je je in het gewone leven geen raad weet.

In intellectuele kringen is het tegenwoordig mode om de behoefte aan verticaliteit, religio­siteit, te ontkennen of te onderdrukken. Reli­gie is voor de dommen. Ik vind dat jammer, een tekort.

Vergelijk het met iemand die niets voelt bij muziek of een gedicht, of niet kan genieten van de natuur. Je mist dan zoveel. Bovendien blijken religieuze mensen stressbestendiger te zijn dan niet-religieuze. Zij hebben minder vaak depressies en genezen sneller. Dat is al­leen zo als de patiënt een optimistische kijk op godsdienst heeft. ( )

Er is altijd een weg vooruit, naar een betere toekomst. Je moet niet de fout maken om te veel van mensen te verwachten, maar de hoop moet blijven leven. Daarom is de messiaanse idee zo belangrijk. Ik geloof niet in de Messias als een persoon. Voor mij is de idee van een Messias belichaamd in de mensheid als collectief. Wij, met z’n allen, zul­len op weg moeten naar een betere toekomst. Op weg naar de horizon. Die wijkt; we bereiken die nooit, maar we komen wel steeds verder.

Daarom is het ook zo goed dat Adam en Eva die appel opaten, ook al had God dat verboden. Anders hadden ze voor eeuwig gevegeteerd in het paradijs, waar alles volmaakt is, waar niets meer te wensen valt, waar de mens geen uitda­gingen meer zou kennen. Dan was de schep­ping mislukt.”

*Trouw – 14 -12- 2013
Dit is om reden van copy-rights niet heel het interview.
Desgewenst kan het toegestuurd worden via email.
Via pieterhawitvliet voeg toe apenstaartje gmail punt com

**Rudolf Steiner over verbeeldingskracht en gezondmakend onderwijs

 

anderen over HET HART (9)

Kracht putten uit ritme

Het slaap-waakritme is zo’n vanzelfsprekend ritme dat je er eigenlijk niet eens bij stilstaat. Pas als je lijdt aan een slaapstoornis of nachten hebt gewaakt bij een zieke, merk je hoe je lichamelijk welbehagen van dat ritme afhankelijk is. Naast het slaap-waakritme zijn er nog heel wat andere ritmes die invloed uitoefenen op onze gezondheid. Wat voor ritmes zijn dat en hoe kun je ze herkennen?

Wie ooit naar Amerika of nog verder, naar Australië of Nieuw-Zeeland is gevlogen, heeft kennis kunnen maken met een merkwaardig fenomeen. Ook al ben je zelf van plan je onmiddellijk aan te passen aan de andere taal, het klimaat en de omstandigheden, vaak ziet je lichaam dat de eerste dagen nog helemaal niet zitten. De uiterlijke klok is immers niet gelijkgesteld met je eigen bioritme. Je lijf meldt daardoor op de verkeerde tijden dat het slaap nodig heeft of hongerig is en het leven gaat nog min of meer als een droom aan je voorbij. Pas na ongeveer een week begint het nieuwe ritme te wennen en krijg je langzaam aan het gevoel dat je er echt bent. Je hebt de ritmestoornis, in dit geval de verstoring van het slaap- en waakritme, dan overwonnen.

Ritme
Wat is ritme precies? Van Dales Groot Woordenboek omschrijft het als ‘iedere geaccentueerde, periodieke (maar niet altijd gelijke) wisseling in een bewe­ging’.

Ritme is dus de wisseling in een beweging, geen regelmaat, want dan is alles altijd hetzelfde. Na een dag en een nacht volgt steeds weer een volgen­de dag, maar tegelijk wordt het steeds iets korter of langer licht. Als je erop gaat letten, zie je overal rit­mes: in onze tijdsindeling in dag en nacht, week, maand en jaar, in de wis­seling van de seizoenen, in het functio­neren van onze organen en zelfs in onze levensloop. Onze polsslag bijvoorbeeld heeft een ritme dat in een specifieke verhouding staat tot onze ademhaling, namelijk 4 op 1. Bij een hevige schrik stokt de ademhaling en ben je even letterlijk van slag.

Ook de lever heeft een eigen ritme. Hij begint rond drie uur ’s middags met zijn opbouwactiviteiten en eindigt daarmee rond drie uur ’s nachts.

Opbouw en afbraak
Interessant is dat ons eigen fysiologische ritme niet los te zien is van grotere, kosmische ritmes. Wij halen in een etmaal 25.920 keer adem; de zon heeft er 25.920 jaar voor nodig om de hele kring van de dierenriem te bewandelen.
Een ander voorbeeld: de menstruatie-cyclus bestrijkt ongeveer 28 dagen, het­zelfde aantal dagen dat de maan ervoor nodig heeft om alle fasen – van nieuwe tot volle maan en weer terug – te doorlopen. Naast deze wetmatigheden zijn er ook ritmes die zich veel innerlijker afspelen. De afwisseling tussen dag- en nacht­ritme en het verschil tussen waken en slapen betekenen een afwisseling tussen afbraak en opbouw.
Overdag breek je je levenskrachten af doordat je voortdurend je zintuigen gebruikt en allerlei prikkels moet verwerken; ’s nachts moet je deze levenskrachten weer opbouwen. Opbouw en afbraak gelden echter net zo goed overdag. Een hele dag intensief vergaderen of winkelen, waarbij je met je hoofd voortdurend indrukken opneemt, tendeert naar afbraak. De opbouwkant overheerst bij een dag die je doorbrengt aan de open haard, met wat soezen in de warmte, met taart en een mooie roman.
Ritmische processen verbinden deze beide polariteiten. Je spaart daardoor kracht. Ritme is een golf waardoor je je een stukje kunt laten meenemen, in plaats van tegen de stroom in te zwemmen.

De kracht van ritmes
Voor wie kracht wil putten uit de ver­schillende ritmes zijn er heel wat aanknopingspunten te vinden.
In het dagritme werkt het al heel ordenend als je op een vaste tijd opstaat, een patroon ontwikkelt in het afwerken van karwei­tjes en prioriteiten stelt. Als je tussen­door pauzes inlast, een wandelingetje maakt en op tijd eet, versterkt dat de opbouw, en daardoor krijg je weer energie. Let je op de veranderingen in het licht, op de zonsondergang, op het invallen van de schemering, op de stand van de maan en het al dan niet aanwezig zijn van sterren, dan zul je na verloop van tijd merken dat het je slaap-waakritme versterkt. Een indeling per dagdeel naar ‘hoofd, hart en handen’ kan je behoeden voor eenzijdigheid. In het begin gaat het daarbij vooral om de registratie van wat je doet of hebt gedaan.
Was ik de afgelopen morgen vooral met mijn hoofd bezig, of heb ik vooral mijn handen of benen gebruikt? Doe ik ter afwisseling dingen die meer het hart aanspreken, zoals het schrijven van een brief, het bewonderen van een roos of een sneeuwvlok? Neem ik wel tijd voor een goed gesprek? Daarbij zal overi­gens de een liever ’s morgens denkwerk verrichten en de ander ’s avonds.
Een weekritme is eveneens een uitstekend middel tegen eenzijdigheden en stress: op bepaalde dagen wassen of strijken, op een vaste middag
verga­deren of zwemmen, op zondag heel andere dingen doen en anders eten dan in de week. Het voordeel is dat je zodoende aan allerlei dingen toekomt waar je anders geen tijd voor denkt te hebben.

Het maandritme werd al even genoemd in verband met de menstruatiecyclus. Ook daar kun je naar toeleven. Bij speciale cursussen voor vrouwen die bij de menstruatie veel pijn ondervinden, is het opvallend dat hen wordt geleerd zich niet tegen de cyclus te verzetten. Met het ritme meegaan, niet het uiterste van jezelf vragen in je dagelijkse inspanningen, maar de buik juist extra aandacht en warmte geven, zorgt ervoor dat bij veel vrouwen de narig­heid afneemt.

Het mooie van ritme is dat het niet alleen je gezondheid ondersteunt, het maakt de wereld ook veelkleuriger en beweeglijker dan je op het eerste gezicht denkt. Steeds gaat het erom wisseling in de beweging te brengen. Verjaardagen, feestdagen en vakantie kunnen hierdoor met meer overgave worden gevierd en, wat ook belangrijk is, je hebt ineens een zee van tijd.

(Ineke van der Duijn Schouten, met medewerking van George Maissan,huisarts, Weledaberichten nr. 175, winter 1997)